Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BD6013

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
23-06-2008
Datum publicatie
02-07-2008
Zaaknummer
ISD 2008/161
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de inzet van betrokkene en de bereikte resultaten er niet toe leiden dat de maatregel thans moet worden beëindigd. Daarbij tekent het hof aan dat het de inzet van betrokkene anders inschat dan de rechtbank, nu betrokkene, nadat hij in de extramurale fase binnen twee weken was teruggevallen, hij zich bij de eerste de beste gelegenheid heeft onttrokken aan de maatregel om vervolgens pas na zeven maanden weer terug te keren.

Evenmin is het hof van oordeel dat de omstandigheid dat de betrokkene dertien weken in voorarrest heeft doorgebracht grond oplevert om thans te oordelen dat de tenuitvoerlegging van de maatregel niet meer noodzakelijk is. De wetgever heeft er juist voor gekozen om geen aftrek te laten plaatsvinden, indien de rechter van oordeel is dat dit een goede uitvoering van de maatregel in de weg zou staan. Dat betrokkene meent dat hij klaar is met de ISD-maatregel is in zoverre niet relevant nu de beveiliging van de maatschappij voorop staat. Uit de verklaring van de getuige-deskundige bij de rechtbank volgt dat betrokkene nog niet stabiel genoeg is en zijn impulsen – agressie en diefstal – nog onder controle moet krijgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

ISD 2008/161

Beslissing d.d. 23 juni 2008

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[Betrokkene],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

verblijvende in [verblijfplaats].

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank te Amsterdam van 23 april 2008, inhoudende dat de tenuitvoerlegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders wordt beëindigd met ingang van 15 mei 2008.

Overwegingen:

• Het hof zal de beslissing van de rechtbank dienen te vernietigen, daar het tot een andere beslissing komt.

• Het hof hanteert bij de beantwoording van de vraag of voortzetting van een ISD- maatregel noodzakelijk is het volgende beslissingskader.

Allereerst wordt vastgesteld of opheffing van de maatregel zal leiden tot te verwachten onveiligheid, ernstige (drugs)overlast en verloedering van het publiek domein. Daarna wordt bezien of verdere voortzetting van de maatregel niet zinvol is door een omstandigheid die buiten de macht van betrokkene ligt.

De voortgangsrapportage van 18 april 2008 houdt omtrent het verloop van de maatregel het volgende in. De maatregel is ingegaan op 7 december 2005. In april 2007 is betrokkene geplaatst bij Exodus te Amsterdam. Doordat de betrokkene terugviel in drugsgebruik en zich niet aan de regels van Exodus hield werd hij teruggeplaatst in de inrichting. Tijdens de extramurale fase verscheen betrokkene ook niet op zijn afspraken bij De Waag. Na terugplaatsing in de inrichting zou zijn behandeling in juni 2007 voortgezet worden. De dag dat betrokkene zelfstandig naar de behandeling ging, onttrok hij zich aan detentie.

Na zeven maanden is hij op 18 januari 2008 weer gedetineerd in [verblijfplaats]. Daar heeft hij op 11 maart 2008 aangegeven dat hij wel een woon/werk-traject wil doorlopen, maar niet wil worden aangemeld voor een woonvoorziening. Betrokkene wil een zelfstandige woning en wenst geen vrijwilligerswerk te doen. Een van de conclusies in de voortgangsrapportage is dat betrokkene ondersteuning, structuur en een vaste mentor nodig heeft. Deze mentor kan hem dan begeleiden bij het zich eigen maken van vaardigheden. Voorts volgt uit de rapportage dat betrokkene tijdens de intramurale fase niet is teruggevallen in cocaïnegebruik, maar wel schriftelijke rapporten voor cannabisgebruik heeft opgelopen. Tenslotte is in de rapportage verwezen naar het rapport van 10 november 2005 waaruit blijkt dat bij betrokkene sprake is van een antisociale en een narcistische persoonlijkheidsstoornis.

Gelet op het voorgaande is het hof dan ook van oordeel dat de beveiliging van de maatschappij en de beëindiging van de recidive de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel vordert. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de inzet van betrokkene en de bereikte resultaten er niet toe leiden dat de maatregel thans moet worden beëindigd. Daarbij tekent het hof aan dat het de inzet van betrokkene anders inschat dan de rechtbank, nu betrokkene, nadat hij in de extramurale fase binnen twee weken was teruggevallen, hij zich bij de eerste de beste gelegenheid heeft onttrokken aan de maatregel om vervolgens pas na zeven maanden weer terug te keren.

Evenmin is het hof van oordeel dat de omstandigheid dat de betrokkene dertien weken in voorarrest heeft doorgebracht grond oplevert om thans te oordelen dat de tenuitvoerlegging van de maatregel niet meer noodzakelijk is. De wetgever heeft er juist voor gekozen om geen aftrek te laten plaatsvinden, indien de rechter van oordeel is dat dit een goede uitvoering van de maatregel in de weg zou staan. Dat betrokkene meent dat hij klaar is met de ISD-maatregel is in zoverre niet relevant nu de beveiliging van de maatschappij voorop staat. Uit de verklaring van de getuige-deskundige bij de rechtbank volgt dat betrokkene nog niet stabiel genoeg is en zijn impulsen – agressie en diefstal – nog onder controle moet krijgen.

Beslissing :

Het hof:

Vernietigt de beslissing van de rechtbank Amsterdam van 23 april 2008 met betrekking tot de betrokkene.

Beslist dat de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel wordt voortgezet.

Aldus gedaan door

mr Stikkelbroeck als voorzitter,

mrs Bartelds en Schulten als raadsheren,

en drs Van Kordelaar en Vecht- van den Bergh als raden,

in tegenwoordigheid van Van Westerlaak als griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2008.

De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen