Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BD5802

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
24-06-2008
Datum publicatie
30-06-2008
Zaaknummer
107.001.992/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof stelt vast dat de bank in eerste aanleg niet heeft gesteld dat het ontvangene [appellant] tot werkelijk voordeel heeft gestrekt of dat het ontvangene in de macht van zijn wettelijk vertegenwoordiger is gekomen.

De stelling van de bank dat de gelden telkens direct na overmaking op zijn bankrekening door [appellant] zijn opgenomen kan niet als zodanig gelden, nu die stelling niet meer impliceert dan dat de gelden ooit in het vermogen van [appellant] zijn gevloeid en door hem cash zijn opgenomen.

Als gezegd heeft de bank op dit punt in hoger beroep niet meer gesteld dan dat "[appellant] de enige is die voordeel heeft gehad van de transactie en dat zijn minderjarigheid daar niets aan af doet". Het hof begrijpt die stelling aldus dat de bank stelt dat de gelden [appellant] tot werkelijk voordeel hebben gestrekt. [appellant] heeft dit evenwel gemotiveerd weersproken door te stellen dat hij is gedwongen zijn bankpas af te geven aan een medescholier (onder bekendmaking van de pincode) en dat laatstgenoemde en/of anderen telkens de bedragen van zijn rekening hebben opgenomen. De bank heeft dit weliswaar bestreden maar heeft harerzijds niets naders gesteld omtrent het tot werkelijk voordeel van [appellant] hebben gestrekt van de onverschuldigde betalingen, terwijl zij evenmin voldoende gespecificeerd bewijs heeft aangeboden van die stelling. Aan het in algemene bewoordingen gestelde bewijsaanbod van de bank gaat het hof voorbij, nu dit niet voldoet aan de daaraan in hoger beroep te stellen eisen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 24 juni 2008

Zaaknummer 107.001.992/01

HET GERECHTSHOF TE ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [appellant],

toevoeging aangevraagd,

procureur: mr. J.A. Schadd,

voor wie gepleit heeft mr. R. Charité, advocaat te 's Gravenhage,

tegen

ABN AMRO Bank N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: de bank,

procureur: mr. B.P.J. van Riel,

voor wie gepleit heeft mr. R.P.M. Janse van Mantgem, advocaat te Amsterdam.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 20 december 2006 en 6 juni 2007 door de rechtbank Zwolle-Lelystad.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 3 juli 2007, hersteld bij exploot van 13 augustus 2007 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van de genoemde vonnissen met dagvaarding van de bank tegen de zitting van 21 augustus 2007.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"te vernietigen de vonnissen van de Rechtbank te Zwolle-Lelystad op 20 december 2006 en 6 juni 2007 onder rolnummer 06-1257, voorzover inhoudende een eindbeslissing, gewezen, en opnieuw rechtdoende, geïntimeerde in haar vordering c.q. vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar die te ontzeggen, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties".

Bij memorie van antwoord is door de bank verweer gevoerd met als conclusie:

"de vonnissen waarvan beroep te bekrachtigen, met veroordeling van appellant in de kosten van deze procedure, zowel in eerste aanleg alsmede in hoger beroep".

Vervolgens hebben partijen hun zaak doen bepleiten door hun advocaten onder overlegging van pleitnota's. Bij deze gelegenheid is door [appellant] tevens een akte genomen.

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft twee grieven opgeworpen.

De beoordeling

De ontvankelijkheid van de appellant

1. Tegen het vonnis van 20 december 2006, waarbij een comparitie van partijen is bevolen, zijn geen grieven aangevoerd zodat [appellant] in het appel van dat vonnis niet zal worden ontvangen.

De vaststaande feiten

2. De rechtbank heeft in het vonnis van 6 juni 2007 onder 2 (2.1 tot en met 2.5) een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Daaromtrent bestaat tussen partijen geen geschil, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan. Aangevuld met wat in hoger beroep nog is gesteld en niet weersproken, staan de volgende feiten staan vast.

2.1 Door een cliënt van de bank, de heer [betrokkene 1], is op 22 maart 2005 een TIN-code aangevraagd. De brief met de TIN-code is vervolgens door de bank centraal via de TPG verstuurd naar het huisadres van [betrokkene 1]. [betrokkene 1] heeft meegedeeld dat hij deze brief nooit heeft ontvangen.

2.2 Van de rekening van [betrokkene 1] bij de bank zijn daarop in de maanden april en mei 2005 diverse bedragen tot een totaalbedrag van € 39.000,00 afgeschreven. Dit bedrag is overgeboekt naar de rekening van [appellant]. [betrokkene 1] had hiertoe geen opdracht gegeven.

2.3 [appellant] is geboren op [geboortejaar 1987] en was derhalve ten tijde van de ontvangst van de hiervoor bedoelde bedragen tot in totaal € 39.000,00 minderjarig (17 jaar oud).

2.4 Zowel [betrokkene 1] als de bank hebben aangifte gedaan van fraude/oplichting.

De bank heeft het bedrag van € 39.000,00 aan [betrokkene 1] betaald. [betrokkene 1] heeft daarop zijn vordering op [appellant] middels een akte van cessie aan de bank overgedragen.

2.5 Bij brief van 15 februari 2006 heeft de bank [appellant] gesommeerd om tot algehele betaling over te gaan voor 25 februari 2006. [appellant] heeft niet betaald.

Het geschil

3. De bank vordert van [appellant] betaling van genoemd bedrag van € 39.000,00, vermeerderd met rente en kosten. Zij baseert deze vordering (uitsluitend) op onverschuldigde betaling.

4. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis van 6 juni 2007, onder verwerping van het door [appellant] gevoerde verweer, de vordering van de bank toegewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten.

