Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BD6298

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
01-07-2008
Datum publicatie
08-07-2008
Zaaknummer
Zaaknummer 107.001.909/01 (voorheen rolnummer 0700428)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uit diverse in het geding gebrachte producties blijkt dat Countus onvolkomenheden/onduidelijkheden in de administratie van [appellant ] had gesignaleerd en aan [appellant ] heeft doorgegeven. Zo blijkt uit een ter gelegenheid van het getuigenverhoor van 21 september 2006 door [betrokkene 3 ] overhandigd e-mailbericht van 19 maart 2004 van [betrokkene 3 ] aan [appellant ], dat door [betrokkene 3 ] een aantal aktiepunten bij [appellant ] is neergelegd. Uit een in de eerste aanleg bij conclusie na enquête door Countus in het geding gebracht e-mailbericht van 27 mei 2004 blijkt dat Countus nog steeds een aantal vragen had. Naar het oordeel van het hof volgt uit het voorgaande echter nog niet dat Countus [appellant ] er op heeft gewezen dat het niveau van aanlevering nog steeds lager was dan in de offerte verondersteld en dat daarom voor het opstellen van de jaarrekening aanzienlijk meer gefactureerd zou worden dan in de offerte geraamd. Het signaleren (en doorgeven) van onvolkomenheden/onduidelijkheden en het stellen van vragen, als ook het ter beschikking stellen van checklisten - werkzaamheden die inherent aan accountantswerkzaamheden lijken te zijn - is daartoe onvoldoende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 1 juli 2008

Zaaknummer 107.001.909/01 (voorheen rolnummer 0700428)

HET GERECHTSHOF TE ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Arrest van de derde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[naam 1 ] Handelsonderneming B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde en opposante,

hierna te noemen: [appellant ],

procureur: mr. L. Paulus,

tegen

Countus Accountants & Adviseurs B.V.,

gevestigd te Zwolle,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres en geopposeerde,

hierna te noemen: Countus,

procureur: mr. P.M. Wilmink.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis, uitgesproken op 19 april 2006, het mondelinge vonnis, uitgesproken op 12 juni 2006, zoals neergelegd in het proces-verbaal van comparitie van partijen van 12 juni 2006, alsmede het vonnis uitgesproken op 21 maart 2007 door de rechtbank Zwolle-Lelystad.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 20 juni 2007 is door [appellant ] hoger beroep ingesteld van het verstekvonnis in de zaak onder zaak-/rolnummer 116836 / HA ZA 06-128 van 15 februari 2006 en van genoemde vonnissen van 19 april 2006 en 21 maart 2007 met dagvaarding van Countus tegen de zitting van 27 november 2007.

De conclusie van de appeldagvaarding luidt:

"dat het Gerechtshof moge behage te vernietigen het vonnis onder zaak-/rolnummer 116836 / HA ZA 06-128 van 15 februari 2006 en de vonnissen onder zaak-/rolnummer 119013 / HA ZA 06-425 van 19 april 2006 en 21 maart 2007 door de Rechtbank te Zwolle-Lelystad tussen partijen gewezen en, opnieuw rechtdoende, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. geïntimeerde niet ontvankelijk te verklaren in haar vordering en/of althans de vordering van geïntimeerde alsnog af te wijzen;

2. geïntimeerde te veroordelen om al hetgeen appellante ter uitvoering van het bestreden vonnis aan geïntimeerde heeft voldaan aan appellante terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling;

3. geïntimeerde te veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties."

Bij anticipatie-exploot van 3 juli 2007 heeft Countus de zaak bij vervroeging op de rol van 17 juli 2007 aangebracht.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"het vonnis van de Rechtbank te vernietigen en de vordering van geïntimeerde af te wijzen alsmede te beslissen overeenkomstig de eis in de appeldagvaarding. Een en ander, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad."

Bij memorie van antwoord is door Countus verweer gevoerd met als conclusie:

"dat het ingestelde beroep wordt verworpen en dat [appellant ] wordt veroordeeld in de kosten van deze procedure."

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant ] heeft vier grieven opgeworpen.

De beoordeling

Ontvankelijkheid

1. [appellant ] heeft onder meer hoger beroep ingesteld van het verstekvonnis in de zaak met zaak-/rolnummer 116836 / HA ZA 06-128 van 15 februari 2006. [appellant ] zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in haar hoger beroep omdat aan haar uitsluitend het recht op verzet toekomt, van welk recht zij overigens ook gebruik heeft gemaakt.

2. De grieven richten zich niet tegen het vonnis van 19 april 2006, zodat [appellant ] tevens niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar hoger beroep voor zover dat is gericht tegen het vonnis van 19 april 2006.

