Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BD6006

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
17-06-2008
Datum publicatie
02-07-2008
Zaaknummer
PIJ 2008\126
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aan betrokkene is 7 december 2005 de PIJ-maatregel opgelegd.

Betrokkene heeft in zeven verschillende jeugdinrichtingen verbleven. In de inrichtingen is een aantal malen sprake geweest van geweldsincidenten en bedreigingen door de jeugdige. Momenteel verblijft de jeugdige in voorlopige hechtenis in verband met dit incident. De officier van justitie heeft bij vordering van 6 november 2007 de verlenging van de maatregel met 1 jaar gevorderd. Bij uitspraak van 31 maart 2008 heeft de rechtbank te Amsterdam beslist tot toewijzing van de vordering van de officier van justitie, voor zover de jeugdige uiterlijk 1 juli 2008 wordt geplaatst in een TBS-kliniek. De jeugdige heeft beroep ingesteld tegen de verlenging. Het beroep van het OM richt zich met name tegen de aan de verlenging van de maatregel verbonden (tijds)voorwaarde.

In het adviesrapport van RIJ De Doggershoek wordt geadviseerd de maatregel te beëindigen. Het hof is van oordeel dat verlenging van de maatregel wel degelijk in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de jeugdige is. Het op dit moment beëindigen van de maatregel vanwege de gerezen moeilijkheden (de handdoek als het ware in de ring gooien) zou betekenen dat het “wachten” is op een volgend ernstig (en mogelijk TBS-waardig) delict. Dit zou getuigen van cynisme en miskenning van het recht van de jeugdige op adequate behandeling van zijn stoornis. Zonder in de positie van de inrichtingen te willen treden, merkt het hof op dat het, gezien de wel zeer frequente overplaatsingen van de jeugdige, er op lijkt dat men in de diverse instellingen niet volhardend genoeg de behandeling heeft willen doorzetten, hetgeen gelet op de evidente noodzaak van behandeling, zeer betreurenswaardig te noemen is.

Daar komt bij, en wat dit betreft sluit het hof aan bij de overwegingen in de beschikking van de rechtbank, dat verdere tenuitvoerlegging van de maatregel ook zou kunnen -en na de vele mislukkingen in jeugdinrichtingen zelfs zou dienen te- geschieden in een TBS-kliniek. Aannemelijk is dat daar met meer volharding (en mogelijk ervaring) gewerkt zou kunnen worden aan de noodzakelijke behandeling en dat betrokkene niet bij incidenten meteen wordt uitgeplaatst. Uit de verklaring van de getuige-deskundige Oosterom ter terechtzitting van 3 juni 2008 leidt het hof af dat in het verleden ook positieve ervaringen zijn opgedaan met de behandeling van PIJ-jongeren in een TBS-kliniek. Uit diens verklaring heeft het hof verder begrepen dat op 10 juni 2008 door de staf van de TBS-kliniek De Rooijse Wissel vergaderd zal worden over de vraag of men de jeugdige ter behandeling zou kunnen en willen opnemen. Het hof dringt er ten krachtigste op aan dat deze mogelijkheid wordt benut en dat zeer spoedige overplaatsing van de jeugdige naar een TBS-kliniek zal plaats vinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

PIJ 2008\126

Beslissing d.d. 17 juni 2008

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[PIJ-gestelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

verblijvende in [verblijfplaats]

en op het beroep van de officier van justitie, ingesteld op 17 april 2008.

De beroepen zijn ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank te Amsterdam van 31 maart 2008, houdende verlenging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen met een termijn van een jaar mits betrokkene uiterlijk 1 juli 2008 wordt geplaatst in een TBS-kliniek.

Overwegingen:

• Het hof zal de beslissing van de rechtbank dienen te vernietigen aangezien de rechtbank niet binnen twee maanden na het indienen van de verlengingsvordering van de officier van justitie haar beslissing heeft genomen, op grond van nieuwe stukken en mede op grond van hetgeen de getuigen-deskundigen ter terechtzitting hebben verklaard.

