Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BD6623

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
11-06-2008
Datum publicatie
10-07-2008
Zaaknummer
24-002194-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich in een periode van ongeveer acht maanden schuldig gemaakt aan meerdere vermogensdelicten, namelijk afpersing, meerdere diefstallen en schuldheling. De verdachte vormde hiertoe met zijn mededaders een georganiseerd verband waarin men zich schuldig maakte aan genoemde delicten.

De verdachte en zijn mededaders hebben puur gehandeld uit een oogpunt van financieel gewin. Daarnaast hebben zij met hun handelen hinder, overlast en financiële schade toegebracht aan de gedupeerden. Met name de overval op Schiphol, waarbij ruim 18.000 mobiele telefoons, ter waarde van in totaal € 2.700.000,- zijn buitgemaakt, vormt daarbij in het geheel van de bewezen verklaarde feiten een in het oog springend delict.

De organisatie was op professionele wijze ingericht, in die zin dat sprake was van een onderlinge taakverdeling, vaste opslagplaatsen voor de buitgemaakte voorwerpen en contacten met afnemers van gestolen voorwerpen. De verdachte had als chauffeur van de weggenomen vrachtwagens en opleggers, die vervolgens werden gebruikt om gestolen voorwerpen mee te vervoeren, een onmisbaar en prominent aandeel in de organisatie en heeft daarmee in aanzienlijke mate bijgedragen aan het resultaat van die organisatie.

De verdachte heeft tevens een vuurwapen en munitie voorhanden gehad.

Het ongecontroleerde bezit van wapens kan in zijn algemeenheid een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich meebrengen en een gevoel van onveiligheid in de maatschappij veroorzaken. Door te handelen als hij heeft gedaan heeft de verdachte daaraan bijgedragen.

De verdachte heeft zich tevens schuldig gemaakt aan brandstichting in de gestolen vrachtwagencombinatie die is gebruikt om de bij de overval op Schiphol buitgemaakte telefoons te vervoeren.

De verdachte heeft zich tot slot schuldig gemaakt aan mishandeling van [benadeelde 6], door deze in het gezicht te stompen. De verdachte heeft hiermee een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van die [benadeelde 6].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 24-002194-06

parketnummers eerste aanleg: 07-630215-05 en 07-480219-05

Arrest van 11 juni 2008 van het gerechtshof Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 12 september 2006, in de oorspronkelijk onder de parketnummers 07-630215-05 en 07-480219-05 afzonderlijk aangebrachte, maar ter terechtzitting in eerste aanleg gevoegde strafzaken, hierna te noemen respectievelijk zaak A en zaak B, tegen:

[verdachte],

geboren op [1971] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans verblijvende in de penitentiaire inrichting Achterhoek, DOC De Kruisberg BB te Doetinchem,

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman, mr. C.N.G.M. Starmans, advocaat te Utrecht.

Het vonnis waartegen het beroep is gericht

De rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het hierboven genoemde vonnis, in de gevoegde zaken, wegens misdrijven veroordeeld tot een straf en heeft beslist over de in beslag genomen voorwerpen en over de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals in dat vonnis is omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 8 maart 2007, 8 mei 2007, 22 mei 2007, 31 juli 2007, 29 en 30 oktober 2007, 21 en 22 januari 2008, 3 maart 2008 en 28 mei 2008, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte ter zake van het in zaak A onder 1, 2 primair, 3 primair, 4 primair, 5, 6 primair, 7 primair, 8 primair, 9 primair, 10 primair, 11 primair, 12, 13, 14 primair en 15, alsmede het in zaak B ten laste gelegde veroordeelt tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar, met aftrek van de periode die door de verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht.

Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat met betrekking tot de onder de verdachte en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of de medeverdachte [medeverdachte 3] in beslag genomen voorwerpen die op een lijst van 27 juli 2006, welke lijst is aangehecht aan dit arrest, zijn opgenomen de volgende beslissingen worden genomen:

de voorwerpen genummerd 1, 3, 4, en 89 tot en met 91: teruggave aan de rechthebbende, [slachtoffer 1];

het voorwerp genummerd 17: teruggave aan de rechthebbende, [slachtoffer 2];

de voorwerpen genummerd 97 en 100: teruggave aan de rechthebbende, [slachtoffer 3];

de voorwerpen genummerd 5 t/m 16, 18 t/m 41, 47, 48, 50, 78, 80 t/m 83, 87, 88, 130 t/m 133, 135, 138 t/m 152 en 214: onttrekking aan het verkeer;

de voorwerpen genummerd 46 en 49: verbeurdverklaring;

en de voorwerpen genummerd 79, 84 t/m 86 en 129: bewaring ten behoeve van de rechthebbende.

Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat:

de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] gedeeltelijk wordt toegewezen, tot een bedrag van € 7.223,55, en dat daarbij de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd, dat de door [benadeelde 1] gemaakte kosten voor rechtsbijstand van € 600,- worden vergoed en dat de verdachte hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld;

de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] gedeeltelijk wordt toegewezen, tot een bedrag van € 6.240,- en dat daarbij de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd en dat de verdachte hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld;

de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] gedeeltelijk wordt toegewezen, tot een bedrag van € 3.420,- en dat daarbij de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd en dat de verdachte hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld;

de benadeelde partijen [benadeelde 4] en [benadeelde 5] niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan dit arrest zijn gehecht fotokopieën van de inleidende dagvaardingen, waarin de wijzigingen zijn aangebracht, die de eerste rechter heeft toegelaten. De inhoud van de tenlasteleggingen wordt geacht hier te zijn overgenomen.

Het hof heeft ter terechtzitting van 29 oktober 2007 de tenlastelegging in zaak A gewijzigd overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal. Een fotokopie van die vordering is aan dit arrest gehecht.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Verweren van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft vijf gronden aangevoerd die, in onderling verband en onderlinge samenhang beschouwd, volgens de raadsman dienen te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Ten eerste is aangevoerd dat de procedure van de fotoconfrontatie met de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] onzorgvuldig is uitgevoerd door de politie.

Immers deze confrontatie is uitgevoerd in aanwezigheid van elkaar en het is onwaarschijnlijk dat deze getuigen geen inhoudelijk contact met elkaar hebben gehad over de zaak. Daardoor heeft over en weer sprake kunnen zijn van beïnvloeding.

Ten tweede is aangevoerd dat de procedure van de sorteerproeven onzorgvuldig is geweest, nu daarbij sprake kan zijn geweest van beïnvloeding.

