Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BD5552

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
27-06-2008
Datum publicatie
27-06-2008
Zaaknummer
21-003870-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Straatschenderij en baldadigheid in de zin van artikel 424 van het Wetboek van Strafrecht. Gelet op de wetsgeschiedenis en de daarin neergelegde bedoeling van de wetgever met de strafbaarstelling van baldadigheid en de betekenis die in de jurisprudentie daaraan is gegeven, is het hof van oordeel dat van baldadigheid in de zin van de wet geen sprake is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2008, 187
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 21-003870-07

Uitspraak d.d.: 27 juni 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Arnhem

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter te Enschede van 24 september 2007 in de strafzaak tegen

Verdachte

geboren te

wonende te

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 13 juni 2008 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. R. Oude Breuil, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen om proceseconomische redenen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

dat hij op of omstreeks 15 september 2006 te Enschede op of aan de openbare weg, de Oude Markt, tegen goederen baldadigheid heeft gepleegd, waardoor gevaar of nadeel kon worden teweeggebracht, bestaande die baldadigheid uit halen van een vlag uit een aan die weg staande vlaggenmast.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt in het bijzonder:

Op 15 september 2006 hing in het centrum van Enschede een viertal Nederlandse vlaggen, waarbij op de witte baan het woord “Jihad” was gedrukt. Deze vlaggen hingen als kunstwerk in vlaggenmasten in het kader van een jaarlijkse Enschedese expositie (het zgn. Gogbot-festival). Verdachte heeft verklaard dat de vlaggen enkele uren eerder die dag waren gehesen en dat hij daaraan aanstoot nam. Hij vond de vlaggen shockerend en haatzaaiend. Om die reden is verdachte in een vlaggenmast geklommen en heeft hij een vlag naar beneden gehaald. Daarop werd hij aangehouden door de politie.

De raadsman heeft gemotiveerd verweer gevoerd, zoals weergegeven in zijn pleitnota. Bij de beoordeling van het verweer stelt het hof voorop dat het – gelet op hetgeen verdachte ter terechtzitting heeft aangevoerd – aannemelijk acht dat verdachte heeft gehandeld om de redenen die hij heeft aangegeven en niet – zoals de advocaat-generaal heeft gesteld – in een dronkemansbui. Overigens heeft verdachte ook direct tegen de politie gezegd dat hij de vlaggen haatzaaiend vond.

Door de wetgever is niet concreet omschreven wat onder baldadigheid in de zin van art. 424 Sr moet worden verstaan. Blijkens de wetsgeschiedenis heeft de wetgever dit probleem onder-kend. “Artikel 424 Sr is juist geschreven voor de vele gevallen waarin baldadigheid op zich zelve niet zou vallen onder eene bepaling van het Tweede Boek. Bijv. op het doen schrikken van paarden, het werpen van sneeuwballen, het werpen van vuil tegen een huis, het bekladden van een pas geverfde deur, kortom op feiten, die op zich zelve beschouwd niet of althans niet in den regel niet vallen onder de bepalingen van het Tweede Boek.”

In de memorie van toelichting wordt voorts overwogen dat baldadigheid een “zeer eigenaardige wilsuiting” veronderstelt die niet, zoals bij de meeste opzettelijke handelingen, als middel is aan te merken, maar juist als doel.

Voor baldadig handelen moet blijken van handelen met de wil om kwaad te doen of een ander overlast te berokkenen.

Verdachte heeft de vlag neergehaald met het doel een einde te maken aan de zijns inziens onoorbare kunstuiting.

Gelet op de wetsgeschiedenis en de daarin neergelegde bedoeling van de wetgever met de strafbaarstelling van baldadigheid en de betekenis die in de jurisprudentie daaraan is gegeven, is het hof van oordeel dat van baldadigheid in de zin van de wet geen sprake is.

Dat verdachte met zijn handelwijze mogelijk ongerechtvaardigd andere strafbepalingen heeft overtreden, dient in het licht van de door de tenlastelegging bepaalde omvang van de zaak onbesproken te blijven.

Het neerhalen van de vlag is onder de gegeven omstandigheden derhalve niet aan te merken als baldadig. Nu deze term ook in de tenlastelegging wordt vermeld en dit bestanddeel niet bewezen kan worden, moet verdachte van dit feit worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Aldus gewezen door

mr A.G. Coumans, voorzitter,

mr M. Barels en mr A. van Waarden, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr A.C. Wormgoor, griffier,

en op 27 juni 2008 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr A. van Waarden is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.