Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BD5906

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
13-05-2008
Datum publicatie
23-10-2008
Zaaknummer
104.003.485
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof constateert dat [appellante], ook na daarop bij memorie van antwoord onder 2 en ter gelegenheid van de pleidooien in hoger beroep te zijn gewezen, geen helderheid heeft verschaft hoe de primair en subsidiair gevorderde bedragen zich tot ieder der geïntimeerden verhouden. De hoofdelijke veroordeling van A/B en Belba respectievelijk van [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] is niet gevorderd, hun hoofdelijke verbondenheid is niet gesteld en evenmin zijn feiten of omstandigheden gesteld die hoofdelijke verbondenheid tot gevolg hebben. De veroordeling van A/B en Belba respectievelijk van [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] voor gelijke dan wel ongelijke delen is evenmin gevorderd, enige (concrete) stelling daaromtrent ontbreekt en ook ontbreken gestelde feiten of omstandigheden waaruit een beoogde veroordeling tot gelijke dan wel ongelijke delen kan worden afgeleid. Aldus is onbegrijpelijk tot welk bedrag tegen welke geïntimeerde de vorderingen strekken. Dit is niet anders indien sprake zou zijn van verwevenheid van beide vennootschappen, [geïntimeerde sub 3] “het allemaal als één grote pot [beschouwt]”, ook gemeld “is (..) dat de privé-tegoeden feitelijk toebehoorden aan de vennootschappen” en uit de facturen kan worden afgeleid welke factuur aan welke geïntimeerde kan worden toegerekend (zie ondermeer onder 23 pleitnota [appellante]). De vorderingen zullen reeds hierom worden afgewezen, met passering van het (algemene) bewijsaanbod omdat aan bewijslevering niet kan worden toegekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2008, 278
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 mei 2008

tweede civiele kamer

zaaknummer 104.003.485

rolnummer (oud)2007/00450

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

de maatschap [appellante],

gevestigd te [plaats],

appellant,

procureur: mr J.M. Bosnak,

tegen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

A/B Financiën B.V.,

gevestigd te Almelo,

2. de besloten met beperkte aansprakelijkheid

Belba B.V.,

gevestigd te Schuinesloot, gemeente Hardenberg,

3. [geïntimeerde sub 3],

4. [geïntimeerde sub 4],

beiden wonende te Aadorp, gemeente Almelo,

geïntimeerden,

procureur: mr W.D. Huizinga.

1 Het verloop van de procedure in eerste aanleg

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar de tussen appellante (verder te noemen: [appellante]) als eiseres en geïntimeerden onder 1. en 2. (verder ook te noemen: A/B respectievelijk Belba) als gedaagden en de tussen [appellante] als eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie en geïntimeerden onder 3. en 4. (verder ook te noemen: [geïntimeerde sub 3] respectievelijk [geïntimeerde sub 4]) als gedaagden in conventie, tevens eisers in reconventie gewezen vonnissen van de rechtbank Almelo van 5 april 2006 en 17 januari 2007. Een afschrift van het vonnis van 17 januari 2007 is aan dit arrest gehecht.

2 Het verloop van de procedure in hoger beroep

2.1 [appellante] heeft bij exploot van 16 maart 2007 aan geïntimeerden aangezegd in hoger beroep te komen van het vonnis van 17 januari 2007, met gelijktijdige dagvaarding van geïntimeerden voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellante] twee grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd, bewijs aangeboden, haar eis vermeerderd jegens A/B en Belba en gevorderd dat het hof bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, dat vonnis - naar het hof begrijpt: in conventie gewezen - zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende,

1. A/B en Belba alsnog zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellante] te voldoen een bedrag van € 3.757,49 ten titel van ten onrechte onbetaald gelaten facturen met betrekking tot werkzaamheden verricht tot en met 18 november 2004, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW, althans de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, over € 1.046,61 vanaf 20 oktober 2004 en over € 2.710,88 vanaf 14 januari 2005 tot aan de dag der algehele voldoening;

2. primair:

[geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] alsnog zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellante] te voldoen een bedrag van € 75.152,26 ten titel van ten onrechte onbetaald gelaten facturen met betrekking tot werkzaamheden verricht na 18 november 2004;

subsidiair:

A/B en Belba zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellante] te voldoen een bedrag van € 75.152,26 ten titel van ten onrechte onbetaald gelaten facturen met betrekking tot werkzaamheden verricht na 18 november 2004;

primair en subsidiair:

te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW, althans de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, over € 7.149,60, € 2.124,45 en € 4.700,45 vanaf 14 januari 2005, over € 264,89, € 4.249,07, € 6.029,83 en € 490,30 vanaf 7 april 2005, over € 650,88 vanaf 2 juni 2005 en over € 49.492,79 vanaf 20 december 2005 tot aan de dag der algehele voldoening;

3. geïntimeerden alsnog zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 11.836,46, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

4. met de veroordeling van geïntimeerden in de kosten van beide instanties, waaronder begrepen de kosten van beslaglegging.