Ten derde is aangevoerd dat het aanvullend proces-verbaal van [verbalisant 1] van 13 maart 2006, indien dat proces-verbaal de teneur is van het hele onderzoek, de conclusie rechtvaardigt dat sprake is geweest van tunnelvisie, ten nadele van [verdachte]. Hiertoe is gesteld dat [verbalisant 1] geen onderzoek heeft gedaan en niet heeft gezocht naar feiten en omstandigheden die een ander licht zouden kunnen werpen op de voor de verdachte belastende verklaring van [medeverdachte 4] inzake feit 14 van zaak A.

Ten vierde is aangevoerd dat het onderzoek door de marechaussee en/of politie naar de mogelijke betrokkenheid van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] bij feit 2 van zaak A (hierna te noemen: de overval op Schiphol) onzorgvuldig en onvolledig is geweest, met name op het punt van onderzoek naar telefoonverkeer.

Ten vijfde is aangevoerd dat sprake is van obstructie van de waarheidsvinding inzake feit 5 van zaak A, nu [verbalisant 2] aan een medewerker van het observatieteam, voorafgaand aan diens verhoor door de rechter-commissaris, instructies heeft gegeven die ten nadele (kunnen) strekken van de verdediging.

Oordeel van het hof

Het hof verwerpt het door de raadsman gevoerde verweer met betrekking tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. De door de raadsman aangevoerde punten leveren noch afzonderlijk, noch in onderlinge samenhang bezien, een zodanig ernstig vormverzuim op dat dit moet leiden tot de vergaande sanctie van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Niet is gebleken of aannemelijk geworden dat sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, in die zin dat doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Omstandigheden die op dit punt tot een ander oordeel zouden moeten leiden zijn het hof niet gebleken.

Met betrekking tot de fotoconfrontaties die de politie heeft gehouden met de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] is niet gebleken of aannemelijk geworden dat als gevolg van onzorgvuldigheid bij de wijze van uitvoering van de fotoconfrontatie met de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] sprake is, dan wel kan zijn geweest, van wederzijdse beïnvloeding.

Gelet op hetgeen [getuige 1] en [getuige 2] op 13 juli 2007 en 15 oktober 2007 over de fotoconfrontatie hebben verklaard tegenover de rechter-commissaris in de rechtbank Zwolle-Lelystad, is [getuige 1] weliswaar aanwezig geweest tijdens de fotoconfrontatie met [getuige 2]. Echter, niet is gebleken of aannemelijk geworden dat op dat moment overleg over de herkenning heeft plaatsgevonden of daarover gesproken is tussen [getuige 1] en [getuige 2]. Van enige beïnvloeding van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] over en weer op het punt van de herkenning, voorafgaand aan de fotoconfrontatie, is niet gebleken.

Het hof stelt dan ook vast dat [getuige 1] en [getuige 2] [verdachte] onafhankelijk van elkaar hebben herkend.

Met betrekking tot de sorteerproeven kan niet worden uitgesloten dat die proeven mogelijk zijn uitgevoerd in strijd met de daarvoor geldende voorschriften, opgenomen in het uit september 1997 daterende supplement 2 van het Keuringsreglement Politiespeurhond menselijke geur. Een mogelijk onjuiste uitvoering van de proeven levert echter niet op een zodanig ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde dat daardoor doelbewust of met grove verwaarlozing van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

Immers, niet is gebleken of aannemelijk geworden dat de verdachte - die tot voor kort op alle fronten van de verdenking tegen hem een onkennende verdachte was en zich beriep op zijn zwijgrecht - daardoor geschaad is in zijn strafprocessuele positie, dan wel verdediging.

Gelet op een mogelijke onvolkomen uitvoering van de sorteerproeven zal het hof geen gebruik maken van de resultaten daarvan.

Met betrekking tot het aanvullend proces-verbaal van [verbalisant 1] van 13 maart 2006 is niet gebleken of aannemelijk geworden dat daarmee doelbewust of met grove verwaarlozing van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Het hof deelt niet de conclusie van de raadsman dat in bedoeld proces-verbaal sprake is, dan wel blijk is gegeven van tunnelvisie, gericht op benadeling van de waarheidsvinding ten nadele van [verdachte]. Het hof stelt vast dat [verbalisant 1] in bedoeld proces-verbaal enkel heeft vastgelegd welke handelingen zijn verricht om de verklaringen van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] te verifiëren, onder meer aan de hand van een tijdpad.

Het onderzoek door de marechaussee en/of politie naar de mogelijke betrokkenheid van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] bij de overval op Schiphol is - anders dan de raadsman stelt - niet onzorgvuldig geweest en is evenmin in ontoelaatbare mate onvolledig geweest.

In de loop van het door de marechaussee ingestelde onderzoek Elfenbeen inzake de overval op Schiphol is geïnventariseerd welke opmerkelijke feiten en/of omstandigheden afgeleid kunnen worden uit de met name door [benadeelde 1] en [benadeelde 2] afgelegde verklaringen en het onderzoek ingesteld op de plaats van het delict. Dit heeft geresulteerd in het proces-verbaal van de verbalisant [verbalisant 3] van 29 september 2005.

Dit onderzoek leverde - met de kennis en wetenschap van toen - echter onvoldoende concrete aanwijzingen op voor een verdenking van betrokkenheid van [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] bij die overval.

Door de regiopolitie is daarop, na overdracht van het onderzoek door de marechaussee, geen verder onderzoek op dit punt ingesteld.

Ook de verdediging, bekend met de inhoud van het bedoelde proces-verbaal van [verbalisant 3], zag - blijkens de behandeling van de zaak in eerste aanleg en tijdens de regiezitting in hoger beroep op 8 mei 2007 - geen aanleiding onderzoekswensen op dit punt in te dienen.

Eerst in een later stadium van het hoger beroep heeft [medeverdachte 2] zijn proceshouding gewijzigd. [medeverdachte 2] heeft in zijn verklaring van 17 oktober 2007, welke verklaring onderdeel vormt van het strafdossier van [verdachte], afgelegd bij de rechter-commissaris in de rechtbank Zwolle-Lelystad en herhaald en bevestigd ter terechtzitting van het hof van 29 oktober 2007, erkend betrokken te zijn geweest bij bedoelde overval. Bovendien heeft de advocaat-generaal ter terechtzitting van 29 oktober 2007 stukken overgelegd waaruit blijkt dat destijds een onderzoek heeft plaatsgevonden naar het telefoongebruik van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] rond de datum van de overval en naar de aanwezigheid van [benadeelde 1] op een camping in [plaats 2] op de dag voordat de overval op Schiphol plaatsvond.

[medeverdachte 2] heeft tevens verklaard dat sprake is geweest van betrokkenheid, in de zin van wetenschap van en medewerking aan de overval op Schiphol, van [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2]. Eerst op dat moment is het belang van een nader onderzoek naar de mogelijke betrokkenheid van [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] bij die overval concreet geworden, hetgeen vervolgens heeft geleid tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting ten behoeve van de uitvoering van onderzoekswensen van de verdediging op dit punt.