Nieuwe grief in de akte van 17 april 2008, genomen bij gelegenheid van de pleidooien

5. In zijn akte van 17 april 2008 voert [appellant] een niet eerder in hoger beroep naar voren gebrachte grond aan die moet leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis, namelijk dat de rechtbank artikel 6: 209 BW heeft miskend. In zijn pleidooi heeft de raadsman van [appellant] deze nieuwe grief nader toegelicht.

6. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

6.1 Uitgangspunt is dat alle grieven in de memorie van grieven naar voren dienen te worden gebracht en dat later aangevoerde grieven buiten behandeling blijven, tenzij de geïntimeerde er ondubbelzinnig mee heeft ingestemd dat ze in de beoordeling worden betrokken (o.a. HR 11 november 1983, NJ 1984/298). Dit laatste moet op grond van de jurisprudentie van de Hoge Raad reeds worden aangenomen indien de geïntimeerde inhoudelijk op de grief ingaat zonder bezwaar te maken tegen het tijdstip waarop de grief werd opgeworpen (HR 15 oktober 1999, NJ 2000/21).

6.2 In het onderhavige geval heeft de raadsman van de bank bij aanvang van de pleidooien op een vraag van de voorzitter van het hof namens de bank meegedeeld dat hij geen bezwaar had tegen het nemen van bedoelde akte. Vervolgens is hij in zijn pleidooi, zonder enig bezwaar of voorbehoud, op de hiervoor bedoelde nieuwe grief ingegaan, door te betogen dat "[appellant] de enige is die voordeel heeft gehad van de transactie en dat zijn minderjarigheid daar niets aan af doet".

6.3 In lijn met de hiervoor beschreven jurisprudentie van de Hoge Raad moet de bank aldus geacht worden ondubbelzinnig te hebben ingestemd met het aanvoeren van de nieuwe grief in een zo laat stadium. Derhalve zal deze nieuwe grief in de beoordeling van het appel worden betrokken.

De inhoudelijke bespreking van de grieven

7. Het hof ziet aanleiding eerst de hiervoor bedoelde bij akte van 17 april 2008 ontwikkelde grief te bespreken. Als gezegd, houdt deze grief in dat de rechtbank in haar beoordeling artikel 6: 209 BW heeft miskend. Ingevolge deze bepaling rust op de onbekwame aan wie onverschuldigd is betaald slechts de verplichting tot teruggave c.q. ongedaanmaking voor zover het ontvangene hem tot werkelijk voordeel heeft gestrekt of in de macht van zijn wettelijk vertegenwoordiger is gekomen. Dit geldt ook indien de onbekwame zich te kwader trouw heeft gedragen. Onder omstandigheden zal uit onrechtmatige daad tegen hem kunnen worden geageerd (TM, Parl. Gesch. 6, p. 816).

8. Het hof stelt vast dat de bank in eerste aanleg niet heeft gesteld dat het ontvangene [appellant] tot werkelijk voordeel heeft gestrekt of dat het ontvangene in de macht van zijn wettelijk vertegenwoordiger is gekomen.

De stelling van de bank dat de gelden telkens direct na overmaking op zijn bankrekening door [appellant] zijn opgenomen kan niet als zodanig gelden, nu die stelling niet meer impliceert dan dat de gelden ooit in het vermogen van [appellant] zijn gevloeid en door hem cash zijn opgenomen.

9. Als gezegd heeft de bank op dit punt in hoger beroep niet meer gesteld dan dat "[appellant] de enige is die voordeel heeft gehad van de transactie en dat zijn minderjarigheid daar niets aan af doet". Het hof begrijpt die stelling aldus dat de bank stelt dat de gelden [appellant] tot werkelijk voordeel hebben gestrekt. [appellant] heeft dit evenwel gemotiveerd weersproken door te stellen dat hij is gedwongen zijn bankpas af te geven aan een medescholier (onder bekendmaking van de pincode) en dat laatstgenoemde en/of anderen telkens de bedragen van zijn rekening hebben opgenomen. De bank heeft dit weliswaar bestreden maar heeft harerzijds niets naders gesteld omtrent het tot werkelijk voordeel van [appellant] hebben gestrekt van de onverschuldigde betalingen, terwijl zij evenmin voldoende gespecificeerd bewijs heeft aangeboden van die stelling. Aan het in algemene bewoordingen gestelde bewijsaanbod van de bank gaat het hof voorbij, nu dit niet voldoet aan de daaraan in hoger beroep te stellen eisen.

10. De onderhavige grief slaagt dan ook. Bij de bespreking van de in de memorie van grieven naar voren gebrachte grief bestaat daarnaast geen belang. Het beroepen vonnis zal worden vernietigd en de vordering van de bank zal alsnog worden afgewezen met veroordeling van de bank in de kosten van beide instanties (2 punten in eerste aanleg en 3 in appel, tarief IV).

De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn appel van het vonnis van 20 december 2006;

vernietigt het vonnis van 6 juni 2007 waarvan beroep

en opnieuw rechtdoende:

wijst de vordering van de bank af;

veroordeelt de bank in de kosten van het geding in beide instanties en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant]:

in eerste aanleg op € 925,00 aan verschotten en € 1.788,00 aan salaris voor de procureur,

in hoger beroep op € 1.344,31 aan verschotten en € 4.893,00 aan salaris voor de procureur;

bepaalt dat van voormelde bedragen aan de griffier dient te worden voldaan

€ 1.230,31 aan verschotten en € 6.681,00 aan salaris voor de procureur, die daarmee zal handelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 243 Rv;

Aldus gewezen door mrs. Janse, voorzitter, Zandbergen en Schepen, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 24 juni 2008 in bijzijn van de griffier.