De omvang van het appel

3. Behoudens de hiervoor genoemde vonnissen ten aanzien waarvan [appellant ] niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar hoger beroep, is het hoger beroep volgens de conclusie van de appeldagvaarding en die van de memorie van grieven slechts ingesteld tegen het eindvonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 21 maart 2007. Gelet op de inhoud van de memorie van grieven, waarin in de grieven I tot en met III wordt opgekomen tegen de inhoud van het mondelinge vonnis, uitgesproken op 12 juni 2006, zoals neergelegd in het proces-verbaal van comparitie van partijen van 12 juni 2006, moet het appel geacht worden ook tegen dat tussenvonnis te zijn gericht. Volgens vaste jurisprudentie (zoals: HR 22-10-1993, NJ 1994, 509) heeft de appellant die in zijn appeldagvaarding niet tevens de vernietiging heeft gevorderd van de aan het beroepen vonnis voorafgaande tussenvonnissen, in het algemeen de vrijheid om niettemin bij de nadere omlijning van zijn hoger beroep in zijn memorie van grieven ook grieven te richten tegen beslissingen in die voorafgaande tussenvonnissen, indien deze nog niet in een eerder appel door hem zijn bestreden en voor zover zij niet, doordat daarin aan enig deel van het gevorderde door een uitdrukkelijk dictum een einde is gemaakt, tevens een eindvonnis zijn.

Met betrekking tot de feiten

4. Tussen partijen staan de volgende feiten vast als enerzijds gesteld en anderzijds onvoldoende weersproken.

4.1. [appellant ] is een handelsonderneming die zich bezighoudt met de handel in uien. Countus is een accountantskantoor dat zich bezighoudt met fiscale en administratieve dienstverlening.

4.2. Countus heeft op 30 augustus 2002 aan [appellant ] een offerte uitgebracht voor te verrichten accountantswerkzaamheden.

In deze offerte - hierna: de offerte - is onder meer het volgende vermeld:

"(…)

1.3. Administratieve ondersteuning

De administratie wordt in principe door u intern gevoerd. U heeft aangegeven dat, gezien de beperkte ervaring die op dit moment intern aanwezig is, regelmatig controle van de coderingen en inboeking in financiële administratie van belang is. (…)

3. Aanlevering van bescheiden en gegevens

Van een organisatie met een eigen financiële administratie verwachten wij dat bepaalde werkzaamheden intern zullen worden verricht. Een opsomming van deze werkzaamheden hebben wij onderstaand toegevoegd. U draagt zorg voor de aanlevering van de voor het samenstellen van de jaarrekening(en) en eventuele tussentijdse overzichten benodigde bescheiden en gegevens. De kwaliteit van de door u gevoerde financiële administratie en de te verstrekken aanvullende gegevens dient hierbij te voldoen aan de hieraan redelijkerwijs te stellen eisen.

Wij gaan er van uit dat uw organisatie o.a. de volgende werkzaamheden verricht voor de financiële administratie:

? Het overzichtelijk en systematisch bijhouden, verzamelen en ordenen van de bescheiden en gegevens welke ten grondslag liggen aan de financiële administratie:

? Het behandelen van de ingekomen facturen, akkoordverklaringen en betalingen;

? Het bijwerken van de orderadministratie, factureren en aanmanen van debiteuren;

? Het bijwerken van de grootboek administratie met de tussenrekeningen en tevens de rekening-courant overzichten inzake deelnemingen en directeur-grootaandeelhouder;

? De uitwerking van de financiële administratie t/m de kolommenbalans en het (intern) dossier met specificaties van de jaarrekeningposten vooruitlopend op de rapportage / presentatie van het (concept) rapport inzake de jaarrekening;

? Het voorbereiden van de periodieke aangiften Omzetbelasting / IC-leveringen etc.;

? Het verzorgen van de periodieke aangiften Omzetbelasting / IC-leveringen voor de buitenlandse verkoopkantoren door uw huidige (derde) administratiekantoor

? Het verzorgen van de loonadministratie en het verzorgen van de aangiften loonbelasting met bijbehorende overzichten door uw administratiekantoor.

(…)

7. Kostenraming honorarium en facturering

De hoogte van ons honorarium wordt in principe gebaseerd op een tijdsbeslag van de opdracht, alsmede eventueel direct aan de opdracht toe te rekenen directe kosten. De daarbij gehanteerde tarieven variëren op basis van de deskundigheid en verantwoordelijkheid van de betrokken medewerkers.