In een nog later stadium van het hoger beroep heeft [verdachte] zijn proceshouding eveneens gewijzigd. [verdachte] heeft in zijn verklaring, afgelegd ter terechtzitting van het hof van 21 januari 2008, erkend betrokken te zijn geweest bij de overval op Schiphol. [verdachte] heeft tevens verklaard dat daarbij sprake is geweest van betrokkenheid van een niet nader genoemde medewerker, door [verdachte] aangeduid als "de loodsbaas", van het expeditiebedrijf [slachtoffer 1], in de zin van wetenschap van en medewerking aan die overval.

Nu eerst in een zeer laat stadium openheid van zaken is gegeven door [medeverdachte 2] en [verdachte], kan aan het openbaar ministerie bezwaarlijk het verwijt worden gemaakt dat thans blijkt dat niet meer met resultaat kan worden voldaan aan sommige onderzoekswensen van de verdediging. Immers, enkel door tijdsverloop zijn diverse gegevens van telefoonverkeer thans niet meer voorhanden.

Het hof is van oordeel dat niet kan worden geconcludeerd dat, zonder bekend te zijn met de bekennende verklaring van [medeverdachte 2] en [verdachte], het onderzoek door de marechaussee en/of politie en/of het openbaar ministerie naar de mogelijke betrokkenheid van [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] bij de overval op Schiphol onvolledig is geweest. Na het bekend worden van die verklaringen heeft het hof de waarheidsvinding centraal gesteld door de honorering van onderzoekswensen van de verdediging naar die mogelijke betrokkenheid, voor zover in redelijkheid aan die onderzoekswensen kon worden voldaan.

De enkele omstandigheid dat achteraf door het openbaar ministerie (en kennelijk ook door de verdediging) is opgemerkt dat destijds een verkeerd getypt telefoonnummer (toegeschreven aan [benadeelde 2]) is onderzocht, leidt niet tot het oordeel dat doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Hierbij is van belang dat van die vergissing destijds reeds melding is gemaakt door de politie, zoals blijkt uit het BOB-dossier. Indien de verdediging een correctie op dit punt relevant had geacht, waarvan niet is gebleken, is de verdediging derhalve reeds in een veel eerder stadium in de gelegenheid geweest nader onderzoek op dit punt te vragen. In dat - eerdere - stadium had een nader onderzoek gegevens opgeleverd (tenaamstelling, betaalgegevens) die in de fase van het hoger beroep niet meer achterhaald konden worden.

Met betrekking tot het horen van medewerkers van het observatieteam (hierna te noemen: observanten) door de rechter-commissaris in de rechtbank Zwolle-Lelystad inzake feit 5 van zaak A, is ten slotte niet gebleken of aannemelijk geworden dat sprake is geweest van obstructie van de waarheidsvinding. Uit de processen-verbaal die zijn opgemaakt van die verhoren blijkt dat door [verbalisant 2] weliswaar voorafgaand aan de verhoren instructies zijn gegeven aan de betreffende observanten.

Echter, tevens blijkt dat die instructies er uitsluitend in algemene zin toe strekten dat de observanten zich er tijdens het verhoor constant van bewust dienen te zijn dat enkel feitelijke informatie over hetgeen is waargenomen dient te worden gegeven en dat geen tactische informatie over het optreden van het observatieteam kan worden gegeven en dat bij de beantwoording van vragen telkens een afweging op dat punt dient te worden gemaakt.

Uit die processen-verbaal blijkt voorts dat de observanten hebben geantwoord op de aan hen gestelde vragen. Uit die verhoren blijkt niet dat de observanten bepaalde vragen niet hebben beantwoord of vragen hebben ontweken, dan wel anderszins de verdediging hebben tegengewerkt.

Vorenstaande leidt tot de slotsom dat het verweer, in alle onderdelen, wordt verworpen.

Vrijspraak ter zake van het in zaak A onder 2 primair, 6 primair en 7 primair ten laste gelegde

Het hof acht niet bewezen hetgeen in zaak A onder 2 primair, 6 primair en 7 primair aan de verdachte is ten laste gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Het hof acht aannemelijk geworden dat òf [benadeelde 1] òf [benadeelde 2] òf een andere, bij het expeditiebedrijf [slachtoffer 1] werkzame, persoon betrokkenheid heeft gehad bij de overval op Schiphol. Het hof gaat hierbij uit van hetgeen [medeverdachte 2] daarover in zijn verklaring, op 17 oktober 2007 afgelegd bij de rechter-commissaris in de rechtbank Zwolle-Lelystad en herhaald en bevestigd ter terechtzitting van het hof van 29 oktober 2007, heeft verklaard, en van hetgeen [verdachte] daarover in zijn verklaring, afgelegd ter terechtzitting van het hof van 21 januari 2008, heeft verklaard.

Onder die omstandigheden kan - gelet op de feitelijke uitvoering van de overval, waarbij [benadeelde 1] met een heftruck de pallets met GSM's in een vrachtwagen heeft geladen - het in zaak A onder 2 primair ten laste gelegde bestanddeel "wegnemen" niet worden bewezen, hetgeen dient te leiden tot vrijspraak van het in zaak A onder 2 primair ten laste gelegde feit.

Uit de bewijsmiddelen volgt voorts niet dat de verdachte betrokken is bij het wegnemen van de in feit 6 primair en 7 primair genoemde voorwerpen. Uit de bewijsmiddelen volgt evenmin dat die goederen in nauwe en bewuste samenwerking met de verdachte door een ander zijn weggenomen. Dit dient te leiden tot vrijspraak van de in zaak A onder 6 primair en 7 primair ten laste gelegde feiten.

Overweging met betrekking tot de bewijsvoering

Algemeen

[medeverdachte 4] heeft als (mede)verdachte en als getuige in diverse stadia van het onderzoek verklaringen afgelegd. Die verklaringen komen niet telkens met elkaar overeen.

De verdediging heeft betwist dat de door [medeverdachte 4] afgelegde verklaringen betrouwbaar zijn.

Het hof is van oordeel dat de door [medeverdachte 4] afgelegde verklaringen telkens van geval tot geval en met de nodige terughoudendheid en voorzichtigheid dienen te worden beschouwd. Dit behoedzame gebruik leidt ertoe dat uitsluitend daar waar de inhoud en/of strekking van een door [medeverdachte 4] afgelegde verklaring wordt ondersteund door ander bewijs, onder meer in de vorm van objectieve gegevens of één of meer verklaringen van een ander dan [medeverdachte 4], het hof de desbetreffende verklaring van [medeverdachte 4] zal gebruiken voor het bewijs.

