Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BD3002

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
03-06-2008
Datum publicatie
03-06-2008
Zaaknummer
21-004007-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof heeft in deze zaak geoordeeld dat een vrijstelling van de leerplicht alleen aan de orde kan zijn als die bezwaren te maken hebben met, zoals het in de Leerplichtwet heet, de richting van het onderwijs.

Het hof verstaat onder “ richting” een fundamentele oriëntatie, ontleend aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing.

Wetsverwijzingen
Leerplichtwet 1969
Leerplichtwet 1969 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 21-004007-06

Uitspraak d.d.: 3 juni 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Amsterdam

zitting houdende te

Arnhem

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter te Utrecht van 21 september 2006 in de strafzaak tegen

[verdachte]

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van onderscheidenlijk 14 juni 2007, 1 oktober 2007, 13 december 2007 en 20 mei 2008 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr M.R. Tierie, naar voren is gebracht.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is kennelijk niet gericht tegen de gegeven vrijspraak met betrekking tot “[kind 4], geboren in 1989”.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep voor zover aan zijn oordeel onderworpen om proces-

economische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is, voorzover thans van belang, tenlastegelegd dat:

hij, in of omstreeks de periode van 1 november 2005 tot en met

5 januari 2006 te Bunschoten, meermalen, althans eenmaal, terwijl hij

(telkens) als degene die het gezag uitoefende over de jongeren,

[kind 1], geboren in 1993,

[kind 2], geboren in 1992, en

[kind 3], geboren in 1990, althans terwijl hij zich (telkens)

met de feitelijke verzorging van die jongere had belast, (telkens) niet heeft

voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de

Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongeren, als leerling van een

school, waren ingeschreven.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

hij, in de periode van 1 november 2005 tot en met

5 januari 2006 te Bunschoten, terwijl hij

telkens als degene die het gezag uitoefende over de jongeren,

[kind 1], geboren in 1993,

[kind 2], geboren in 1992, en

[kind 3], geboren in 1990,

telkens niet heeft

voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de

Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongeren, als leerling van een

school, waren ingeschreven.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Nadere bewijsoverwegingen

In het kader van deze strafzaak moet onderzocht worden of verdachte van de verplichting om de in de tenlastelegging genoemde kinderen naar school te sturen was vrijgesteld omdat hij tegen de richting van de redelijkerwijs bereikbare scholen overwegende bedenkingen had. Daarbij zal het hof niet treden in de vraag of deze bedenkingen al dan niet overwegend waren en slechts oordelen over de vraag of de bedenkingen de richting van het onderwijs in de zin van artikel 5 van de Leerplichtwet betreffen. Daarbij moet onder “richting” worden verstaan een fundamentele oriëntatie, ontleend aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing.

Het hof constateert, dat moeilijk te onderkennen is, welke wezenlijke bedenkingen tegen de richting - in de hiervoor bedoelde betekenis - van het voor verdachtes kinderen beschikbare onderwijs verdachte nu precies koestert.

Ter zitting van de kantonrechter d.d. 21 september 2006 heeft verdachte voor zijn bezwaren tegen het Van Lodensteincollege te Amersfoort (de school die in aanmerking zou komen als onderwijsinstelling voor verdachtes kinderen) verwezen naar zijn brief aan het college van burge¬meester en wethouders van Bunschoten d.d. 17 december 2005.

Verdachte stelt, en daarin zit naar 's hofs oordeel de kern, dat in het Van Lodensteincollege Gods Woord en de Drie Formulieren van Enigheid met voeten worden getreden.

Het hof ontleent aan de door de raadsman bij brief van 7 juni 2007 overgelegde productie 7 inzake de identiteit van het Van Lodensteincollege), dat de Vereniging voor voortgezet onderwijs op reformatorische grondslag (waaronder het Van Lodensteincollege ressorteert) als haar statutaire grondslag aanmerkt "Gods Woord, zoals dit wordt beleden in de Drie Formulieren van Enigheid". Daarin ziet het hof de richting van die school gelegen. Volgens artikel 10 van de statuten dienen van de in het bestuur van de Vereniging zitting hebbende personen er tenminste vijf te behoren tot de Gereformeerde Gemeenten, tenminste twee tot de Hersteld Hervormde Kerk, tenminste twee tot de Gereformeerde Gemeenten in Nederland, tenminste twee tot de Oud Gereformeerde Gemeenten in Nederland en tenminste twee tot de Christelijke Gereformeerde Kerken. Uit het onderzoek ter zitting in hoger beroep is gebleken dat verdachte in de tenlastegelegde periode lid was van de Oud Gereformeerde Gemeente (in Nederland) te Amersfoort.