De vergoeding op jaarbasis voor onze werkzaamheden (excl. bijkomende advieswerkzaamheden) ramen wij als volgt:

Samenstellen/beoordelen jaarrekening [appellant ] Holding B.V. € 1.750

Samenstellen/beoordelen jaarrekening [appellant ] Handelsondern.B.V. € 4.250

Opstellen aangifte VPB [appellant ] Holding B.V. € 250

Opstellen aangifte VpB [appellant ] Handelsonderneming BV € 250

Opstellen publicatiebalans Handelsregister en notulen AvA (2x) € 250

Opstellen consolidatiestaten € pm

Opstellen tussentijdse (halfjaar)overzichten € pm

---------

Totaal jaarlijks terugkerende werkzaamheden € 6.750

(…)

Kwartaalcontrole administratie en opstellen aangiften AB/IC € 2.350

(begroot op: 16 uur Accountant en 16 uur Assistent)

Alle genoemde prijzen zijn exclusief omzetbelasting. De prijsopgave is gebaseerd op een schatting van de kosten voor het boekjaar 2002 naar het huidige prijspeil. Na deze periode zullen wij de genoemde bedragen aanpassen met de periodieke, inflatoire prijsaanpassingen. Indien de werkelijke kosten op basis van onze urenbesteding lager zijn dan de genoemde bedragen zullen wij u de werkelijke kosten in rekening brengen. In geval de kosten hoger uitvallen, zullen wij met u nagaan in hoeverre de oorzaken van de overschrijdingen kunnen worden weggenomen.

(…)

De kans bestaat dat de accountantskosten voor het eerste jaar hoger zullen zijn dan de jaren opvolgend. Dit wordt veroorzaakt door het feit dat het eerste jaar met name dient te worden gebruikt om de administratie en financiële rapportages af te stemmen op de informatiebehoefte van u als management. Daarna kunnen naar onze verwachting, als gevolg van verbeteringen in de administratieve organisatie, de accountantskosten worden teruggebracht. Uiteraard is dit afhankelijk van de juiste verwerking van de grootboekadministratie door uw administratieve medewerker(s).

Werkzaamheden die niet in deze offerte zijn opgenomen en die in overleg met u worden uitgevoerd zullen tegen het voor de uitvoerende medewerker geldende uurtarief aan u in rekening worden gebracht.

(…)

4.3. Partijen hebben nadien een overeenkomst gesloten conform de offerte van 30 augustus 2002, welke overeenkomst bij brief van 11 september 2002 door Countus aan [appellant ] is bevestigd.

4.4. Ten aanzien van het boekjaar 2002 zijn door Countus hogere bedragen bij [appellant ] in rekening gebracht dan de in de offerte genoemde bedragen. Nadat hierover overleg tussen partijen had plaatsgevonden, heeft [appellant ] de door Countus in rekening gebrachte bedragen voldaan.

4.5. Countus heeft [appellant ] een factuur van 17 januari 2005 gezonden ter hoogte van € 10.217,34 betreffende werkzaamheden voor het boekjaar 2003, loonadministratie 2004 en advieswerkzaamheden 2004.

4.6. Naar aanleiding van de factuur van 17 januari 2005 heeft er op 15 maart 2005 tussen partijen overleg plaatsgevonden.

4.7. Countus heeft [appellant ] een factuur van 28 april 2005 gezonden ter hoogte van € 2.239,58 betreffende werkzaamheden voor het boekjaar 2004.

4.8. Bij brief van 4 mei 2005 heeft [appellant ] aan Countus aangegeven dat "er geen basis is voor een verdere samenwerking". [appellant ] heeft Countus voorts verzocht om "de documentatie welke u van ons in het bezit heeft aan ons te retourneren".

4.9. Vanaf de maand juni 2005 heeft [appellant ] haar fiscale en administratieve werkzaamheden laten uitvoeren door [betrokkene 1 ], werkzaam bij [naam 1 ] Accountants.

4.10. Op 29 september 2005 heeft [appellant ] in mindering op de facturen van 17 januari 2005 en 28 april 2005 een bedrag van € 5.478,76 voldaan, welk bedrag betrekking heeft op buiten de offerte van 30 augustus 2002 vallende kosten van fiscaal advies.

De procedure in eerste aanleg

5. Countus heeft betaling gevorderd van de facturen van 17 januari 2005 en 28 april 2005, vermeerderd met rente en kosten en verminderd met het door [appellant ] op 29 september 2005 in mindering op deze facturen betaalde bedrag van € 5.478,76.

Bij verstekvonnis van 15 februari 2006 in de zaak onder zaak-/rolnummer 116836 / HAZA 06-128 is de vordering van Countus toegewezen, waarbij [appellant ] is veroordeeld in de kosten van het geding.