2.3 Bij memorie van antwoord hebben geïntimeerden de grieven bestreden, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis - naar het hof begrijpt: in conventie gewezen - zal bekrachtigen en [appellante] in het hoger beroep niet-ontvankelijk zal verklaren, dan wel het hoger beroep ongegrond zal verklaren, respectievelijk de vermeerdering van eis zal afwijzen en [appellante] in de kosten van (het hof begrijpt:) het hoger beroep zal verwijzen.

2.4 Partijen hebben ter terechtzitting van 31 maart 2008 hun zaak doen bepleiten, [appellante] bij monde van mr [advocaat 1 van appellante], advocaat te Almelo, en geïntimeerden bij monde van mr E.J.M. Abels, advocaat te Almelo. Beiden hebben daarbij pleitnotities gehanteerd die zijn overgelegd.

2.5 Hierna hebben partijen de stukken overgelegd voor arrest.

3 De beoordeling in hoger beroep

3.1 Het gaat in deze zaak om het volgende.

Belba en A/B drijven beide een onderneming die zich bezig houdt met het beleggen van vermogen. [geïntimeerde sub 3] is de bestuurder van Belba en Belba is de bestuurder van A/B. [geïntimeerde sub 4] is de echtgenote van [geïntimeerde sub 3].

Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikkingen van 18 november 2004 van de rechtbank Zwolle en Almelo is op verzoek van De Nederlandsche Bank N.V. de noodregeling van artikel 71, tweede lid, Wet toezicht kredietwezen 1992 (verder: Wtk 1992) van toepassing verklaard op Belba respectievelijk A/B en is voorts een bewindvoerder benoemd.

[appellante] heeft in de persoon van mr [advocaat 2 van appellante] juridische bijstand verleend strekkend tot het voeren van verweer tegen het verzoek tot het van toepassing verklaren van die noodregeling. Deze bijstand betrof voornamelijk het optreden voor A/B en Belba in de beide procedures voor de rechtbanken Zwolle respectievelijk Almelo en tevens in hoger beroep. In hoger beroep zijn beide vennootschappen niet-ontvankelijk verklaard.

Vervolgens heeft De Brauw Blackstone Westbroek N.V. juridische bijstand verleend in het kader van de cassatieprocedures van Belba en A/B tegen beide beschikkingen. Bij beschikkingen van de Hoge Raad van 24 juni 2005 zijn beide beroepen in cassatie verworpen.

De hiervoor vermelde noodregeling is op 26 december 2006 ten aanzien van beide vennootschappen geëindigd.

[appellante] heeft bij verscheidene declaraties gericht aan “A/B Financiën BV en/of Mw. [geïntimeerde sub 4] en/of Dhr. [geïntimeerde sub 3]” diverse bedragen van in totaal € 78.909,75 voor haar werkzaamheden en die van De Brauw Blackstone Westbroek N.V. in de periode vanaf 22 juni 2004 tot 28 november 2005 in rekening gebracht. Al deze declaraties zijn onbetaald gebleven.

[appellante] heeft in eerste aanleg betaling gevorderd van die declaraties van A/B en Belba tot een bedrag van € 3.757,49 ter zake van tot 18 november 2004 verleende juridische bijstand en van [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] tot een bedrag van € 75.152,29 ter zake van nadien verleende juridische bijstand, een en ander vermeerderd met rente en kosten.

Bij het bestreden vonnis is [appellante] in haar vorderingen tegen A/B en Belba niet-ontvankelijk verklaard en zijn haar vorderingen tegen [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] afgewezen.

Daartegen richten zich de grieven.

3.2 Vast staat dat de inleidende dagvaarding op 16 januari 2006, dus staande de noodregeling, aan A/B en Belba (in de persoon van [geïntimeerde sub 3]) is betekend. Vast staat voorts dat zij in eerste aanleg niet zijn verschenen. A/B en Belba stellen dat de inleidende dagvaarding aan de bewindvoerder had moeten worden betekend en zij bepleiten op die grond de nietigheid van de inleidende dagvaarding. Het hof volgt hen hierin niet. Artikel 52 Rv bevat een regeling voor de wijze waarop een exploot moet worden betekend, indien het is bestemd voor een curator in een faillissement, een bewindvoerder in een surséance van betaling dan wel in een schuldsaneringsregeling natuurlijke personen. Artikel 52 Rv bevat aldus niet een regeling voor de wijze van betekening aan de bewindvoerder in het kader van de noodregeling van artikel 71 Wtk 1992. Met artikel 120 Rv valt niet te verenigen dat de regeling van artikel 52 Rv wordt uitgebreid tot die bewindvoerder, waar nietigheid slechts is verbonden aan het niet in acht nemen van expliciet op straffe van nietigheid voorgeschreven formaliteiten (zie HR 19 juni 1998, NJ 1998, 670). Enige andere wetsbepaling verbindt evenmin nietigheid aan het niet uitbrengen van de inleidende dagvaarding aan een bewindvoerder in het kader van de noodregeling van artikel 71 Wtk 1992. Het beroep van A/B en Belba op de nietigheid van de inleidende dagvaarding faalt daarom.

3.3 Vast staat dat de appeldagvaarding aan A/B en Belba is betekend nadat de noodregeling is geëindigd. [appellante] kan in zoverre in het hoger beroep worden ontvangen. A/B en Belba beroepen zich op de niet-ontvankelijkheid van [appellante] in haar vorderingen tegen hen omdat zij in eerste aanleg ten onrechte in rechte zijn betrokken in plaats van de bewindvoerder. Ingevolge artikel 72 lid 1 Wtk 1992 oefent de bewindvoerder bij uitsluiting alle bevoegdheden van de organen van de kredietinstelling uit. Met die bepaling is niet verenigbaar dat de onder bewind gestelde kredietinstelling ten processe zelfstandig, buiten de bewindvoerder om, al dan niet verweer voert in geval van rechtsvorderingen die betrekking hebben op tot het onder bewind gestelde vermogen behorende verplichtingen. In dat geval kunnen immers de belangen van de gezamenlijke schuldeisers, waarvoor de bewindvoerder op de voet van artikel 72 lid 2 Wtk 1992 heeft te waken, worden geschaad. Dit brengt met zich, waarbij het hof aansluit bij de regeling in artikel 231 lid 3 Fw voor de surseance van betaling nu op grond van de wetsgeschiedenis de noodregeling een zoveel mogelijk op het systeem van de surseance van betaling afgestemde moratoriumprocedure is (TK, 1986-1987, 19806, nr. 3, blz. 3), dat rechtsvorderingen als de onderhavige tegen de bewindvoerder moeten worden ingesteld, dan wel dat de medewerking van de bewindvoeder is vereist voor het in rechte verwerend optreden. Het onderhavige geval kenmerkt zich er echter door dat beide vennootschappen in eerste aanleg niet zijn verschenen, het bewind reeds was geëindigd voordat bij het bestreden vonnis (bij vervroeging) uitspraak werd gedaan en dat vonnis niet een veroordeling van de voorheen onder bewind gestelde vennootschappen inhield. Daarom valt niet in te zien dat de belangen van de gezamenlijke schuldeisers zijn geschaad door de bewindvoerder niet in rechte te betrekken en evenmin dat A/B en Belba als gevolg van het missen van een feitelijke instantie in hun belangen zijn geschaad. Niet blijkt dat zij als gevolg van het missen van een feitelijke instantie onredelijk in hun verdediging zijn bemoeilijkt, waar zij in hoger beroep hun standpunten ten volle, ook bij pleidooi, voor het voetlicht hebben kunnen brengen. Geen grond bestaat daarom voor de bepleite niet-ontvankelijkheid, nu bovendien niet kan worden aangenomen dat een goede procesorde zich tegen ontvankelijkheid verzet.

Grief 1, die is gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van [appellante] in haar vorderingen tegen A/B en Belba, slaagt daarom.

3.4 [appellante] heeft in hoger beroep subsidiair, voor het geval de vorderingen tegen [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] worden afgewezen, haar vorderingen tegen A/B en Belba vermeerderd met het primair gevorderde van [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] en de grondslag daarvan gewijzigd. Op de voet van artikel 130 Rv is [appellante] in beginsel tot die vermeerdering en wijziging bevoegd. Geen feiten en omstandigheden zijn gesteld of gebleken die meebrengen dat bedoelde vermeerdering en wijziging in strijd zijn met de eisen van een goede procesorde. Het bezwaar dat (kennelijk) beide vennootschappen tegen die vermeerdering en wijziging maken kan daarom niet worden gehonoreerd.