De raadsman heeft met betrekking tot hetgeen hierboven onder het kopje verweren van de verdediging is weergegeven subsidiair aangevoerd dat die verweren dienen te leiden tot bewijsuitsluiting. De raadsman heeft daarbij niet aangegeven op welke bewijsmiddelen die sanctie zich zou moeten richten.

Het hof is van oordeel dat niet is gebleken of aannemelijk geworden dat hetgeen de raadsman heeft aangevoerd een zodanig vormverzuim oplevert dat dit moet leiden tot uitsluiting van - anders dan de resultaten van de sorteerproeven - enig bewijsmiddel.

Het hof verwijst hiertoe naar hetgeen hierboven bij de bespreking van de verweren is weergegeven.

Het in zaak A onder 2 subsidiair ten laste gelegde

Het hof acht het in zaak A onder 2 subsidiair ten laste gelegde bewezen. Op grond van hetgeen [verdachte] en [medeverdachte 2] over dit feit hebben verklaard, welke verklaringen hierboven zijn aangeduid, gaat het hof er van uit dat ofwel [benadeelde 1], ofwel [benadeelde 2], ofwel een andere bij het expeditiebedrijf [slachtoffer 1] werkzame persoon medewerking heeft verleend aan dit feit.

Medewerking vanuit het bedrijf acht het hof aannemelijk, aangezien niet voor te stellen is hoe de verdachte en zijn maten anders op de hoogte konden zijn van de aanwezigheid van een dergelijke omvangrijke, kostbare hoeveelheid mobiele telefoons op die locatie op dat moment, bezien in het licht van de getroffen voorbereidingen en het direct doorstoten van de gestolen telefoons.

Noch uit de door [verdachte] en [medeverdachte 2] hierover afgelegde verklaringen, noch uit het naar aanleiding van die verklaringen ingestelde nader onderzoek naar medewerking van binnenuit, is echter gebleken door welke werknemer van [slachtoffer 1] die medewerking is verleend.

Dit leidt ertoe dat er jegens of [benadeelde 1], of [benadeelde 2], of beiden, zonder kennis vooraf, geweld is uitgeoefend, met geweld is gedreigd en er sprake is van dwingen tot afgifte van de telefoons jegens één of meer van hen.

Het in zaak A onder 3 primair, 4 primair en 5 ten laste gelegde

[verdachte] heeft in zijn verklaring, afgelegd ter terechtzitting van het hof van 21 januari 2008, onder meer verklaard dat hij betrokken was bij de overval op Schiphol en dat [medeverdachte 2] ten behoeve van de uitvoering van die overval al voor een vrachtwagen had gezorgd en dat die vrachtwagen met een verbroken slot op zondag 18 september 2005 klaar stond op een parkeerplaats in [pl[verdachte] heeft tevens verklaard dat hij met die vrachtwagen naar Schiphol is gereden en dat het de bedoeling was dat er in de buurt nog een trailer geregeld werd en dat [medeverdachte 2] en hij onderweg een trailer hebben gezocht, waarna hij, [verdachte], de trekker met trailer heeft gereden en die combinatie op Schiphol tegen het dok aan heeft gep[verdachte] heeft voorts verklaard dat hij, nadat de overval op Schiphol had plaatsgevonden en de buit was uitgeladen in een loods in [plaats 2], de vrachtwagen van [plaats 2] naar [plaats 3] heeft gereden en in [plaats 3] heeft gestald en vervolgens in een zwarte Volvo personenauto is overgestapt.

[medeverdachte 2] heeft in zijn verklaring, op 17 oktober 2007 afgelegd bij de rechter-commissaris in de rechtbank Zwolle-Lelystad, verklaard dat hij, samen met een ander of anderen, voorafgaande aan de overval op Schiphol, een blauwe Volvo met het opschrift [slachtoffer 2] heeft gestolen en vervolgens in de buurt van Schiphol een oplegger met het opschrift [opschrift] heeft gestolen.

[medeverdachte 2] heeft voorts verklaard dat hij, nadat de overval op Schiphol had plaatsgevonden en de buit was uitgeladen in een loods in [plaats 2], samen met een ander of anderen, met de vrachtwagen naar [plaats 3] is gereden en dat de vrachtwagen in brand is gestoken.

Gelet op deze verklaringen, bezien in samenhang met het totale volume van de buitgemaakte telefoons, vormde de diefstal van een vrachtwagen en een oplegger een onmisbaar onderdeel van het plan van uitvoering van de overval op Schiphol en zijn daarover afspraken gemaakt en is daarbij samengewerkt met de mededaders.

Onder deze omstandigheden is niet relevant of [verdachte] aanwezig en/of actief is geweest op de plaats en op het tijdstip van de diefstal van de in feit 4 van zaak A genoemde vrachtwagen en van de in feit 3 van zaak A genoemde [verdachte] is naar het oordeel van het hof - bezien in het licht van zijn deelname aan en bijdrage in de overval op Schiphol - aan te merken als medepleger van die diefstallen.

Gelet op bedoelde verklaringen vormde de brandstichting in de vrachtwagencombinatie eveneens onderdeel van het hierboven genoemde plan van uitvoering van de overval, waarbij het kennelijk de bedoeling is geweest sporen van die overval uit t[verdachte] is - wederom bezien in het licht van zijn deelname aan en bijdrage in de overval op Schiphol - medepleger van die brandstichting, ten laste gelegd als feit 5 van zaak A.

Het in zaak A onder 6 subsidiair en 7 subsidiair ten laste gelegde

Uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen, waaronder met name het proces-verbaal van aangifte door [aangever 1], het proces-verbaal van aangifte door [aangever 2], de door de getuigen [getuige 3], [getuige 4], [getuige 1], [getuige 2] en

[getuige 5] afgelegde verklaringen en het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot fotoconfrontatie met [getuige 1] en [getuige 2], volgt dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het in zaak A onder 6 subsidiair en 7 subsidiair ten laste gelegde.

Het hof deelt niet het namens de verdachte ingenomen standpunt dat herkenning van de verdachte door [getuige 1] en [getuige 2] niet mogelijk kan zijn geweest omdat zij de persoon die zij hebben herkend als de verdachte slechts in een flits hebben gezien, dan wel nauwelijks contact met die persoon hebben gehad.

Zoals hiervoor reeds overwogen, weegt het hof in dit verband mee dat van beïnvloeding van elkaar - over en weer - door deze getuigen niet is gebleken.