6. Nadat [appellant ] tegen het verstekvonnis verzet had aangetekend en een drietal verweren tegen de vordering van Countus had gevoerd, heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 19 april 2006 een comparitie van partijen gelast. Ter gelegenheid van deze comparitie van partijen is mondeling vonnis gewezen, zoals neergelegd in het proces-verbaal van comparitie van 12 juni 2006. De rechtbank heeft in genoemd mondelinge vonnis met betrekking tot het primaire verweer van [appellant ], Countus toegelaten te bewijzen dat deze [appellant ] in 2004 er op heeft gewezen dat het niveau van de aanlevering van de administratie nog steeds lager was dan in de offerte verondersteld en dat daarom voor het opstellen van de jaarrekening aanzienlijk meer gefactureerd zou worden dan in de offerte geraamd. Na bewijslevering heeft de rechtbank bij eindvonnis van 21 maart 2007 geoordeeld, dat Countus geslaagd is in de haar gegeven bewijsopdracht. Het verstekvonnis is vervolgens bekrachtigd, met veroordeling van [appellant ] in de kosten van de verzetprocedure.

Met betrekking tot de grieven

7. Het hof constateert, dat de grieven slechts betrekking hebben op de verwerping door de rechtbank van het primaire verweer van [appellant ]. Omdat geen - behoorlijk naar voren gebrachte - grief is gericht tegen de omstandigheid dat de rechtbank niet is ingegaan op het subsidiaire en het meer-subsidiaire verweer van [appellant ], is een beoordeling van deze verweren thans niet aan de orde.

8. Grief I richt zich ertegen, dat de rechtbank in het mondelinge vonnis, zoals neergelegd in het proces-verbaal van comparitie van 12 juni 2006 geen volledige en juiste opsomming en vermelding van de door partijen over en weer gestelde feiten heeft opgesomd.

8.1. Gelet op de omstandigheid dat het hof de feiten hiervoor onder 4 (4.1 tot en met 4.10) zelfstandig heeft vastgesteld voor zover deze voor de beoordeling van dit geschil in het bijzonder nog van belang zijn, heeft [appellant ] geen zelfstandig belang bij deze grief, zodat het hof hieraan voorbijgaat.

9. De grieven II en III richten zich tegen de inhoud van de door de rechtbank in voornoemd mondelinge vonnis gegeven bewijsopdracht, welke bewijsopdracht volgens [appellant ] geen stand kan houden.

10. Het hof zal eerst overgaan tot een beoordeling van grief III. In deze grief betoogt [appellant ], dat de bewijsopdracht geen stand kan houden omdat de enkele omstandigheid dat Countus [appellant ] er op zou hebben gewezen dat het niveau van aanlevering van de administratie nog steeds lager was dan in de offerte verondersteld, nog niet met zich brengt dat [appellant ] de hogere kosten zou hebben geaccepteerd.

10.1. Het hof constateert op grond van de toelichting op deze grief, alsmede gelet op hetgeen [appellant ] in eerste aanleg heeft aangevoerd, dat [appellant ] ervan uitgaat dat door Countus een vaste prijs is geoffreerd. Uit onderdeel 7 van de offerte blijkt echter duidelijk dat Countus slechts een kostenraming heeft gegeven. Uitdrukkelijk is in genoemd artikel immers onder meer vermeld: "De hoogte van ons honorarium wordt in principe gebaseerd op een tijdsbeslag van de opdracht, alsmede eventueel direct aan de opdracht toe te rekenen directe kosten. De daarbij gehanteerde tarieven variëren op basis van de deskundigheid en verantwoordelijkheid van de betrokken medewerkers. De vergoeding op jaarbasis voor onze werkzaamheden (excl. bijkomende advieswerkzaamheden) ramen wij als volgt: (…)."

Het hof is derhalve van oordeel dat [appellant ] ten onrechte stelt dat voor verschuldigdheid van de hogere dan in de offerte genoemde kosten nodig is dat deze door [appellant ] expliciet zijn geaccepteerd.

10.2. Grief III faalt.

11. Met grief II komt [appellant ] er tegen op dat de rechtbank bij de formulering van de bewijsopdracht aan Countus ten onrechte uitgaat van een verondersteld niveau van de aanlevering van de administratie. Volgens [appellant ] is door Countus nimmer aan haar duidelijk gemaakt wat het veronderstelde niveau inhoudt en welke parameters daarbij worden gehanteerd om het niveau vast te stellen.

11.1. Het hof zal grief II, gelet op hetgeen hierna bij de beoordeling van grief IV zal worden overwogen, wegens gebrek aan belang niet bespreken.

12. Het hof stelt voorop dat de rechtbank Countus op juiste gronden heeft belast met het bewijs van haar stelling. Vast staat immers dat Countus aanzienlijk meer heeft gefactureerd dan de door haar in de offerte genoemde bedragen. Weliswaar betrof deze offerte - zoals hiervoor sub 10.1 is overwogen - slechts een kostenraming, maar naar het oordeel van het hof mag Countus ook in dat geval geen aanzienlijk hogere bedragen in rekening brengen, behoudens het geval waarin zij - zoals Countus heeft gesteld en haar is opgedragen te bewijzen - [appellant ] er op heeft gewezen dat het niveau van aanlevering nog steeds lager was dan in de offerte verondersteld en dat daarom voor het opstellen van de jaarrekening aanzienlijk meer gefactureerd zou worden dan in de offerte geraamd.