Het hof begrijpt verdachtes opstelling aldus, dat naar zijn oordeel weliswaar genoemde vereniging genoemde beginselen in haar vaandel schrijft, maar dat men in de onderwijspraktijk daarnaar niet geheel of niet voldoende handelt. Het hof is van oordeel, dat die vaststelling, wat daarvan feitelijk ook zij, geen bedenking inzake de richting van het onderwijs oplevert. Deze bedenking betreft de wijze waarop de richting in de praktijk tot uiting komt.

Verdachte heeft in genoemde brief een bijlage 2 opgenomen, waarin hij onder de niet geheel logische kop "omschrijving die u geeft van mijn bezwaren op het Lodestein¬college" in een achttal punten zijn bezwaren tegen het Van Lodesteincollege nader uiteenzet.

Hij stelt in die bijlage onder punt 1 bezwaar te hebben tegen de godsdienstige en levensbeschouwelijke opvattingen van dat college, maar omschrijft die niet nader, zodat daaraan geen zelfstandige betekenis kan worden toegekend.

Onder punt 2 noemt verdachte het "ruimere toelatingsbeleid". Ook hierin vermag het hof geen bezwaar inzake richting te zien.

Onder punt 3 voert verdachte aan, dat het Van Lodensteincollege een wereldse besluitvorming heeft. De wijze van besluitvorming in een school kan echter niet (in elk geval niet zonder meer) als een aspect of onderdeel van richting gelden, temeer omdat een wereldse besluitvorming zeer wel kan resulteren in besluiten die geheel in overeenstemming zijn met gehuldigde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing. Ten aanzien van het Van Lodensteincollege is niet aannemelijk geworden dat de wijze van besluitvorming afbreuk doet (of deed) aan de fundamentele oriëntatie van dat college.

De punten 4 (verzekeringswezen), 5 (andere godsdiensten), 6 (mentaliteit) en 8 (contact andersdenkenden) bevatten duidelijk geen kwesties van richting.

Onder punt 7 noemt verdachte "Gymnastiek en internet". Nog daargelaten, dat in de dagelijkse onderwijspraktijk van het Van Lodensteincollege kennelijk ruimte bestaat voor onderhandeling over deelname aan gymnastiek en gebruik van internet vermag het hof ook hier geen vragen van richting te onderkennen.

De raadsman heeft ter zitting van de kantonrechter op 21 september 2006 aangegeven, dat de omschrijving van het begrip "richting" in de stukken te vaag was. In zijn pleidooi in eerste aanleg heeft de raadsman naar voren gebracht, dat verdachtes standpunt neerkomt "op de vraag in hoeverre absolute zuiverheid wordt betracht in het naleven van de bijbelse waarheden zoals verwoord in de bijbel en de drie formulieren van Enigheid." Als voorbeeld heeft de raadsman in dit verband geattendeerd op de aanvaarding van televisie in brede kringen van de gereformeerde kerken en de volstrekte verwerping daarvan in Reformatorische kring. In zijn pleidooi ter zitting van het gerechtshof d.d. 14 juni 2007 heeft de raadsman getracht nader te illustreren, welke eisen inzake richting verdachte stelt. Hij heeft daarbij de aandacht gevestigd op dogmatische verschilpunten die in 1953 hebben geleid tot een kerkscheuring waaruit is ontstaan de Gereformeerde Gemeente in Nederland, welk kerkgenootschap (of welke kerkrichting) is vertegenwoordigd in het Van Lodensteincollege.

Voorts is er de brief van de raadsman d.d. 6 december 2007, toegezonden in verband met de zitting van 13 december 2007, met de geloofsbelijdenis van verdachte, inhoudende, kort gezegd, en met een verwijzing naar de inwoners van “Oud Holland”, met welke groepering verdachte zich verwant voelt, dat hij zich baseert op Gods Woord, zoals opgetekend in de Statenvertaling van 1618-1619 en de Drie Formulieren van Enigheid. Daarnaast heeft de raadsman nog doen toekomen een aantal geschriften, waarin naar voren komt, dat verdachte zich al langere tijd niet meer thuis voelt in de Oud Gereformeerde Gemeente te Amersfoort, naar het hof begrijpt vanwege het onschriftuurlijk geachte gedrag van de Kerkenraad. Verdachte is inmiddels uitgeschreven als lidmaat van deze gemeente.