Daarnaast dient de beslissing van de rechtbank te worden vernietigd vanwege de omstandigheid dat, anders dan door de raadsman betoogd, in het huidige systeem van de wet niet mogelijk is om een voorwaarde aan de beslissing tot verlenging van de maatregel te verbinden. De rechtbank heeft dit ten onrechte wel gedaan door aan haar beslissing tot verlenging van de maatregel de voorwaarde te verbinden dat betrokkene uiterlijk 1 juli 2008 geplaatst dient te worden in een TBS-kliniek.

• Het hof gaat bij de beoordeling van de volgende feiten uit:

De rechtbank te Amsterdam heeft betrokkene bij vonnis van 7 december 2005 de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (verder: de maatregel) opgelegd. De maatregel is opgelegd ter zake van onder meer opzetheling, diefstal met geweld, handelen in strijd met de Wet wapens en munitie, mishandeling meermalen gepleegd en belediging. De rechtbank heeft daarbij geadviseerd de maatregel ten uitvoer te leggen in de RIJ De Doggershoek te Den Helder. [PIJ-gestelde] was voor dit vonnis al eerder veroordeeld voor geweldsdelicten.

In de periode na het uitspreken van het vonnis van de rechtbank Amsterdam heeft [PIJ-gestelde] in zeven verschillende jeugdinrichtingen verbleven. Telkens heeft hij slechts een gering aantal maanden in de betreffende inrichtingen kunnen blijven.

In de inrichtingen is een aantal malen sprake geweest van geweldsincidenten en bedreigingen door [PIJ-gestelde]. De laatste keer dat dit gebeurde was op 12 mei 2008 in de inrichting Den Hey-Acker. Er zou sprake zijn geweest van mishandeling en vernieling door [PIJ-gestelde]. Op dit moment verblijft [PIJ-gestelde] in voorlopige hechtenis in verband met dit incident.

De maatregel zou op 22 december 2007 geëindigd zijn. De officier van justitie heeft bij vordering van 6 november 2007 de verlenging van de maatregel met 1 jaar gevorderd. Bij uitspraak van 31 maart 2008 heeft de rechtbank te Amsterdam beslist tot toewijzing van de vordering van de officier van justitie, voor zover [PIJ-gestelde] uiterlijk 1 juli 2008 wordt geplaatst in een TBS-kliniek.

Op 3 april 2008 heeft [PIJ-gestelde] hoger beroep ingesteld. Dit is -inhoudelijk gezien- gericht tegen de verlenging.

Op 14 april 2008 heeft de officier van justitie beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Het beroep richt zich met name tegen de aan de verlenging van de maatregel verbonden (tijds)voorwaarde.

• Voor de beoordeling acht het hof de volgende -uit de diverse rapporten en processen-verbaal afkomstige- informatie over de psychische toestand van [PIJ-gestelde] van belang:

De rechtbank te Amsterdam heeft in 2005 besloten [PIJ-gestelde] in het Pieter Baan Centrum te laten observeren teneinde nader te bezien of het opleggen van een gedwongen behandeling in het kader van een PIJ-maatregel dan wel een TBS-maatregel zinvol zou kunnen zijn. In het rapport van 3 november 2005 van G. Ruitinga en C. Salet (respectievelijk arts-assistent psychiatrie en orthopedagoog) wordt onder andere vermeld dat er sprake is van een ernstige gedragsstoornis. De gedragsproblemen waren al op jonge leeftijd aanwezig en zijn nauwelijks beïnvloedbaar. De kans op verdere scheefgroei van zijn ontwikkeling tot een (antisociale) persoonlijkheidsstoornis wordt groot geacht. Er is sprake van een forse hechtingsproblematiek. Zijn gewetensfuncties zijn beperkt gebleven. Hij wordt als het ware geregeerd door zijn eigen wensen en verlangens en wanneer hij zich tekort gedaan voelt uit zich dit bij hem in agressie jegens anderen. Er is in die zin sprake van een gestoorde agressiehuishouding. Er kan geconcludeerd worden dat bij [PIJ-gestelde] sprake is van een rigide gedragspatroon dat al stevig is ingebed in zijn persoonlijkheid. Wanneer [PIJ-gestelde] onbehandeld zou blijven wordt de kans op herhaling van soortgelijke delicten groot geacht. De onderzoekers adviseren toepassing van het meerderjarigenstrafrecht en oplegging van de maatregel TBS met dwangverpleging. De verander- en groeimogelijkheden worden, mede gezien de langdurige ervaringen van [PIJ-gestelde] in vele jeugdinrichtingen, zeer gering geacht.