13. Grief IV richt zich tegen de bewijswaardering, zoals de rechtbank dat in het eindvonnis van 21 maart 2007 heeft gegeven. De rechtbank heeft Countus geslaagd geacht in de haar gegeven bewijsopdracht dat zij [appellant ] in 2004 er op heeft gewezen, dat het niveau van aanlevering van de administratie nog steeds lager was dan in de offerte verondersteld en dat daarom voor het opstellen van de jaarrekening aanzienlijk meer gefactureerd zou worden dan in de offerte geraamd.

13.1. [betrokkene 2 ] - vestigingsdirecteur van en accountant bij Countus en aldus een getuige op wie de beperkingen van art. 164 lid 2 Rv van toepassing zijn - heeft omtrent een gesprek met zijn collega [betrokkene 3 ] en met [appellant ] in februari 2004 over de jaarrekening van 2002 onder meer verklaard:

"[betrokkene 3 ] legde uit waarom hij er zoveel werk aan had gehad. Hij zei dat hij veel extra werk had gehad, dat buiten de offerte viel. Hij zei ook dat het niveau van aanlevering niet conform de offerte was. Hij heeft globaal aangegeven wat binnen en wat buiten de offerte viel. Hij benoemde vooral wat de administratie van [appellant ] niet of op onvoldoende niveau had aangeleverd. Hij zei ook dat als zij als klant dat niveau niet zouden verbeteren, wij dat moesten herstellen. Dat zou dan meer tijd en hen dus ook meer geld kosten."

[betrokkene 2 ] heeft voorts verklaard dat hij nadien van [betrokkene 3 ] heeft gehoord dat het niveau van aanlevering nog niet voldeed aan het niveau dat in de offerte was omschreven. Ook van [betrokkene 4 ], een werknemer van Countus, heeft [betrokkene 2 ] volgens zijn verklaring gehoord dat het niveau bleef tegenvallen.

13.2. [betrokkene 3 ] heeft omtrent het door [betrokkene 2 ] bedoelde gesprek in februari 2004 onder meer het volgende verklaard:

"[betrokkene 4 ] had tevoren een lijst gemaakt met punten waar ze bij de administratie op moesten letten. (…) Wat betreft de jaarrekening van 2003 hebben we uitgebreid gesproken over wat we van hen verwachtten. Zo hebben we gesproken over de eisen die de offerte noemde over de aanlevering. Eén van ons, dus [betrokkene 2 ] of ik, heeft uitdrukkelijk gezegd dat als dat niet goed zou zijn wij daardoor meer uren zouden moeten maken en dus hoger zouden moeten factureren."

Voorts heeft [betrokkene 3 ] onder meer nog het volgende verklaard:

"In maart 2004 ben ik weer op het kantoor van [appellant ] en spreek met mevrouw [betrokkene 5 ]. Ik constateer veel verschillen en zie dat de administratie incompleet is. Dat vertel ik ook mevrouw [betrokkene 5 ] en vul die lijst van [betrokkene 4 ] met haar in. Diezelfde middag heb ik daarover een mail gestuurd naar [appellant ].(…)

Ook daarna hoorde ik van mijn collega dat er in de administratie van [appellant ] te veel verschillen bleven staan. Ik heb weer gemaild naar [appellant ] met een aantal vragen.

In juni 2004 heb ik met mevrouw [naam 1 ] gesproken over de verschillen met het oog op de jaarrekening 2003. (…) Mevrouw [naam 1 ] zei me in dat gesprek dat ze inzag dat er nog veel moest gebeuren en dat ze nog veel moest uitzoeken. Ik kan me nog herinneren dat ze haar man mailde dat [betrokkene 3 ], ik dus, er niets aan kon doen. (…)

In de zomer van 2004 ontstaat er steeds meer tijdsdruk omdat de jaarrekening af moest. Ik kreeg de gegevens opgestuurd. In juli heb ik weer gesproken met mevrouw [naam 1 ]. Toen bleek dat nog niet alle verschillen waren opgelost. Ik heb toen tegen haar gezegd dat ik het heel vervelend vond, maar dat ik er erg veel werk aan had gehad om de verschillen op te lossen, ook weer die toen in juli aan het licht kwamen. Ik heb haar gezegd dat ze moest begrijpen dat dat veel extra uren had gekost. Ze zei dat ze dat begreep. (…)

In oktober was ik weer bij [appellant ] en mevrouw [naam 1 ] vroeg mij of ik de conceptjaarrekening kon aanpassen. Ik zei haar dat dat dan weer extra werk zou opleveren en dat we al veel extra werk in de zomer hadden gedaan. (…)

In maart 2005, toen mevrouw [naam 1 ] aangaf dat ze de hoogte van de facturen niet snapte, zei ik haar dat ik haar toch had gezegd dat het meer uren zou gaan kosten. Dat heeft mevrouw [naam 1 ] toen ook toegegeven. Dat ik haar zo gewaarschuwd heb heeft ze ook erkend op 30 juni 2005 tijdens een gesprek waar ook de heer [betrokkene 2 ] bij was. Ik ben er van overtuigd dat de heer en mevrouw [naam 1 ] wisten dat ze meer moesten betalen dan het bedrag dat de offerte noemt."

13.3. Weliswaar volgt uit de verklaring van [betrokkene 2 ] dat [betrokkene 3 ] [appellant ] er in een gesprek in februari 2004 op heeft gewezen dat het niveau van aanlevering niet conform de offerte was, maar dit betrof de - thans niet aan de orde zijnde - jaarrekening 2002. De onderhavige bewijsopdracht behelst de vraag of [appellant ] er nadien - ten aanzien van de jaarrekening 2003 - nog op is gewezen dat het niveau van aanlevering nog steeds lager was dan in de offerte verondersteld en dat daarom voor het opstellen van de jaarrekening aanzienlijk meer gefactureerd zou worden dan in de offerte geraamd. Uit de verklaring van [betrokkene 2 ] volgt dit geenszins. Volgens [betrokkene 2 ] heeft [betrokkene 3 ] in het hiervoor bedoelde gesprek - kort samengevat - tegen [appellant ] gezegd dat als het niveau niet zou verbeteren, het [appellant ] meer geld zou kosten, maar dit betreft slechts een waarschuwing vooraf en geen waarschuwing op enig moment dat het niveau nog steeds lager was dan in de offerte verondersteld. Volgens [betrokkene 2 ] heeft hij wel op enig moment van [betrokkene 3 ] gehoord dat het niveau van aanlevering nog niet voldeed aan het niveau dat in de offerte was omschreven, maar uit zijn verklaring volgt niet, dat dit ook aan [appellant ] is gemeld.

13.4. Hetgeen [betrokkene 3 ] heeft verklaard omtrent het gesprek van februari 2004 betreft ten aanzien van de thans aan de orde zijnde jaarrekening 2003 eveneens slechts een waarschuwing vooraf. [betrokkene 3 ] heeft voorts verklaard omtrent gesprekken met [appellant ] in maart en juni 2004 en de naar aanleiding daarvan door hem aan [appellant ] gezonden e-mailberichten. Het hof constateert dat uit de verklaring van [betrokkene 3 ] slechts volgt dat hij [appellant ] heeft gewezen op diverse verschillen en een incomplete administratie, alsmede dat hij vragen had aan [appellant ]. Hieruit volgt echter nog niet dat hij [appellant ] er op gewezen heeft dat het niveau van aanlevering nog steeds lager was dan in de offerte verondersteld en dat daarom voor het opstellen van de jaarrekening aanzienlijk meer gefactureerd zou worden dan in de offerte geraamd. Uit hetgeen [betrokkene 3 ] omtrent de gesprekken in juli en oktober heeft verklaard - te weten dat hij er veel extra werk en extra kosten van had gehad - zou een waarschuwing zoals in de bewijsopdracht bedoeld kunnen worden afgeleid, zij het dat [betrokkene 3 ] niet expliciet heeft gezegd dat het niveau van aanlevering nog steeds lager was dan in de offerte verondersteld en dat daarom meer gefactureerd zou worden dan in de offerte geraamd. Bovendien is het de vraag of deze waarschuwing tijdig is geschied. Uit [betrokkene 3 ]s verklaring kan immers afgeleid worden dat de kosten toen al - geheel of gedeeltelijk - waren gemaakt.

13.5. Uit diverse in het geding gebrachte producties blijkt dat Countus onvolkomenheden/onduidelijkheden in de administratie van [appellant ] had gesignaleerd en aan [appellant ] heeft doorgegeven. Zo blijkt uit een ter gelegenheid van het getuigenverhoor van 21 september 2006 door [betrokkene 3 ] overhandigd e-mailbericht van 19 maart 2004 van [betrokkene 3 ] aan [appellant ], dat door [betrokkene 3 ] een aantal aktiepunten bij [appellant ] is neergelegd. Uit een in de eerste aanleg bij conclusie na enquête door Countus in het geding gebracht e-mailbericht van 27 mei 2004 blijkt dat Countus nog steeds een aantal vragen had. Naar het oordeel van het hof volgt uit het voorgaande echter nog niet dat Countus [appellant ] er op heeft gewezen dat het niveau van aanlevering nog steeds lager was dan in de offerte verondersteld en dat daarom voor het opstellen van de jaarrekening aanzienlijk meer gefactureerd zou worden dan in de offerte geraamd. Het signaleren (en doorgeven) van onvolkomenheden/onduidelijkheden en het stellen van vragen, als ook het ter beschikking stellen van checklisten - werkzaamheden die inherent aan accountantswerkzaamheden lijken te zijn - is daartoe onvoldoende.