3.5 Partijen zijn onder meer verdeeld over de hoogte van de declaraties. Vast staat dat [appellante] daarom, staande de procedure in eerste aanleg, begroting van die declaraties heeft verzocht aan de Raad van Toezicht. De behandeling van dat verzoek is aangehouden in afwachting van de afloop van de onderhavige procedure. Geïntimeerden stellen terecht dat de artikelen 32-40 Wet tarieven in burgerlijke zaken (verder: WTBZ) van toepassing zijn op het begrotingsverzoek. Zij stellen voorts dat de in die artikelen voorgeschreven bijzondere rechtsgang leidt tot de niet-ontvankelijkheid van [appellante] in haar vordering. Die stelling gaat niet op. De bijzondere rechtsgang van de artikelen 32-40 WTBZ werpt de vraag op in hoeverre de burgerlijke rechter bevoegd is kennis te nemen van de vordering tot betaling van declaraties van een advocaat. Volgens vaste rechtspraak kunnen de artikelen 32-40 WTBZ alleen worden toegepast ingeval van een geschil over de hoogte van het gedeclareerde honorarium en niet in geschillen die niet de omvang van het gedeclareerde honorarium betreffen (HR 18 juni 1993, NJ 1994, 4 en HR 12 oktober 2001, NJ 2002, 165). Geïntimeerden voeren naast hun betwisting van de hoogte van de declaraties ook andere verweren tegen de vorderingen aan. Daarom stond het [appellante] vrij zich te wenden tot de burgerlijke rechter opdat deze allereerst die andere verweren beoordeelt. De rechtbank behoefde zich daarom niet onbevoegd te verklaren en ook het hof zal dat niet aanstonds mogen doen. Het hof is daarom bevoegd over de navolgende geschilpunten te oordelen.

3.6 Het hof constateert dat [appellante], ook na daarop bij memorie van antwoord onder 2 en ter gelegenheid van de pleidooien in hoger beroep te zijn gewezen, geen helderheid heeft verschaft hoe de primair en subsidiair gevorderde bedragen zich tot ieder der geïntimeerden verhouden. De hoofdelijke veroordeling van A/B en Belba respectievelijk van [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] is niet gevorderd, hun hoofdelijke verbondenheid is niet gesteld en evenmin zijn feiten of omstandigheden gesteld die hoofdelijke verbondenheid tot gevolg hebben. De veroordeling van A/B en Belba respectievelijk van [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] voor gelijke dan wel ongelijke delen is evenmin gevorderd, enige (concrete) stelling daaromtrent ontbreekt en ook ontbreken gestelde feiten of omstandigheden waaruit een beoogde veroordeling tot gelijke dan wel ongelijke delen kan worden afgeleid. Aldus is onbegrijpelijk tot welk bedrag tegen welke geïntimeerde de vorderingen strekken. Dit is niet anders indien sprake zou zijn van verwevenheid van beide vennootschappen, [geïntimeerde sub 3] “het allemaal als één grote pot [beschouwt]”, ook gemeld “is (..) dat de privé-tegoeden feitelijk toebehoorden aan de vennootschappen” en uit de facturen kan worden afgeleid welke factuur aan welke geïntimeerde kan worden toegerekend (zie ondermeer onder 23 pleitnota [appellante]). De vorderingen zullen reeds hierom worden afgewezen, met passering van het (algemene) bewijsaanbod omdat aan bewijslevering niet kan worden toegekomen.

3.7 Hieraan kan wat betreft de vordering tot betaling van gedeclareerde verleende juridische bijstand vanaf 18 november 2004 nog het volgende worden toegevoegd.

Te dien aanzien stelt [appellante] in eerste aanleg dat [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] niet duidelijk hebben gemaakt - en voor haar ook niet duidelijk was als gevolg van een verwevenheid tussen hun zakelijk en privé handelen - of de opdracht tot het verlenen van juridische bijstand door (een van) de vennootschappen dan wel door (een van) hen persoonlijk is verstrekt en dat deze kwestie niet expliciet aan de orde is geweest (zie onder 2 inleidende dagvaarding, 3 en 4 conclusie van repliek in conventie, 5 en 6 conclusie van antwoord in reconventie). Het hof begrijpt hieruit dat [appellante] zich in eerste aanleg op het standpunt stelt dat met geen van geïntimeerden expliciet is overeengekomen in opdracht en voor rekening van welke geïntimeerde juridische bijstand vanaf 18 november 2004 zou worden verleend. Dit lijkt te stroken met de tenaamstelling van de verzonden declaraties (met dien verstande dat Belba daarin niet voorkomt).