C. Salet heeft ter terechtzitting van de rechtbank te Amsterdam op 23 november 2005 nog eens herhaald dat jeugdinrichtingen naar zijn oordeel onvoldoende te bieden hebben om [PIJ-gestelde] middels behandeling te kunnen helpen.

In het adviesrapport van 16 oktober 2007 van RIJ De Doggershoek wordt geadviseerd de maatregel te beëindigen. Verdere behandeling zou geen positieve gedragsverandering opleveren en de kans op recidive zou ook na langdurige behandeling zeer hoog blijven. De prognose voor behandeling bij [PIJ-gestelde] is bijzonder ongunstig. Er bestaat een constant beeld van agressief gedrag tegenover zowel personeel als jongeren en [PIJ-gestelde] is zeer verhard door de veelvuldige overplaatsingen binnen de justitiële jeugdinrichtingen. De problematiek (gediagnosticeerd als gedragsstoornis -ernstig en beginnend in de kindertijd- en een zich ontwikkelende antisociale persoonlijkheidsstoornis) is dusdanig hardnekkig dat zijn zelfreflectie niet zal toenemen en hij geweld en agressie als enige gedraging zal blijven hanteren om het, in zijn ogen, gewenste effect te bereiken, aldus het rapport.

• Het hof stelt vast dat de maatregel onder meer is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Verder stelt het hof vast dat bij [PIJ-gestelde] ten tijde van het begaan van het feit/de feiten (ter zake waarvan de maatregel is opgelegd) sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens.

• Op grond van voormelde rapportages en advies staat naar het oordeel van het hof vast dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de verlenging van de maatregel eist. Er is sprake van een groot gevaar voor herhaling van soortgelijke feiten als waarvoor de maatregel is opgelegd. De inhoud van het adviesrapport van De Doggershoek van 16 oktober 2007 laat daar geen twijfel over bestaan. Ook de geweldsincidenten in de diverse inrichtingen wijzen er op dat [PIJ-gestelde] zijn agressieve gevoelens niet kan beheersen en dus op gevaar voor herhaling van agressief gedrag. In dit verband wijst het hof ook op de Melding Bijzonder Voorval Justitiële Jeugdinrichtingen door de algemeen directeur van Den Hey-Acker van 13 mei 2008, waarin onder meer wordt opgemerkt dat het recidivegevaar als hoog wordt ingeschat en dat [PIJ-gestelde] een groot gevaar voor de samenleving vormt. Nader onderzoek naar (onder andere) het recidivegevaar door onafhankelijke deskundigen heeft niet kunnen plaats vinden, omdat [PIJ-gestelde] weigerde aan dergelijk onderzoek mee te werken.

• Het hof is van oordeel dat verlenging van de maatregel, anders dan door de raadsman van [PIJ-gestelde] bepleit, wel degelijk in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van [PIJ-gestelde] is. Vast staat immers dat er bij [PIJ-gestelde] sprake is van ernstige gedragsproblemen en een (al dan niet uitgekristalliseerde) persoonlijkheidsstoornis. Behandeling is nodig, niet alleen ter voorkoming van recidive, maar ook om het voor [PIJ-gestelde] mogelijk te maken om zijn leven op een acceptabele en menswaardige manier voort te zetten, zonder telkens zichzelf en anderen in gevaar of problemen te brengen. Uit de stukken blijkt dat deze problemen en deze stoornis nog in onvoldoende mate zijn behandeld/aangepakt gedurende het verblijf van [PIJ-gestelde] in de justitiële jeugdinrichtingen, maar niet dat die behandeling/aanpak per definitie onhaalbaar of onmogelijk zou zijn. Het op dit moment beëindigen van de maatregel vanwege de gerezen moeilijkheden (de handdoek als het ware in de ring gooien) zou betekenen dat het “wachten” is op een volgend ernstig (en mogelijk TBS-waardig) delict. Dit zou getuigen van cynisme en miskenning van het recht van [PIJ-gestelde] op adequate behandeling van zijn stoornis. Hieraan doet niet af dat [PIJ-gestelde] hierover zelf anders denkt.