Gelet op de omstandigheid dat - blijkens het proces-verbaal van bevindingen van 1 juni 2005, opgemaakt door de verbalisant [verbalisant 4] - het portierslot van de desbetreffende vrachtwagen was geforceerd en het contactslot van die vrachtwagen was doorverbonden, bezien in combinatie met de bijzondere lading op de oplegger, te weten een kermisattractie (reuzenrad), acht het hof bewezen dat de verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.

Het in zaak A onder 8 primair ten laste gelegde

Uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen, waaronder met name het proces-verbaal van aangifte door [aangever 3] en de verklaring van [medeverdachte 4] van 9 november 2005, volgt dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het in zaak A onder 8 primair ten laste gelegde. De verklaring van [medeverdachte 4] wordt zowel ondersteund door de verklaring van [medeverdachte 2], op 17 oktober 2007 afgelegd bij de rechter-commissaris in de rechtbank Zwolle-Lelystad, als door het proces-verbaal van tachograafschijfonderzoek van 29 september 2005, opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6].

Het in zaak A onder 9 primair ten laste gelegde

Uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen, waaronder met name het proces-verbaal van aangifte door [aangever 4] en de verklaring van [medeverdachte 4] van 9 november 2005, volgt dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het in zaak A onder 9 primair ten laste gelegde.

De verklaring van [medeverdachte 4] wordt zowel ondersteund door de verklaring van [medeverdachte 2], op 17 oktober 2007 afgelegd bij de rechter-commissaris in de rechtbank Zwolle-Lelystad, als door de verklaringen van [medeverdachte 1] van 14 oktober 2005, afgelegd bij de politie, en 13 juli 2006 afgelegd bij de rechter-commissaris in de rechtbank Zwolle-Lelystad.

Het in zaak A onder 10 primair ten laste gelegde

Uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen, waaronder met name het proces-verbaal van aangifte door [aangever 5] en de verklaring van [medeverdachte 4] van 9 november 2005, volgt dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het in zaak A onder 10 primair ten laste gelegde. De verklaring van [medeverdachte 4] wordt ondersteund door de verklaring van [medeverdachte 2], op 17 oktober 2007 afgelegd bij de rechter-commissaris in de rechtbank Zwolle-Lelystad.

Het in zaak A onder 11 primair ten laste gelegde

Uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen, waaronder met name het proces-verbaal van aangifte door [aangever 6] en de verklaring van [medeverdachte 4] van 9 november 2005, volgt dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het in zaak A onder 11 primair ten laste gelegde. De verklaring van [medeverdachte 4] wordt zowel ondersteund door de verklaring van [medeverdachte 2], op 17 oktober 2007 afgelegd bij de rechter-commissaris in de rechtbank Zwolle-Lelystad, als door het proces-verbaal van analyse van printgegevens van 26 juli 2006, opgemaakt door [verbalisant 7].

Het in zaak A onder 12 ten laste gelegde

Uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen, waaronder met name het proces-verbaal van aangifte door [aangever 7] en de door [getuige 6] en [getuige 7] afgelegde verklaringen, volgt dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het in zaak A onder 12 ten laste gelegde. Gelet op de omstandigheid dat het hierbij om een enorme hoeveelheid drogisterij-artikelen ging van het huismerk van Het Kruidvat, acht het hof bewezen dat de verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.

Het in zaak A onder 13 en 14 primair ten laste gelegde

Uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen, waaronder met name het proces-verbaal van aangifte door [aangever 8] (betreffende feit 13), het proces-verbaal van aangifte door [benadeelde 5] (betreffende feit 14 primair) en de verklaring van [medeverdachte 4] van 10 november 2005, volgt dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het in zaak A onder 13 en 14 primair ten laste gelegde. De verklaring van [medeverdachte 4] wordt zowel ondersteund door de verklaring van [medeverdachte 2], op 17 oktober 2007 afgelegd bij de rechter-commissaris in de rechtbank Zwolle-Lelystad, als door het proces-verbaal van analyse van printgegevens van 26 juli 2006, opgemaakt door [verbalisant 7].

Het in zaak A onder 1 ten laste gelegde

Uit hetgeen hierboven met betrekking tot de in zaak A ten laste gelegde feiten is weergegeven in de bewijsoverweging, alsmede uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen, waaronder met name de verklaringen van [medeverdachte 4] van 9 november 2005 en 16 november 2005, volgt dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het in zaak A onder 1 ten laste gelegde. De verklaringen van [medeverdachte 4] worden zowel ondersteund door de verklaring van [medeverdachte 2], op 17 oktober 2007 afgelegd bij de rechter-commissaris in de rechtbank Zwolle-Lelystad, als door het proces-verbaal met betrekking tot telefooncontacten van verdachten in het Ivoor-onderzoek van 3 februari 2006, opgemaakt door [verbalisant 8].

Binnen de criminele organisatie was sprake van een onderlinge taakverdeling, vaste opslagplaatsen voor de buitgemaakte voorwerpen en contacten met afnemers van gestolen voorwerpen. De verdachte fungeerde als chauffeur van de weggenomen vrachtwagens en opleggers, die vervolgens werden gebruikt om gestolen voorwerpen mee te vervoeren. [medeverdachte 2] fungeerde als kraker van de weggenomen vrachtwagens.

Het in zaak B ten laste gelegde

Uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen, te weten het proces-verbaal van aangifte door [benadeelde 6] en de medische verklaring van de tandarts [tandarts], volgt dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het in zaak B ten laste gelegde. Deze bewijsmiddelen worden ondersteund door de verklaring van [verdachte], afgelegd ter terechtzitting van het hof van 29 oktober 2007, voor zover inhoudende dat hij, [verdachte], op 20 maart 2005 te [plaats 10] aangever [benadeelde 6] heeft ontmoet tijdens het uitlaten van zijn honden en dat er toen sprake was van een incident tussen [benadeelde 6] en hem.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte als voormeld in zaak A onder 1, 2 subsidiair, 3 primair, 4 primair, 5, 6 subsidiair, 7 subsidiair, 8 primair, 9 primair, 10 primair, 11 primair, 12, 13, 14 primair en 15, alsmede in zaak B is ten laste gelegd, met dien verstande dat:

zaak A -

1.

hij op tijdstippen in de periode van 9 januari 2005 tot en met 20 september 2005 te [plaats 4] en elders in Nederland tezamen en in vereniging met anderen heeft deelgenomen aan een organisatie bestaande uit een samenwerkingsverband van hem, verdachte, en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het (mede)plegen van diefstallen door middel van braak en heling (als bedoeld in artikel 416 van het Wetboek van Strafrecht) en schuldheling (als bedoeld in artikel 417bis van het Wetboek van Strafrecht);

2 subsidiair.

hij op 19 september 2005 te Schiphol tezamen en in vereniging met anderen, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd (namelijk tussen 00.00 en 03.15 uur), met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld, één persoon, [benadeelde 1] of [benadeelde 2], heeft gedwongen tot de afgifte van boxpallets inhoudende een hoeveelheid (18.370) mobiele telefoons (merk Sony Ericsson), toebehorende aan expeditiebedrijf [slachtoffer 1], welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk dreigend een vuurwapen heeft gericht op die [benadeelde 1] of [benadeelde 2] of een vuurwapen tegen het hoofd en de nek van die [benadeelde 2] heeft gedrukt en/of opzettelijk dreigend die [benadeelde 2] naar de grond heeft getrokken en/of opzettelijk dreigend die [benadeelde 2] met geschoeide voet heeft geschopt tegen de linkerschouder en het linkerbeen van die op de grond liggende [benadeelde 2] en/of opzettelijk dreigend die [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] heeft geslagen en/of gestompt en/of opzettelijk dreigend op die op de grond liggende [benadeelde 2] is gaan zitten en/of opzettelijk dreigend de armen van die [benadeelde 2] op de rug heeft geboeid met tie-ribs en/of opzettelijk dreigend het lichaam (van de schouders tot aan het middel) van die op de grond liggende [benadeelde 2] in/met plakband heeft gerold/omwikkeld en/of het lichaam van die [benadeelde 1] in/met plakband heeft gerold/omwikkeld en/of opzettelijk dreigend [benadeelde 2]'s benen heeft opgetrokken en/of vervolgens [benadeelde 2]'s benen in/met plakband heeft gerold/omwikkeld en/of vervolgens [benadeelde 2]'s benen met plakband aan diens rug heeft vastgeplakt/vastgemaakt en/of opzettelijk dreigend de mond van die op de grond liggende [benadeelde 2] met plakband heeft afgeplakt/dichtgeplakt en/of opzettelijk dreigend tegen die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] heeft gezegd: "Als de politie nu komt, schiet ik je dood" en "Als je niet doet wat wij zeggen, schieten wij jouw collega dood en daarna jou" en "Dit is een overval. Ga liggen, ga liggen, meewerken anders schiet ik je dood" en "Als je liegt, maak ik je dood" en "We hebben jullie namen, ik weet waar jullie wonen en werken. Als jullie hiermee naar de politie gaan wachten we jullie op";

3 primair.

hij in de periode van 17 september 2005 tot en met 19 september 2005 te Schiphol tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening van een parkeerterrein aan de [straat a] heeft weggenomen een oplegger (merk Kromhout, kenteken [kenteken 1]), toebehorende aan [slachtoffer 4].

4 primair.

hij in de periode van 17 september 2005 tot en met 19 september 2005 te Eerbeek tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening van een bedrijfsterrein aan de [adres a] heeft weggenomen een vrachtwagen/trekker (merk Volvo, kenteken [kenteken 2]), toebehorende aan [slachtoffer 2], waarbij verdachte en zijn mededaders het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;

5.

hij op 19 september 2005 te [plaats 3] tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk brand heeft gesticht in een vrachtwagen/trekker (merk Volvo, kenteken [kenteken 2]), immers heeft verdachte en/of een of meer van zijn mededaders toen aldaar opzettelijk vuur in aanraking gebracht met het interieur/de cabine van bovengenoemde vrachtwagen/trekker en/of de in de vrachtwagen/trekker aanwezige goederen, ten gevolge waarvan die vrachtwagen/trekker en/of het interieur/de cabine van die vrachtwagen/trekker en/of de in de vrachtwagen/trekker aanwezige goederen geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was;

6 subsidiair.

hij in de periode van 19 mei 2005 tot en met 27 mei 2005 in de gemeente [gemeente a] tezamen en in vereniging met een ander een vrachtwagen/trekker (merk Pegaso, kenteken [kenteken 3]) en een oplegger (merk Varmo, kenteken [kenteken 4]) en de lading van bovengenoemde oplegger (een gedeelte van een kermis-attractie) voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededader ten tijde van het voorhanden krijgen van die goederen redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;

7 subsidiair.

hij in de periode van 21 mei 2005 tot en met 26 mei 2005 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander een oplegger (merk Netam-Fruehauf, kenteken [kenteken 5]) en de lading van bovengenoemde oplegger (een grote hoeveelheid (ruim 16 ton) roestvrij staal en lampen en speelgoed en kleding en vrachtwagenonderdelen) voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededader ten tijde van het voorhanden krijgen van die goederen redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;

8 primair.

hij op 13 augustus 2005 te [plaats 5] tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening van een bedrijfsterrein aan de [adres b] heeft weggenomen een vrachtauto (merk Volvo, kenteken [kenteken 6]) en de lading van bovengenoemde vrachtauto (een bromfiets en snorfietsen, merk [benadeelde 3]), toebehorende aan [benadeelde 3], waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;

9 primair.

hij op 14 augustus 2005 te [plaats 6] tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een bedrijfspand aan de [adres c] heeft weggenomen pallets (ongeveer 80) met een hoeveelheid decoratieve en/of huishoudelijke en/of geschenk goederen/artikelen, toebehorende aan [slachtoffer 5], waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak;

10 primair.

hij in de periode van 20 augustus 2005 tot en met 22 augustus 2005 te [plaats 7] tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening van een bedrijfsterrein aan de [adres d] heeft weggenomen een vrachtwagen (merk MAN, kenteken [kenteken 7]), toebehorende aan [slachtoffer 6], waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;

11 primair.

hij op 22 augustus 2005 te [plaats 8] tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een garagebox heeft weggenomen 21 stuks witgoed bestaande uit wasmachines, koel- en diepvrieskasten, vaatwassers en wasdrogers, toebehorende aan [benadeelde 4], waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak;

12.

hij in de periode van 9 januari 2005 tot en met 20 september 2005 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander een grote hoeveelheid Kruidvatartikelen voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, terwijl hij en zijn mededader ten tijde van het voorhanden krijgen van die goederen redelijkerwijs hadden moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;

13.

hij op 13 augustus 2005 te [plaats 9], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een bedrijfspand aan de [adres e] weg te nemen een heftruck (kleur rood, merk Linde) en een betonpompauto (met kenteken [kenteken 8]), toebehorende aan [slachtoffer 6] en zich daarbij de toegang tot het bedrijfspand/bedrijfsterrein te verschaffen en die weg te nemen heftruck en/of betonpompauto onder hun bereik te brengen door middel van braak met zijn mededaders het bedrijfsterrein heeft betreden en een raam van het bedrijfspand heeft ingeslagen en een toegangsdeur naar het magazijn heeft geforceerd en een schuifdeur van het bedrijfspand heeft geopend en/of heeft getracht een betonpompauto te starten en een heftruck heeft gestart en heeft geprobeerd deze heftruck op een aanhanger te rijden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