[appellante] stelt evenwel in hoger beroep in de toelichting op grief 2 dat “afgesproken is (dat) [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] tevens als opdrachtgevers zouden fungeren” (zie onder 16 memorie van grieven). Ter gelegenheid van de pleidooien in hoger beroep bepleit [appellante] “dat [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] opdracht hebben gegeven voor de na 18 november 2004 namens Belba en A/B verrichte proceshandelingen”. Zij verwijst naar een bespreking op 29 november 2004 ten kantore van geïntimeerden ter gelegenheid waarvan telefonisch overleg met de cassatieadvocaat heeft plaatsgehad en geïntimeerden - kennelijk: [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] - naar aanleiding van het hen gegeven advies hebben besloten hoger beroep en cassatie in te stellen (zie onder 5, 8 en 14 pleitnota [appellante]).

In samenhang bezien met de vermeerdering van eis leidt het hof hieruit af dat [appellante] inmiddels aan haar vordering wat betreft de vanaf 18 november 2004 verleende bijstand ten grondslag legt dat [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] haar het verlenen van juridische bijstand sedertdien (in de op naam van beide vennootschappen gevoerde appel- en cassatieprocedures) (expliciet) hebben opgedragen, primair namens hen in privé en subsidiair namens beide vennootschappen.

3.8 Niet staat vast dat [appellante] is opgedragen vanaf 18 november 2004 juridische bijstand te verlenen. Geïntimeerden verweren zich met de stelling dat [appellante] ernstig tekort is geschoten in de verleende bijstand voorafgaand aan 18 november 2004 en dat zij vervolgens getracht heeft haar tekortschieten ongedaan te maken met het voeren van de procedures in hoger beroep en cassatie. Ook indien dit anders is en ervan kan worden uitgegaan dat [geïntimeerde sub 3] en (of) [geïntimeerde sub 4] haar inderdaad hebben (heeft) opgedragen vanaf 18 november 2004 juridische bijstand te verlenen, kan dat [appellante] niet baten, zoals uit het navolgende blijkt.

3.9 Bij de beantwoording van de vraag of [geïntimeerde sub 3] en (of) [geïntimeerde sub 4] zich met het verstrekken van de - betwiste - opdracht in privé hebben (heeft) verbonden, komt het aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaar verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

3.10 De rechtbank heeft in het bestreden vonnis vastgesteld dat de als gevolg van de noodregeling gewijzigde zeggenschapsrelatie van [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] ten opzichte van beide vennootschappen en de financiële consequenties van verdere rechtsmaatregelen (in cassatie) geen onderwerp van bespreking tussen hen en [appellante] zijn geweest. [appellante] heeft vervolgens (onder 21 memorie van grieven) gesteld dat daarbij wel degelijk is stilgestaan. Zij heeft die stelling evenwel niet met feiten en omstandigheden geconcretiseerd. [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] hebben (onder 15 memorie van antwoord) erop gewezen dat de hiervoor vermelde vaststelling van de rechtbank strookt met de verklaring van mr [advocaat 2 van appellante] ter comparitie van partijen in eerste aanleg. [appellante] heeft dat vervolgens niet bestreden. Integendeel, mr [advocaat 2 van appellante] heeft namens [appellante] ter gelegenheid van de pleidooien in hoger beroep desgevraagd verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat de rechtsgevolgen van het bewind, in het bijzonder dat de bewindvoerder bij uitsluiting alle bevoegdheden van de organen van de kredietinstelling uitoefent, met [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] in dit verband zijn besproken. Ook in hoger beroep blijkt niet dat [appellante] een na 18 november 2004 te hanteren uurtarief en een schatting van de aan de procedures in hoger beroep en cassatie te besteden tijd aan [geïntimeerde sub 3] en (of) [geïntimeerde sub 4] heeft kenbaar gemaakt, dan wel enige andere tariefafspraak met [geïntimeerde sub 3] en/of [geïntimeerde sub 4] heeft besproken, terwijl daarvoor in de situatie van de door haar bepleite, voor rekening van [geïntimeerde sub 3] en/of [geïntimeerde sub 4] in privé gegeven opdracht, ook indien sprake zou zijn van de door [appellante] betoogde spoedeisendheid, alle reden was. In dat geval zou zich immers een wijziging van de voordien bestaande overeenkomst tot het verlenen van bijstand met A/B en (of) Belba hebben voorgedaan en zou een nieuwe overeenkomst tussen [appellante] en [geïntimeerde sub 3] en (of) [geïntimeerde sub 4] in privé tot stand zijn gekomen. De tenaamstelling van de verzonden declaraties op A/B voor de na 18 november 2004 verleende bijstand lijkt evenmin overeen te stemmen met het inmiddels in hoger beroep betrokken standpunt dat [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] voor eigen rekening opdracht tot het verlenen van juridische bijstand hebben gegeven. Anders dan [appellante] betoogt, kan aan de verscheidene overgelegde e-mails van [geïntimeerde sub 4] (zie onder 17 en 19 memorie van grieven; producties 3 en 4 inleidende dagvaarding, 9 en 11 conclusie van repliek in conventie), het gegeven van het bewind, de mogelijk door de bewindvoerder te dien aanzien aan [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] verstrekte informatie, het eventuele persoonlijke belang van [geïntimeerde sub 3] en (of) [geïntimeerde sub 4] bij de appel- en cassatieprocedures, de mogelijke verwevenheid van beide vennootschappen en privé-personen, noch eventuele rechtsverhoudingen van [geïntimeerde sub 3] en (of) [geïntimeerde sub 4] met andere dienstverleners, een en ander ook in onderling verband bezien, niet de strekking worden toegekend dat partijen daaruit over en weer redelijkerwijs hebben mogen afleiden dat [geïntimeerde sub 3] en/of [geïntimeerde sub 4] zich jegens [appellante] in privé verbonden. Het treffen van een betalingsregeling met [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] (zie productie 14 conclusie van repliek in conventie) maakt dit niet anders, te meer nu [appellante] in het onderhavige geding geen nakoming van die regeling vordert.