13.6. [voorletters ] [naam 1 ] en [voorletters ] [naam 1 ]-[naam 2 ] hebben bovendien beiden verklaard, dat zij nooit zijn gewaarschuwd door Countus dat zij de administratie niet op orde hadden en dat zij nooit een signaal hebben gekregen dat de factuur - evenals ten aanzien van het boekjaar 2002 - hoger uit zou vallen dan geoffreerd en dat Countus juist heeft toegezegd dat de kosten na het eerste jaar binnen de afgesproken prijsopgave zouden blijven.

13.7. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat Countus niet geslaagd is in het opgedragen bewijs. Grief IV slaagt derhalve.

14. Het hof constateert dat de vordering van Countus in hoofdsom een bedrag van € 12.456,92 minus een bedrag van € 5.478,76 (te weten het bedrag dat reeds door [appellant ] is voldaan), te weten per saldo een bedrag van € 6.978,16 inclusief BTW beloopt. Uit een door [appellant ] ter gelegenheid van de in eerste aanleg gehouden comparitie van partijen van 12 juni 2006 in het geding gebracht overzicht volgt, dat volgens [appellant ] ter zake van de thans in het geding zijnde jaarrekening 2003 een bedrag van € 5.171,50 teveel door Countus in rekening is gebracht. Het hof leidt uit dit overzicht in combinatie met de facturen van Countus af dat het bedrag van € 5.171,50 exclusief BTW is, te weten een bedrag van € 6.154,09 inclusief (19%) BTW. Omdat Countus de juistheid van dit overzicht van [appellant ] niet heeft weersproken, zal het hof van de juistheid daarvan uitgaan, zodat van de vordering van Countus in ieder geval een bedrag van (€ 6.978,16 - € 6.154,09 =) € 824,07 toewijsbaar is.

15. Countus heeft gesteld, dat [appellant ] tijdens een gesprek op 1 juli 2005 volledige betaling heeft toegezegd. [appellant ] heeft hiertegen onder meer, onder verwijzing naar een door haar opgesteld gespreksverslag van de door Countus bedoelde bespreking van 1 juli 2005, aangevoerd dat deze toezegging slechts onder voorwaarden is geschied en dat aan deze voorwaarden niet is voldaan. Het hof constateert dat in het gespreksverslag (memorie van grieven, productie 5) inderdaad is vermeld dat er sprake is van een betalingstoezegging onder (de in dat verslag vermelde) voorwaarden. Omdat Countus hierop niet nader is ingegaan, zal het hof van de juistheid hiervan uitgaan. Voor zover Countus zich al op het standpunt heeft willen stellen dat in het gespreksverslag ten onrechte is opgenomen dat de betalingstoezegging van [appellant ] onder voorwaarden is gedaan - zoals uit de getuigenverklaring van [betrokkene 2 ] volgt - wordt dit verweer verworpen omdat Countus heeft nagelaten ten aanzien hiervan een gespecificeerd bewijsaanbod te doen.

16. Zoals hiervoor sub 10.1 en 12 reeds is overwogen, betrof de offerte van Countus slechts een kostenraming. Countus mocht, gelet daarop, hogere bedragen aan [appellant ] in rekening brengen dan de door haar genoemde bedragen, zij het geen aanzienlijk hogere bedragen. Naar het oordeel van het hof is een overschrijding van de in de offerte genoemde bedragen van maximaal 10% redelijk.

17. Voor zover [appellant ] al heeft willen betogen dat zij er op grond van een toezegging van de zijde van Countus ten tijde van een bespreking over de (hoge) nota van Countus over de jaarrekening 2002 - welke nota nadien door [appellant ] is voldaan - er op heeft mogen vertrouwen dat Countus de geoffreerde bedragen in het geheel niet zou overschrijden, wordt dit verweer verworpen. Ter gelegenheid van de in eerste aanleg gehouden comparitie van partijen van 12 juni 2006 heeft [appellant ] aangevoerd dat Countus toen heeft toegezegd dat "het de komende jaren binnen de kostenraming zou blijven". Bij memorie van grieven heeft zij de beweerde toezegging aldus geformuleerd dat Countus heeft toegezegd dat "een dergelijke overschrijding zich niet meer zal voordoen voor de volgende boekjaren". Indien deze uitspraken al door Countus zijn gedaan - hetgeen door Countus gemotiveerd is weersproken - heeft [appellant ] hieruit naar het oordeel van het hof in redelijkheid slechts mogen afleiden dat Countus geen aanzienlijk hogere bedragen in rekening zou brengen, zoals zij ten aanzien van de jaarrekening 2002 heeft gedaan. Hieruit heeft [appellant ] echter niet mogen afleiden dat Countus de geoffreerde bedragen in het geheel niet zou overschrijden.