Echter, in al dat materiaal wordt naar 's hofs oordeel geen voldoende geconcretiseerde en herkenbare bedenking inzake richting van onderwijs aangewezen.

Het hof komt dan ook tot het oordeel, dat verdachte niet geacht kan worden wegens bedenkingen tegen de richting van het onderwijs te zijn vrijgesteld van de verplich¬tingen uit hoofde van de Leerplichtwet.

Ter zitting van 14 juni 2007 heeft de verdediging nog aangevoerd dat voorafgaand aan de gesprekken die op 4 april 2005 en nadien tussen de leerplichtambtenaar, wethouder Nagel en verdachte hebben plaatsgehad aan verdachte ten onrechte de cautie niet is gegeven. Nog daargelaten de vraag of deze gesprekken “materieel moeten worden gezien als een “verhoor” van verdachte, zal het hof verder aan dit verweer voorbij gaan nu de van deze gesprekken opgemaakte verslagen niet gebruikt worden voor het bewijs.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op:

Overtreding van artikel 2 van de Leerplichtweg 1969; driemaal gepleegd..

Strafbaarheid van de verdachte

Ter zitting van 1 oktober 2007 heeft de raadsman namens verdachte een beroep gedaan op verontschuldigbare dwaling ten aanzien van de wederrechtelijkheid. Vanaf 1995 tot 2005 heeft verdachte telkens een beroep gedaan op de wettelijke vrijstellingsmogelijkheid. Dat heeft slechts eenmaal geleid tot een onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming, die op 4 maart 1999 verdachte schriftelijk heeft laten weten: “…Naar ons inzicht heeft de Gemeente Bunschoten overeenkomstig de in Nederland geldende wetgeving gehandeld door uw kinderen “vrijstelling” te verlenen van het vervolgonderwijs.” Deze gang van zaken heeft, aldus de raadsman verdachte het rotsvaste vertrouwen gegeven dat hij overeenkomstig de regels handelde, welk standpunt hij niet heeft verlaten toen er nadien in zijn ogen een verbeten hetze tegen hem werd gevoerd bij het aantreden van een nieuwe wethouder. Op grond hiervan dient verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof verwerpt dit verweer. De Raad voor de Kinderbescherming kan niet gezien worden als een instantie waaraan met betrekking tot de naleving van de Leerplicht en eventuele vrijstellingsmogelijkheden een zodanig gezag valt toe te kennen dat verdachte in redelijkheid op uitspraken daarover van de Raad voor de Kinderbescherming mocht vertrouwen. Bovendien blijkt uit de woorden “Naar ons inzicht…” ook al van een zekere relativering door de Raad voor de Kinderbescherming zelf van zijn hiervoor aangehaalde uitspraak.

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Bij de straftoemeting heeft het hof in acht genomen dat verdachte oprecht heeft gehandeld vanuit zijn geloofsovertuiging en dat deze zaak voor verdachte een principieel karakter heeft. Een en ander geeft het hof aanleiding deze zaak af te doen door oplegging van geheel voorwaardelijke geldboeten. De omstandigheid dat de afhandeling van deze zaak in hoger beroep geruime tijd in beslag heeft genomen geeft het hof aanleiding de proeftijd van de voorwaardelijke veroordeling te bekorten tot één jaar.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 62 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 26 van de Leerplichtwet 1969.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verstaat dat het door verdachte ingestelde rechtsmiddel niet is gericht tegen dat deel van het vonnis waarvan beroep waarbij verdachte voorzover het betreft “[kind 4], geboren in 1989” werd vrijgesproken.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot 3 (drie) geldboetes, elk van € 200,-- (tweehonderd euro), telkens bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 (vier) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de geldboetes niet zullen worden ten uitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr Y.A.J.M. van Kuijck, voorzitter,

mr F.J.P.M. Haas en mr J.M.J. Denie, raadsheren,

in tegenwoordigheid van G. Heeres, griffier,

en op 3 juni 2008 ter openbare terechtzitting uitgesproken.