14 primair.

hij in de periode van 12 augustus 2005 tot en met 13 augustus 2005 te [plaats 8] tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een vrachtauto (merk Mitsubishi, kenteken [kenteken 9]) en een aanhanger (merk Hotrarijs, kenteken [kenteken 10]), toebehorende aan [benadeelde 5], waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;

15.

hij op 20 september 2005 te [plaats 10] een wapen van categorie III, te weten een pistool (merk Hege, type AP 66, kaliber 7.65 mm) en munitie van categorie III, te weten drie volmantelpatronen (kaliber 7.65 mm) voorhanden heeft gehad;

zaak B -

hij op 20 maart 2005 te [plaats 10] opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [benadeelde 6]) in het gezicht heeft gestompt, tengevolge waarvan deze lichamelijk letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte als voormeld in zaak A onder 1, 2 subsidiair, 3 primair, 4 primair, 5, 6 subsidiair, 7 subsidiair, 8 primair, 9 primair, 10 primair, 11 primair, 12, 13, 14 primair en 15, alsmede het in zaak B meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

zaak A:

feit 1 -

het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

feit 2 subsidiair -

medeplegen van afpersing;

feit 3 primair -

diefstal door twee of meer verenigde personen;

feit 4 primair -

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

feit 5 -

medeplegen van opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

feit 6 subsidiair -

medeplegen van schuldheling;

feit 7 subsidiair -

medeplegen van schuldheling;

feit 8 primair -

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

feit 9 primair -

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak;

feit 10 primair -

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

feit 11 primair -

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak;

feit 12 -

medeplegen van schuldheling;

feit 13 -

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

feit 14 primair -

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

feit 15 -

handelen in strijd met artikel 26 eerste lid van de Wet wapens en munitie;

zaak B:

mishandeling.

Strafbaarheid

Het hof acht de verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Bij het bepalen van de in hoger beroep op te leggen straf heeft het hof gelet op de aard en de ernst van de strafbare feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich in een periode van ongeveer acht maanden schuldig gemaakt aan meerdere vermogensdelicten, namelijk afpersing, meerdere diefstallen en schuldheling. De verdachte vormde hiertoe met zijn mededaders een georganiseerd verband waarin men zich schuldig maakte aan genoemde delicten.

De verdachte en zijn mededaders hebben puur gehandeld uit een oogpunt van financieel gewin. Daarnaast hebben zij met hun handelen hinder, overlast en financiële schade toegebracht aan de gedupeerden. Met name de overval op Schiphol, waarbij ruim 18.000 mobiele telefoons, ter waarde van in totaal € 2.700.000,- zijn buitgemaakt, vormt daarbij in het geheel van de bewezen verklaarde feiten een in het oog springend delict.

De organisatie was op professionele wijze ingericht, in die zin dat sprake was van een onderlinge taakverdeling, vaste opslagplaatsen voor de buitgemaakte voorwerpen en contacten met afnemers van gestolen voorwerpen. De verdachte had als chauffeur van de weggenomen vrachtwagens en opleggers, die vervolgens werden gebruikt om gestolen voorwerpen mee te vervoeren, een onmisbaar en prominent aandeel in de organisatie en heeft daarmee in aanzienlijke mate bijgedragen aan het resultaat van die organisatie.

De verdachte heeft tevens een vuurwapen en munitie voorhanden gehad.

Het ongecontroleerde bezit van wapens kan in zijn algemeenheid een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich meebrengen en een gevoel van onveiligheid in de maatschappij veroorzaken. Door te handelen als hij heeft gedaan heeft de verdachte daaraan bijgedragen.

De verdachte heeft zich tevens schuldig gemaakt aan brandstichting in de gestolen vrachtwagencombinatie die is gebruikt om de bij de overval op Schiphol buitgemaakte telefoons te vervoeren.

De verdachte heeft zich tot slot schuldig gemaakt aan mishandeling van [benadeelde 6], door deze in het gezicht te stompen. De verdachte heeft hiermee een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van die [benadeelde 6].

Het hof heeft bij de strafoplegging tevens rekening gehouden met het ad-informandum op de dagvaarding van zaak A gevoegde feit, welk feit de verdachte heeft bekend. Dit feit dient hiermee als afgedaan te worden beschouwd.

Het hof heeft bij de straftoemeting in aanmerking genomen dat de verdachte blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 27 mei 2008 reeds eerder is veroordeeld ter zake van strafbare feiten, waaronder opzetheling.

Dit heeft de verdachte er blijkbaar niet van mogen weerhouden zich wederom schuldig te maken aan strafbare feiten.

Voorts heeft het hof rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die naar voren komen in het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van 17 mei 2006, opgemaakt door Reclassering Nederland, en zoals die ter terechtzitting zijn gebleken.

Gelet op het vorenstaande, met name gelet op aantal en ernst van de bewezen verklaarde feiten, is het hof van oordeel dat een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en noodzakelijk is. Het hof zal - ondanks de omstandigheid dat het hof een drietal feiten in een minder zware vorm heeft bewezen verklaard dan de advocaat-generaal heeft gevorderd - een gevangenisstraf van eenzelfde duur opleggen als in eerste aanleg opgelegd en thans door de advocaat-generaal gevorderd.

Het hof komt tot deze beslissing omdat het hof dat een passende straf acht die recht doet aan aantal en ernst van de bewezen verklaarde feiten.

Vorderingen van de benadeelde partijen

[benadeelde 6]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 6] zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd ter zake van zaak B en dat de rechtbank heeft verzuimd een beslissing te nemen ten aanzien van deze vordering. De benadeelde partij [benadeelde 6] heeft zich in het geding in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van de in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep niet voort.

[benadeelde 1] en [benadeelde 2]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] zich in het geding in eerste aanleg hebben gevoegd ter zake van feit 2 van zaak A, dat de vorderingen van deze benadeelde partijen in eerste aanleg deels zijn toegewezen en voor het overige zijn afgewezen en dat deze benadeelde partijen zich binnen de grenzen van de eerste vorderingen in het geding in hoger beroep opnieuw hebben gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van de in eerste aanleg gedane vorderingen tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

Zoals hierboven is overwogen, acht het hof aannemelijk geworden dat ofwel [benadeelde 1], ofwel [benadeelde 2], ofwel een ander bij het expeditiebedrijf [slachtoffer 1] werkzame persoon betrokkenheid heeft gehad bij het feit waarop de vordering betrekking heeft (feit 2 van zaak A, de overval op Schiphol) en kan niet worden vastgesteld door wie van de drie die medewerking is verleend.

