Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BD5968

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
25-06-2008
Datum publicatie
01-07-2008
Zaaknummer
07-00109
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2007:BA2074, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Loonbelasting.

Loonheffing over afkoopsom van optie is terecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008, 1313 met annotatie van Van Mulbregt
FutD 2008-1518

Uitspraak

uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belasting

nummer 07/00109

tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Zambia (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank) van 15 februari 2007, num-mer AWB 06/4200, in het geding tussen belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P (hierna: de Inspecteur)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Op het loon van belanghebbende is op 20 mei 2005 een bedrag aan loonheffing ingehouden over onder meer de afkoopsom van een optie. Belanghebbende heeft tegen de inhouding van de loonheffing bezwaar gemaakt.

1.2. Bij uitspraak van de Inspecteur van 19 mei 2006 is het bezwaar van belanghebbende onge-grond verklaard.

1.3. Het beroep tegen de uitspraak van de Inspecteur is door de Rechtbank bij uitspraak van 15 februari 2007, nr. AWB 06/4200, ongegrond verklaard.

1.4. Belanghebbende is van deze uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij dit Hof.

1.5. Tot de stukken van het geding behoren verder het verweerschrift en de conclusies van re en dupliek.

1.6. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van

het Hof van 15 mei 2008 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord de gemachtigde van be-langhebbende, alsmede de Inspecteur.

1.7. Van het verhandelde ter zitting is het proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

1.8. De notities van het pleidooi dat de gemachtigde van belanghebbende ter zitting heeft gehou-den, worden als hier herhaald en ingelast beschouwd.

2. Vaststaande feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken van het geding, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door de ene partij gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende is per 8 augustus 2000 in dienst getreden bij A International B.V. (voor-heen: B Investments Holdings B.V.) te Q (hierna: de werkgeefster).

2.2. De werkgeefster heeft hem bij indiensttreding het onvoorwaardelijke recht toegekend om 15.000 aandelen in de werkgeefster te verwerven tegen een prijs van $ 12,00 gedurende de daar-opvolgende vijf jaren (hierna: de optie). Hiertoe heeft belanghebbende op 24 augustus 2000 het volgende stuk ondertekend:

THE ACCEPTANCE FORM

Dear X,

B Investments Holdings B.V. hereby grants you the right to acquire 15,000 shares in the capital of B Investments Holdings B.V., each with a nominal value of NLG 0.01 and, pursuant to the share option plan 1998 of B Investments Holdings B.V., with an exercise price of US$ 12.00 (hereafter: the “Options”)

In conformation of your decision to accept these Options, we request you to send us this statement in duplicate, dated and signed and a copy of your passport to:

(…)

The Options will lapse if you do not accept the Options by use of this form within 14 days after the date of grant of the Options.

By accepting the Options you acknowledge receipt of the B Investments Holdings B.V. share option plan 1998 and you are deemed to have approved of the conditions of this share option plan.

24-8-2000

(handtekening belanghebbende) (Signature)

Name: X

24-8-2000 (Date)

2.3. Op 14 december 2000 heeft de werkgeefster een brief aan belanghebbende gestuurd over deze optie, waarin zij constateert dat hij over de toekenning van deze optie ƒ 52.917,84 belasting verschuldigd is. In deze brief heeft zij belanghebbende aangeboden dit bedrag voor te schieten. Tevens heeft de werkgeefster belanghebbende erop gewezen dat het belangrijk is dat hij de optie in de aangifte in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2000 opneemt.

2.4. Over de waarde van de optie heeft de werkgeefster in het jaar 2000 geen loonheffing ingehouden en/of afgedragen. Evenmin heeft belanghebbende de waarde van de optie als inkom-sten uit dienstbetrekking vermeld in zijn aangifte in de inkomstenbelasting/premie volksverzeke-ringen voor het jaar 2000.

2.5. In een faxbericht van 23 mei 2001 van de werkgeefster gericht aan de Belasting-dienst/Grote Ondernemingen/R staat het volgende vermeld:

(…)

Hiermee melden wij u dat de in de in de bijlage genoemde werknemers van B Investments Holdings B.V. voornemens zijn de aangeboden stock opties door B Investments Holdings B.V. te accepteren en te opteren voor uitstel van belastingheffing voor de aan hen toegekende opties conform artikel 10a Wet op de Loonbelasting 1964 tot het moment van uitoefening van de opties. De melding vindt derhalve plaats voor het fiscale genietingsmoment.

(…)

Bijlagen (verzoek tot uitstel + kopie paspoort van)

(…)

4. dhr. X

5. mw. C

(…)

10. dhr. D

11. dhr. E

2.6. Belanghebbende en zijn werkgeefster hebben in juni 2001 gezamenlijk een verklaring ondertekend als bedoeld in artikel 10a, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet) (tekst van 28 december 2000 tot en met 31 december 2004). Hierin staat vermeld:

Election to Defer the Taxation of Stock Options Until Exercise

(…)I also agree that for both Dutch wage and income tax purposes, the taxable moment for the options should be the moment of exercise thereof. Dutch tax therefore will be deducted from taxable wages at the moment of exercise. The taxable income will be determined in accordance with Dutch tax law as the difference between the fair market value at exercise of the shares underlying, the exercised portion of the options and the exercise price thereof. (…)

2.7. Begin 2005 heeft een derde de aandelen in de werkgeefster overgenomen. Daarbij zijn de aan de werknemers toegekende opties afgekocht. Voor de afkoop van de optie heeft belangheb-bende in 2005 een bedrag van € 492.700 ontvangen. Op dit bedrag heeft de werkgeefster een bedrag van € 256.204 aan loonheffing ingehouden.

