Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BD5664

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
08-05-2008
Datum publicatie
27-06-2008
Zaaknummer
04-02000
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Leges.

Vaststelling geraamde bouwkosten van winkels met bovenwoningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008, 1347
FutD 2008-1459
Belastingblad 2008/1097
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

eerste meervoudige belastingkamer

nummer 04/02000

Proces-verbaal mondelinge uitspraak t

belanghebbende : Bouwbedrijf X B.V.

te : Z

verweerder : de heffingsambtenaar van de gemeente P (hierna: de Ambtenaar)

aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaar

betreft : leges (dagtekening factuur 23 april 2004)

nummer : 2004.085

mondelinge behandeling : op 29 maart 2006 door de tiende enkelvoudige belastingkamer van het Hof en op 24 april 2008 door de eerste meervoudige belastingkamer van het Hof

waarbij verschenen : in de eerste zitting: de directeur van belanghebbende en de Ambtenaar

: in de tweede zitting: de Ambtenaar; belanghebbende is met kennisgeving aan het Hof niet verschenen

gronden:

1. Belanghebbende heeft op 18 februari 2004 een bouwvergunning aangevraagd bij de gemeente P voor de bouw van drie winkels met daarboven drie appartementen op het perceel kadastraal bekend gemeente P, sectie A, nummer 1. Dit perceel is gelegen in het centrum van P. De inhoud van de drie winkels bedraagt tezamen 1067 m3. De inhoud van de drie woningen beloopt tezamen 1723 m³.

2. Ter zake van het in behandeling nemen van deze aanvraag heeft de Ambtenaar belanghebbende leges in rekening gebracht ten bedrage van (in totaal) € 11.656,35. Daarbij is de Ambtenaar uitgegaan van een heffingsgrondslag (bouwkosten) van € 845.000. Deze heffingsgrondslag is gegrond op een door de Ambtenaar gemaakte raming van de bouwkosten, welke raming is berekend door de inhoud van de opstallen (2790 m3) te vermenigvuldigen met een door de gemeente in 2004 gehanteerd standaardbedrag aan bouwkosten per m³ voor winkels met bovenwoning(en) van € 303.

3. In beroep bestrijdt belanghebbende de hoogte van de heffingsgrondslag. Zij concludeert – nader – tot een heffingsgrondslag van € 631.499, te weten € 461.499 voor de woningen en € 170.000 voor de winkels.

4. Ingevolge onderdeel 5.2 in verbinding met onderdeel 5.2.3 van de bij de Legesverordening van 29 oktober 2003 behorende tarieventabel bedraagt – voorzover te dezen van belang – het tarief ter zake van het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een reguliere bouwvergunning (…) € 38,60 vermeerderd met 1,27% van de bouwkosten.

5. Onder bouwkosten wordt blijkens artikel 5.1 van de tarieventabel verstaan de aannemingssom als bedoeld in par. 1, lid 1, van de Uniforme administratieve voorwaarden voor de uitvoering van werken 1989 (U.A.V. 1989), voor het uit te voeren werk of, voor zover deze ontbreekt, een raming van de bouwkosten als bedoeld in het normblad NEN 2631, uitgave 1979, of zoals dit normblad laatstelijk is vervangen of gewijzigd.

6. Tussen partijen is niet in geschil dat voor het vaststellen van de heffingsgrondslag te dezen – bij gebreke van een aanneemsom – dient te worden uitgegaan van een raming van de bouwkosten van de winkels en woningen.

7. In dit verband moet worden vooropgesteld dat bij het ramen van de bouwkosten als bedoeld in het normblad NEN 2631 dient te worden uitgegaan – met het oog op een gelijke behandeling van gelijke gevallen – van objectieve feiten en omstandigheden. Dit betekent dat de bouwkosten dienen te worden geraamd op de kosten die in het economische verkeer, tussen onafhankelijke partijen, tot stand komen.

8. Partijen verschillen niet van mening dat de bouwkosten van de drie woningen op een bedrag van € 461.499 kunnen worden geraamd, ofwel € 267 per m³ (€ 461.499 gedeeld door 1723). Dit betekent dat het door de Ambtenaar gehanteerde uitgangspunt van € 303 per m³ voor zowel de winkels als de woningen, voor wat betreft de woningen niet als juist kan worden aanvaard.

9. Het Hof acht, gelet op het bijzondere karakter van de opstallen – qua ligging en bouwwijze –, aannemelijk dat de bouwkosten per m³ van de winkels vergelijkbaar zijn met die van de bovenwoningen, zodat voor de raming van de bouwkosten van de winkels eveneens dient te worden uitgegaan van een bedrag van € 267 per m³. Dit leidt tot een totaalbedrag van € 284.889 voor de winkels. Gelet hierop en gelet op het hiervóór onder 7 door het Hof geformuleerde uitgangspunt, kan het door belanghebbende en A B.V. overeengekomen bedrag van € 170.000 ter zake van de bouw van de winkels te dezen niet als grondslag dienen voor de berekening van de verschuldigde leges.

10. Uit het vorenoverwogene volgt dat een – objectieve – raming van de bouwkosten als bedoeld in het normblad NEN 2631 leidt tot een bedrag van € 746.388.

11. De verschuldigde leges dienen nader te worden vastgesteld op: € 38,60 plus (1,27% van € 746.388 =) € 9479,13 is € 9517,72, welk bedrag op grond van de tarieventabel (onderdeel 5.2.3) naar boven moet worden afgerond op € 9518. Daarbij dient voorts te worden opgeteld € 4,35 voor kosten kadaster en € 846 voor welstand (onderdeel 5.3 van de tarieventabel), derhalve in totaal op € 10.368,35.

12. Het beroep van belanghebbende is gedeeltelijk gegrond.

proceskosten:

Het Hof acht termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht berekent het Hof deze kosten op: € 212,36 (4 uren à € 53,09) voor verletkosten en € 56 voor reis- en verblijfkosten, derhalve in totaal op € 268,36.

beslissing:

Het Gerechtshof:

– verklaart het beroep gegrond;

– vernietigt de uitspraak op bezwaar;

– vermindert de aan belanghebbende in rekening gebrachte leges tot een bedrag van € 10.368,35;

– gelast de gemeente P aan belanghebbende te vergoeden het door deze betaalde griffierecht van € 273;

– veroordeelt de Ambtenaar in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 268,36 en wijst de gemeente P aan als de rechtspersoon die deze kosten aan belanghebbende dient te vergoeden.

Aldus gedaan op 8 mei 2008 door mr. R. den Ouden, voorzitter, mr. J.P.M Kooijmans, mr. J.M. Monsma. De beslissing is op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. W.J.N.M. Snoijink als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, De voorzitter,

(W.J.N.M. Snoijink) (R. den Ouden)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 26 mei 2008

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt u de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren.