Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BD3935

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
10-04-2008
Datum publicatie
13-06-2008
Zaaknummer
200.001.908
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging van afwijzing verzoek tot toelating schuldsaneringsregeling in verband met de verplichte afwijzingsgrond van art. 288 lid 2 onder Fw. Poging tot buitengerechtelijke schuldregeling hier niet uitgevoerd door persoon of instelling als bedoeld in art. 48 lid 1 onder d WCK. Er is geen sprake van schuldbemiddeling om niet (art. 48 lid 1 onder a WCK) indien de kosten daarvan door derden worden gedragen. Bedoeling wetgever zou op die wijze worden doorkruist. Bovendien geen sprake van een gelijkwaardig traject in dit geval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10 april 2008

eerste civiele kamer

zaaknummer 200.001.908

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellant sub 1],

en

[appellante sub 2],

echtelieden, beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,

procureur: mr. K.J. Verrips.

1 Het geding in eerste aanleg

Bij vonnis van de rechtbank Arnhem van 4 februari 2008 is het verzoek van appellanten (hierna te noemen: [appellanten]) tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen.

Het hof verwijst naar voornoemd vonnis, dat in fotokopie aan dit arrest is gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij ter griffie van het hof op 8 februari 2008 ingekomen verzoekschrift zijn [appellanten] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis en hebben zij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en alsnog het verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling toe te wijzen.

2.2 Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift en de daarbij behorende stukken, alsmede van de brief van de procureur van [appellanten] van 25 februari 2008 met een bijlage.

2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 april 2008, waarbij [appellanten] zijn verschenen in persoon, bijgestaan door mr. R.C. Vermeer, advocaat te Rhenen. Voorts is verschenen drs. [A.], namens SVF Gelderse Vallei en Utrechtse Heuvelrug (hierna aan te duiden als SVF).

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1 [appellanten] zijn in algehele gemeenschap met elkaar gehuwd. Zij hebben een schuldenlast van in totaal ongeveer € 78.000,-

3.2 De rechtbank heeft het verzoek van [appellanten] om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling op grond van artikel 288 lid 2 sub b van de Faillissementswet (Fw) afgewezen omdat zij de poging om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen hebben laten uitvoeren door SVF, een particuliere schuldhulpinstelling, niet zijnde een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48, eerste lid van de Wet op het consumentenkrediet (WCK).

3.3 [appellanten] kunnen zich met de beslissing van de rechtbank niet verenigen. Zij stellen dat SVF, op dit moment nog geen erkende instelling in de zin van artikel 48 WCK, inmiddels een certificering heeft verzocht bij het Ministerie van Sociale Zaken. Zij stellen dat de Minister van Justitie in de memorie van antwoord bij het wetsvoorstel 29 942 de hoop heeft uitgesproken dat artikel 288 Fw op dit punt mild zal worden geïnterpreteerd. Het minnelijk traject dat zij hebben doorlopen is qua niveau gelijk te stellen met dat van een gecertificeerde instelling en bovendien zijn voor de schuldbemiddeling door SVF bij [appellanten] geen kosten in rekening gebracht. Er is geen reden om hen niet toe te laten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, aldus [appellanten]

3.4 Het hof oordeelt als volgt. Op grond van artikel 285 lid 1 onder f Fw moet het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling voorzien zijn van onder meer een met redenen omklede verklaring dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen, welke verklaring moet zijn afgegeven door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van de woon- of verblijfplaats van de schuldenaar. Voorts bepaalt artikel 288 lid 2, aanhef en onder b, Fw dat het verzoek tot toelating wordt afgewezen indien de poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling niet is uitgevoerd door een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48 lid 1 van de WCK. Artikel 48 lid 1 WCK bepaalt dat het in artikel 47 lid 1 van die wet bedoelde verbod (op schuldbemiddeling) niet van toepassing is wanneer het gaat om schuldbemiddeling: (a) om niet; (b) door gemeenten, gemeentelijke kredietbanken of andere door gemeenten gehouden instellingen, die zich krachtens hun doelstelling met schuldbemiddeling bezighouden; (c) door advocaten, procureurs, curatoren en bewindvoerders ingevolge de Faillissementswet aangesteld, notarissen, deurwaarders, registeraccountants en accountants-administratieconsulenten; (d) door natuurlijke personen of rechtspersonen, dan wel categorieën daarvan, aan te wijzen bij algemene maatregel van bestuur.

3.5 In de namens [appellanten] ingediende verklaring ex art. 285 Fw, opgemaakt door burgemeester en wethouders van de gemeente [...], staat (op blad 11) dat het minnelijk traject niet gestart is, met als reden: ‘minnelijk traject met ontbreken aflossingscapaciteit niet mogelijk’. Voorts staat in die verklaring (blad 9) dat zij is opgesteld naar aanleiding van een schrijven van SVF, waarbij ‘weinig informatie [was] bijgevoegd’. In de – naar aanleiding van het verzoek aan de rechtbank verzonden – brief van SVF van 2 januari 2008 met aanvullende informatie staat: ‘in 2007 hebben cliënten met mijn hulp een minnelijk akkoord voorbereid, maar de traag verlopen verkoop van de voormalige woning is pas recent afgerond. Schuldeiser ABN Amro dreigde inmiddels met het aanvragen van een faillissement, waarop ik heb besloten direct een verzoek tot toelating tot de Wsnp te gaan indienen’. Ter zitting is van de zijde van SVF naar voren gebracht dat tijdens de afwikkeling van de verkoop van de woning van [appellanten] reeds gebleken was dat twee schuldeisers niet bereid zouden zijn aan een buitengerechtelijke schuldregeling mee te werken, zodat geen nadere pogingen in die richting meer zijn ondernomen. Verder gaf SVF aan dat zij (op dit moment nog) niet voldoet aan het criterium van artikel 48 lid 1 onder d WCK. Wel zou zij – omdat zij onder omstandigheden bereid is de schuldbemiddeling uit te voeren zonder daar een vergoeding voor te rekenen – vallen onder het criterium onder a (schuldbemiddeling ‘om niet’). In dat verband is zijdens SVF uiteengezet dat zij in het algemeen haar werkzaamheden tegen betaling verricht, maar dat – mede door het onderscheid tussen schuldbemiddeling en budgetbeheer – zij niet in alle gevallen voor die bemiddeling een vergoeding ontvangt, terwijl in sommige gevallen die vergoeding betaald wordt door derden, hetgeen in haar ogen eveneens impliceert dat sprake is van schuldbemiddeling om niet.

3.6 Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd, omdat de (verplichte) afwijzingsgrond van artikel 288 lid 2 onder b Fw zich voordoet. Gebleken is immers dat geen buitengerechtelijke schuldregeling is uitgevoerd door een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48 lid 1 WCK, nu SVF niet valt onder de instellingen als bedoeld in artikel 48 lid 1 onder d WCK. Dat SVF in incidentele gevallen bereid is (het schuldbemiddelings-deel van) haar werkzaamheden om niet te verrichten, neemt niet weg dat zij te kwalificeren is als een schuldhulpbemiddelingsbureau dat optreedt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, waarvoor de in 48 lid 1 onder d WCK genoemde aanwijzing juist bedoeld is. In dat verband geldt bovendien dat geen sprake is van schuldbemiddeling ‘om niet’ indien de kosten daarvan door derden (in plaats van de bemiddelden zelf) gedragen worden. De bedoeling van de wetgever – te weten: ‘de wens te voorkomen dat schuldenaren zich zouden laten bijstaan door malafide of onkundige schuldhulpbemiddelingsbureaus’ (MvA Eerste Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 29 942, C, p. 12) – zou op onaanvaardbare wijze doorkruist worden indien dergelijke bureaus zich aan de ingevolge artikel 288 lid 2 onder b Fw jo. 48 lid 1 onder d WCK te stellen eisen zouden kunnen ontrekken door hetzij de kosten van schuldbemiddeling vergoed te krijgen onder de noemer van (parallel lopend) budgetbeheer, hetzij die kosten van derden te ontvangen, hetzij (in een incidenteel geval) die werkzaamheden om niet te verrichten. Dat de WCK schuldbemiddeling om niet (als activiteit) toestaat, neemt derhalve niet weg dat de instellingen die schuldbemiddeling uitvoeren ervoor moeten zorgen dat zij als “persoon of instelling” aan de eisen van artikel 48 lid 1 sub b, c of d moeten voldoen, wil hun voorwerk ook kwalificeren als een poging bedoeld in artikel 288 lid 2 onder b Fw.

3.7 In aanvulling hierop overweegt het hof nog dat het verzoek ook niet voor toewijzing in aanmerking zou komen omdat uit de namens [appellanten] ingediende verklaring van burgemeester en wethouders van de gemeente [...] niet blijkt dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. Uit die verklaring, alsmede uit de daarop zijdens SVF gegeven toelichting, blijkt immers niet dat een reële poging gedaan is om tot een dergelijke regeling te komen. Het beroep dat [appellanten] doen op de parlementaire geschiedenis van de herziening van de Wsnp stuit op dit gegeven af, nu – ook als de wet ruimte zou bieden de in r.o. 3.6 beschreven consequenties van artikel 288 lid 2 onder b Fw te ontgaan – voor de door [appellanten] bepleite ‘milde interpretatie’ van die bepaling slechts ruimte zou kunnen zijn ‘wanneer uit de aan de rechtbank aangeleverde stukken blijkt dat de schuldenaar een minnelijk schuldhulptraject heeft doorlopen dat qua inspanningen en kwaliteit van hulpverlening hetzelfde niveau heeft als de schuldbemiddeling die wordt verleend door de personen en instellingen die zijn genoemd in artikel 48, lid 1 onder b en c, van de Wet op het consumentenkrediet’ (MvA Eerste Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 29 942, C, p. 13). Uit hetgeen onder 3.5 is overwogen volgt immers dat uit de aan de rechtbank aangeleverde stukken – ook indien de schriftelijke en mondelinge aanvullingen van SVF daarbij worden betrokken – niet blijkt van het doorlopen van een gelijkwaardig traject.

3.8 Het hoger beroep faalt derhalve. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het verzoek desondanks zou moeten worden toegewezen, is onvoldoende gebleken. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Arnhem van 4 februari 2008.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van der Weij, Smeeïng-van Hees en Van den Brink, en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 april 2008.

Bij afwezigheid van de voorzitter is dit arrest ondertekend door mr. Smeeïng-van Hees.