Uit een ander volgt dat [appellante] geen concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit blijkt dat zij redelijkerwijs heeft mogen begrijpen dat [geïntimeerde sub 3] en/of [geïntimeerde sub 4] zich jegens haar in privé verbond(en). Aan bewijslevering komt het hof daarom niet toe.

De primaire grondslag faalt, evenals grief 2.

3.11 De subsidiaire grondslag faalt eveneens.

[appellante] heeft tegenover de gemotiveerde betwisting niet met concrete feiten en omstandigheden onderbouwd dat de - bestreden - opdracht namens (een van) beide vennootschappen is gegeven. Anders dan [appellante] (onder 23 van de memorie van grieven) kennelijk bedoelt te stellen, blijkt niet dat (een van) beide vennootschappen hebben (heeft) erkend dat de juridische bijstand in haar opdracht is verleend. Het tegendeel is het geval (zie onder 21 memorie van antwoord, pagina 5 pleitnota mr Abels). Overigens voert [appellante] niets ter onderbouwing van haar subsidiaire vordering aan. De omstandigheid dat ten processe niet is komen vast te staan dat [geïntimeerde sub 3] en (of) [geïntimeerde sub 4] zich in privé jegens [appellante] hebben (heeft) verbonden, brengt op zich zelf nog niet met zich dat [geïntimeerde sub 3] en (of) [geïntimeerde sub 4] daarom namens (een van) beide vennootschappen zijn (is) opgetreden.

3.12 De slotsom is als volgt. Grief 1 is terecht voorgesteld zodat het bestreden vonnis zal worden vernietigd, voor zover daarbij [appellante] in haar vorderingen tegen A/B en Belba niet-ontvankelijk is verklaard. Grief 1 mist evenwel doel omdat die vorderingen zullen worden afgewezen. Grief 2 faalt, de vorderingen tegen [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] zijn niet toewijsbaar. Het bestreden vonnis zal in zoverre worden bekrachtigd. [appellante] zal als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het hoger beroep worden verwezen.

4 De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

vernietigt het tussen partijen in conventie gewezen vonnis van de rechtbank Almelo van 17 januari 2007, voor zover daarbij [appellante] in haar vorderingen tegen A/B en Belba niet-ontvankelijk is verklaard en doet in zoverre op nieuw recht:

wijst de vorderingen tegen A/B en Belba af;

bekrachtigt dat vonnis voor het overige, voor zover in hoger beroep ter beoordeling;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van A/B, Belba, [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] gevallen en begroot op € 2.365 voor griffierecht en € 4.893,- voor procureurssalaris;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs Wesseling-Lubberink, Valk en Bauw en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 mei 2008.