Naar het oordeel van het hof zijn de vorderingen van deze benadeelde partijen aldus niet op eenvoudige wijze vast te stellen, zodat zij zich niet lenen voor behandeling in het strafgeding. Gelet op het bepaalde in artikel 361, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, dienen deze benadeelde partijen in de vordering dan ook niet ontvankelijk te worden verklaard, met bepaling, dat de benadeelde partijen de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

Gelet op het vorenstaande dienen de benadeelde partijen, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

[benadeelde 3]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 3] zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd ter zake van feit 8 van zaak A, dat de vordering van deze benadeelde partij in eerste aanleg deels is toegewezen, dat deze benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is verklaard in de vordering en dat deze benadeelde partij zich binnen de grenzen van de eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van de in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

Blijkens de vordering van deze benadeelde partij heeft de vordering betrekking op het totaal van de weggenomen goederen. Uit het strafdossier blijkt echter dat een aantal van die goederen nadien door de politie is opgespoord en is teruggebracht naar deze benadeelde partij, zij het dat onduidelijk is welke goederen dit betreft en/of welke waarde deze goederen vertegenwoordigen.

Naar het oordeel van het hof is de vordering van deze benadeelde partij aldus niet op eenvoudige wijze vast te stellen, zodat zij zich niet leent voor behandeling in het strafgeding. Gelet op het bepaalde in artikel 361, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, dient deze benadeelde partij in de vordering dan ook niet ontvankelijk te worden verklaard, met bepaling, dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Gelet op het vorenstaande dient de benadeelde partij, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

[benadeelde 4]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 4] zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd ter zake van feit 11 van zaak A, dat deze benadeelde partij in eerste aanleg niet-ontvankelijk is verklaard in de vordering en dat deze benadeelde partij zich binnen de grenzen van de eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van de in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

Naar het oordeel van het hof is niet gebleken dat [naam], zijnde degene die de vordering heeft ingediend, bevoegd is die vordering namens de benadeelde partij in te dienen, nu een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken hier ontbreekt. Derhalve dient deze benadeelde partij in de vordering niet ontvankelijk te worden verklaard, met bepaling, dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Gelet op het vorenstaande dient de benadeelde partij, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

[benadeelde 5]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 5] zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd ter zake van feit 14 van zaak A, dat deze benadeelde partij in eerste aanleg niet-ontvankelijk is verklaard in de vordering en dat deze benadeelde partij zich binnen de grenzen van de eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van de in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

Naar het oordeel van het hof is de vordering van deze benadeelde partij - welke vordering door de verdachte is betwist - onvoldoende onderbouwd en aldus niet op eenvoudige wijze vast te stellen, zodat zij zich niet leent voor behandeling in het strafgeding. Gelet op het bepaalde in artikel 361, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, dient deze benadeelde partij in de vordering dan ook niet ontvankelijk te worden verklaard, met bepaling, dat deze benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Gelet op het vorenstaande dient de benadeelde partij, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

In beslag genomen voorwerpen

De advocaat-generaal heeft een lijst van in beslag genomen voorwerpen van 27 juli 2006 samengesteld, welke lijst is aangehecht aan dit arrest. De op die lijst genoemde voorwerpen zijn genummerd. In de door het hof met betrekking tot de in beslag genomen voorwerpen hieronder te nemen beslissingen zal worden verwezen naar die nummering.

Het hof stelt voorop dat het hof met betrekking tot een aanzienlijk aantal in beslag genomen voorwerpen niet in staat is een beslissing te nemen. De door de advocaat-generaal opgestelde lijst van in beslag genomen voorwerpen, bezien in combinatie met de vordering van de advocaat-generaal met betrekking tot de in beslag genomen voorwerpen, geeft geen, dan wel onvoldoende inzicht in de status van een aantal van die in beslag genomen voorwerpen, onder meer nu op die lijst een groot aantal voorwerpen is opgenomen waarvan zonder meer duidelijk is dat die voorwerpen niet onder de verdachte in beslag genomen zijn. Gelet op deze onvolkomenheden in de door de advocaat-generaal opgestelde lijst, zal het hof hieronder alleen een beslissing nemen met betrekking tot de in beslag genomen voorwerpen waaromtrent geen onduidelijkheid bestaat.

Verbeurdverklaring

De door het hof verbeurd te verklaren geldbedragen, de voorwerpen genummerd 46 en 49, zijn daarvoor vatbaar. Immers, die geldbedragen zijn geheel of grotendeels door middel van het hiervoor in zaak A onder 1 bewezen verklaarde feit verkregen, terwijl uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken, dat die geldbedragen toebehoren aan de verdachte. Het hof heeft daarbij gelet op de draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken.

Onttrekking aan het verkeer

Het hof is van oordeel dat de in beslag genomen voorwerpen, genummerd 40 en 47dienen te worden onttrokken aan het verkeer, omdat het voorwerpen (pistool en patronen) betreft met betrekking tot welke het in zaak A onder 15 bewezen verklaarde feit is begaan en die voorwerpen van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 47, 57, 140, 157 (oud), 300, 310, 311, 312, 317 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 (oud) 55 (oud) van de Wet wapens en munitie.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waartegen het beroep is gericht, en opnieuw recht doende:

verklaart het aan de verdachte in zaak A onder 2 primair, 6 primair en 7 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het aan de verdachte in zaak A onder 1, 2 subsidiair, 3 primair, 4 primair, 5, 6 subsidiair, 7 subsidiair, 8 primair, 9 primair, 10 primair, 11 primair, 12, 13, 14 primair en 15, alsmede het in zaak B ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en de verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte als hiervoor vermeld in zaak A onder 1, 2 subsidiair, 3 primair, 4 primair, 5, 6 subsidiair, 7 subsidiair, 8 primair, 9 primair, 10 primair, 11 primair, 12, 13, 14 primair en 15 en in zaak B meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt [verdachte] tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

verklaart verbeurd:

de voorwerpen genummerd 46 en 49;

verklaart aan het verkeer onttrokken:

de voorwerpen genummerd 40 en 47;

verklaart de benadeelde partijen [benadeelde 1], [benadeelde 2], [benadeelde 3], [benadeelde 4] en [benadeelde 5] niet-ontvankelijk in de vorderingen;

bepaalt dat de benadeelde partijen de vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partijen [benadeelde 1], [benadeelde 2], [benadeelde 3], [benadeelde 4] en [benadeelde 5] in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. H.J. Deuring, voorzitter, mr. P.W.J. Sekeris en mr. J.A. Wiarda, in tegenwoordigheid van H. Kingma als griffier.

Mr. Wiarda is buiten staat dit arrest te ondertekenen.