• Van justitiële jeugdinrichtingen mag qualitate qua verwacht worden dat zij in staat zijn ook jeugdigen met dit soort ernstige gedragsproblemen als waarvan bij [PIJ-gestelde] sprake is adequaat te behandelen (desnoods door inschakeling van externe expertise). Zonder in de positie van de inrichtingen te willen treden, merkt het hof op dat het, gezien de wel zeer frequente overplaatsingen van [PIJ-gestelde], er op lijkt dat men in de diverse instellingen niet volhardend genoeg de behandeling heeft willen doorzetten, hetgeen gelet op de evidente noodzaak van behandeling, zeer betreurenswaardig te noemen is.

Daar komt bij, en wat dit betreft sluit het hof aan bij de overwegingen in de beschikking van de rechtbank, dat verdere tenuitvoerlegging van de maatregel ook zou kunnen -en na de vele mislukkingen in jeugdinrichtingen zelfs zou dienen te- geschieden in een TBS-kliniek. Aannemelijk is dat daar met meer volharding (en mogelijk ervaring) gewerkt zou kunnen worden aan de noodzakelijke behandeling en dat betrokkene niet bij incidenten meteen wordt uitgeplaatst. Continuïteit in benadering/behandeling en de mogelijkheid tot het voorzichtig opbouwen van een vertrouwensband lijken daarmee gewaarborgd. Uit de verklaring van de getuige-deskundige Oosterom ter terechtzitting van 3 juni 2008 leidt het hof af dat in het verleden ook positieve ervaringen zijn opgedaan met de behandeling van PIJ-jongeren in een TBS-kliniek. Uit diens verklaring heeft het hof verder begrepen dat op 10 juni 2008 door de staf van de TBS-kliniek De Rooijse Wissel vergaderd zal worden over de vraag of men [PIJ-gestelde] ter behandeling zou kunnen en willen opnemen. Het hof dringt er ten krachtigste op aan dat deze mogelijkheid wordt benut en dat zeer spoedige overplaatsing van [PIJ-gestelde] naar een TBS-kliniek zal plaats vinden.

• De raadsman heeft betoogd dat er sprake is van schending van artikel 5 en artikel 3 EVRM. Het Hof verwerpt dit betoog. De justitiële jeugdinrichtingen zijn niet alleen bedoeld en ingericht voor de behandeling van jeugdigen als [PIJ-gestelde], maar moeten ook in staat worden geacht dat zij jeugdigen adequaat en met respect voor hun menselijke waardigheid behandelen. Dat geldt ook in de onderhavige zaak. In de diverse daartoe bestemde inrichtingen is getracht de behandeling van de ernstige gedragsproblemen van [PIJ-gestelde] vlot te trekken. Dat dit –tot op heden- niet is gelukt en dat er kritiek denkbaar is op de manier waarop men een en ander heeft proberen aan te pakken, rechtvaardigt echter nog niet de conclusie dat er sprake is van een onmenselijke of vernederende behandeling van [PIJ-gestelde] door/in de inrichtingen of dat aan [PIJ-gestelde] zijn vrijheid is/wordt ontnomen op een manier die in strijd is met het bepaalde in artikel 5 lid 1 EVRM.

• Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de beslissing van de rechtbank zal worden vernietigd en dat de maatregel zal worden verlengd voor de duur van één jaar.

Beslissing:

Het hof:

Vernietigt de beslissing van de rechtbank te Amsterdam van 31 maart 2008 met betrekking tot de betrokkene.

Verlengt de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen met een termijn van een jaar.

Aldus gedaan door

mr Lensing als voorzitter,

mrs Bartelds en Schulten als raadsheren,

en drs Poll en drs Kaiser als raden,

in tegenwoordigheid van Van Lieshout-Witjes als griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2008.

De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.