3. Geschil, standpunten en conclusies van partijen

3.1. Partijen houdt verdeeld, of de werkgeefster terecht loonheffing heeft ingehouden op de afkoopsom van de optie.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

3.3. Daaraan is mondeling, behalve de inhoud van de voormelde pleitnotitie, toegevoegd het-geen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

3.4. Belanghebbende verzoekt in hoger beroep om teruggaaf van de door de werkgever op zijn loon ingehouden loonheffing tot een bedrag van € 256.204.

3.5. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Tot 28 december 2000 werd de waarde van een door een werkgever aan zijn werknemer toegekend aandelenoptierecht op het tijdstip waarop deze toekenning onvoorwaardelijk werd, tot het loon uit dienstbetrekking gerekend in de zin van artikel 10 van de Wet. De waarde van dit aandelenoptierecht werd bepaald aan de hand van artikel 13, tweede lid, van de Wet juncto artikel 15 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990.

4.2. Volgens artikel 10a, eerste lid, van de Wet zoals dat luidt van 28 december 2000 tot en met 31 december 2004 wordt naar keuze van de werknemer met wie in het kader van de dienstbetrek-king een aandelenoptierecht is overeengekomen, de verwachtingswaarde van een aandelenoptie-recht niet als loon in aanmerking genomen. In dat geval behoort ingevolge artikel 10a, derde lid, van de Wet mede tot het loon hetgeen de werknemer geniet ter zake van de vervreemding of de uitoefening van het optierecht.

4.3. Met ingang van 1 januari 2005 bepaalt artikel 10a, eerste lid, van de Wet, dat ingeval in het kader van een dienstbetrekking of vroegere dienstbetrekking met een werknemer een aandelenop-tierecht is overeengekomen, niet de waarde van dat recht tot het loon behoort doch hetgeen door de werknemer ter zake van de uitoefening of vervreemding van dat recht wordt genoten.

4.4. Blijkens de brief van 14 december 2000 gaan belanghebbende en zijn werkgeefster ervan uit dat belasting verschuldigd is over de waarde van de in dat jaar toegekende optie. Desondanks houdt de werkgeefster geen loonheffing hierop in in het jaar 2000 en vermeldt belanghebbende de waarde van de optie niet in zijn aangifte in de inkomstenbelasting voor dat jaar. Als motief voor deze handelwijze draagt belanghebbende aan, dat hij samen met zijn werkgeefster gebruik heeft willen maken van de eerst per 28 december 2000 geïntroduceerde wettelijke mogelijkheid te verzoeken om uitstel van heffing tot het moment van uitoefenen van de optie.

4.5. Teneinde dit uitstel van heffing te verkrijgen stelt de werkgeefster in mei van het jaar 2000 het onder 2.5 genoemde faxbericht op. Daarnaast ondertekenen belanghebbende en zijn werk-geefster de onder 2.6 genoemde verklaring.

4.6. Bij de afkoop van de optie in mei 2005 heeft de werkgeefster overeenkomstig hetgeen zij met belanghebbende is overeengekomen en artikel 10a van de Wet, zoals dit artikel per 1 januari 2005 luidt, de afkoopsom in de loonheffing betrokken. Gesteld noch gebleken is, dat de werkge-ver tegen de inhouding of afdracht van deze loonheffing bezwaar heeft gemaakt.

4.7. De Inspecteur sluit zich bij deze loonheffing in het jaar 2005 aan en gaat daarmee akkoord met het buitenwettelijke verzoek van belanghebbende en zijn werkgeefster om de belastinghef-fing over de waarde van de optie uit te stellen tot het moment van uitoefenen, of met een daaraan gelijk te stellen moment, zoals in dit geval, het moment van afkopen.

4.8. Belanghebbende, die zich in het jaar 2005 geconfronteerd ziet met een hogere loonheffing over de waarde van de optie, dan hij in het jaar 2000 verschuldigd zou zijn geweest, verzoekt primair om de heffing alsnog in het jaar 2000 te laten plaatsvinden door middel van een navorde-ring van inkomstenbelasting. Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende gebonden aan zijn - nadien door de Inspecteur geaccepteerde - verzoek om uitstel van heffing over de optie, nu hij samen met zijn werkgeefster daarvoor uitdrukkelijk heeft gekozen en zij ook daarnaar hebben gehandeld.

4.9. Nu het Hof belanghebbende volgt in zijn stelling dat de optie in het jaar 2000 is toegekend en dat deze optie in 2005 is afgekocht, komt het Hof aan de behandeling van de andere standpun-ten van belanghebbende die uitgaan van een toekenning van een optie in 2001, niet toe.

4.10. Belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel moet reeds worden verworpen, omdat de personen naar wie hij verwijst geen vergelijkbare gevallen zijn. Het betreft personen aan wie in het jaar 2001 opties zijn toegekend en de wijze waarop de Belastingdienst artikel 10a van de Wet (tekst van 28 december 2000 tot en met 31 december 2004) op deze opties heeft toegepast.

4.11. De werkgeefster heeft daarom in 2005 terecht loonheffing ingehouden op de afkoopsom van de optie.

5. Slotsom

Bij de uitspraak van de Rechtbank is het beroep terecht ongegrond verklaard.

6. Proceskosten

Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht vindt het Hof geen termen aanwezig.

7. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan te Arnhem op 25 juni 2008 door mr. R.F.C. Spek, voorzitter, mr. J. van de Merwe en mr. J.W. Zwemmer. De beslissing is op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken in tegenwoor-digheid van mr. J.L.M. Egberts als griffier.

J.L.M. Egberts R.F.C. Spek

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

postbus 20303, 2500 EH Den Haag

(bezoekadres: Kazernestraat 52).

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.