18. Gelet op het voorgaande is naast het sub 14 genoemde bedrag van € 824,07, tevens een bedrag van (10% van € 12.456,92 =) € 1.245,69 toewijsbaar, zodat in totaal een bedrag van € 2.069,76 aan hoofdsom toewijsbaar is.

19. De door Countus primair op grond van haar algemene voorwaarden en subsidiair op grond van artikel 6:96 BW gevorderde buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 904,00 zullen worden afgewezen. Countus heeft gesteld dat Hanze Incasso namens haar aanmaningen heeft verzonden, informatie heeft ingewonnen en inhoudelijk heeft gecorrespondeerd met [appellant ]. Naar het oordeel van het hof blijkt uit deze summiere omschrijving echter niet dat daadwerkelijk werkzaamheden zijn verricht anders dan die ter voorbereiding van de processtukken en ter instructie van de zaak, welke in de proceskostenveroordeling worden meegenomen.

20. De gevorderde wettelijke rente ad € 660,71, berekend tot aan de dag der dagvaarding, zal eveneens worden afgewezen. Gesteld noch gebleken is vanaf welke dag deze over het gevorderde (en grotendeels niet toewijsbare) bedrag berekende rente is berekend. De gevorderde wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding (13 januari 2006) is wel toewijsbaar.

21. [appellant ] vordert (terug)betaling door Countus van al hetgeen [appellant ] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan Countus heeft voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling. Omdat [appellant ] echter heeft nagelaten om aan te geven of en zo ja, welk bedrag zij inmiddels werkelijk aan Countus heeft voldaan, terwijl dit van haar verwacht had mogen worden, is de vordering te onbepaald om voor toewijzing in aanmerking te komen.

De slotsom

22. Het hof komt tot de slotsom dat het verzetvonnis van 21 maart 2007 dient te worden vernietigd. Het voorgaande impliceert dat ook het verstekvonnis van 15 februari 2006 - in het kader van dit hoger beroep tegen het verzetvonnis van 21 maart 2007 - dient te worden vernietigd. De vordering van Countus zal worden toegewezen tot een bedrag van € 2.069,76, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente vanaf 13 januari 2006 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor het overige zal de vordering van Countus worden afgewezen. Nu de gevorderde hoofdsom deels zal worden toegewezen, zal het hof [appellant ] in de proceskosten veroordelen, zowel in eerste aanleg (salaris procureur: tarief I, 4 punten) als in hoger beroep (salaris procureur: tarief I, 1 punt). Countus was immers genoodzaakt de vordering in te stellen, nu [appellant ] kennelijk niet in der minne bereid was om het thans toe te wijzen deel van de vordering van Countus te voldoen.

Beslissing

Het gerechtshof:

1. verklaart [appellant ] niet-ontvankelijk in haar hoger beroep voor zover dat is gericht tegen het verstekvonnis in de zaak met zaak-/rolnummer 116836 / HA ZA 06-128 van 15 februari 2006, alsmede voor zover dat is gericht tegen het vonnis van 19 april 2006;

2. vernietigt het verzetvonnis van 21 maart 2007 waarvan beroep;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

vernietigt het op 15 februari 2006 onder zaak-/rolnummer 116836 / HA ZA 06-128 gewezen verstekvonnis;

veroordeelt [appellant ] om aan Countus te voldoen een bedrag van € 2.069,76, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 13 januari 2006 tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt [appellant ] in de kosten van het geding, aan de zijde van Countus vastgesteld op € 382,22 aan verschotten en op € 1,536,00 aan salaris procureur,

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

wijst af het anders of meer gevorderde;

3. veroordeelt [appellant ] in de kosten van het geding in hoger beroep en stelt die aan de zijde van Countus vast tot aan deze uitspraak op € 452,64 aan verschotten en op € 632,00 aan salaris voor de procureur,

4. verklaart de kostenveroordeling onder 3 uitvoerbaar bij voorraad,

5. wijst af de vordering van [appellant ] strekkende tot (terug)betaling door Countus van al hetgeen [appellant ] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan Countus heeft voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling.

Aldus gewezen door mrs. Streppel, voorzitter, Verschuur en Peper, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 1 juli 2008 in bijzijn van de griffier.