Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BD2431

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
20-05-2008
Datum publicatie
28-05-2008
Zaaknummer
0700633
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Gelijk de voorzieningenrechter onder verwijzing naar HR 11-12-1991, NJ 1992, 177 heeft overwogen, neemt ook het hof tot uitgangspunt dat het bij inschrijving ten verkoop aanbieden van een onroerende zaak zich in beginsel er niet toe leent anders te worden opgevat dan als een uitnodiging om in onderhandeling te treden. Tegen de hiermee overeenstemmende overweging in het beroepen vonnis heeft [appellant] geen grief gericht, terwijl uit de stellingen van [appellant] ook overigens niet blijkt van zodanige feiten of omstandigheden dat dienaangaande in het onderhavige geval van een ander uitgangspunt sprake zou moeten zijn. Voor zover in de stellingen van [appellant] al besloten zou liggen dat op de verkoper bij een inschrijving in het algemeen of in het onderhavige geval meer in het bijzonder op de gemeente, een rechtsplicht zou rusten om door gunning de overeenkomst met de hoogste bieder tot stand te brengen, kan hij mitsdien naar het voorlopig oordeel van het hof daarin niet worden gevolgd. Zoals bij elke overeenkomst, geldt ook ten aanzien van de onderhavige dat zij eerst tot stand komt door een aanbod en de aanvaarding daarvan (art. 6:217 lid 1 BW). Thans doet zich de situatie voor waarin [appellant], naar aanleiding van de uitnodiging van de gemeente om in onderhandeling te treden, op 27 april 2007 aan de gemeente een aanbod heeft gedaan om een overeenkomst van koop tot stand te brengen tegen de door [appellant] in dat aanbod genoemde prijs, welk aanbod de gemeente op 6 juni 2007 heeft verworpen door de bekendmaking aan [appellant] van het besluit om de onroerende zaak niet aan hem te gunnen (in welke mededeling de verwerping van het aanbod ligt besloten).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 20 mei 2008

Rolnummer 0700633

HET GERECHTSHOF TE ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats appellant],

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [appellant],

procureur: mr. P.M. Wilmink,

tegen

de gemeente Steenwijkerland,

zetelende te Steenwijk,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: de gemeente,

procureur: mr. A.T. Bolt.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het kortgeding- vonnis uitgesproken op 10 september 2007 door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zwolle-Lelystad.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 25 september 2007 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van de gemeente tegen de zitting van 9 oktober 2007.

De conclusie van de dagvaarding in hoger beroep luidt:

"op grond van (al) het vorenstaande verzoekt [appellant] het Gerechtshof om het in hoger beroep bestreden vonnis van de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Zwolle- Lelystad te vernietigen, om daarna - opnieuw rechtdoende - de in eerste aanleg namens [appellant] ingestelde vorderingen - danwel één of meer daarvan - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad alsnog toe te wijzen, met veroordeling van de gemeente (in alle gevallen) in de betaling van de proceskosten, zowel in eerste aanleg als ook in hoger beroep.

Dat wil zeggen dat [appellant] het Gerechtshof verzoekt om de gemeente bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad moge veroordelen:

PRIMAIR

1. het object alsnog onmiddellijk na betekening van het in deze te wijzen vonnis aan [appellant] te gunnen op basis van de door hem uitgebrachte bieding, zulks op straffe van een dwangsom van EURO 10.000,= (zegge: tienduizend euro) voor elke dag of gedeelte daarvan na betekening van het betreffende vonnis dat de gemeente met de naleving daarvan in gebreke zou blijven, met een maximum van EURO 100.000,= (zegge: honderdduizend euro);

SUBSIDIAIR

2. om (verder) te onderhandelen met [appellant] omtrent de verkoop van het in het geding zijnde object en/of de bestemming daarvan, een en ander op straffe van een dwangsom van EURO 10.000,= (zegge: tienduizend euro) voor elke dag of gedeelte daarvan dat de gemeente na betekening van het in hoger beroep te wijzen vonnis in gebreke zou blijven met de naleving daarvan, met een maximum van EURO 100.000,= (zegge: honderdduizend euro);

MEER SUBSIDIAIR

3. de gemeente te veroordelen om [appellant], bij wijze van voorschot op de aan hem in een bodemprocedure toe te kennen schadeloosstelling, een bedrag van EURO 100.000,= (zegge: honderdduizend euro) toe te kennen (en binnen een termijn van veertien dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis uit te betalen op een nader door [appellant] aan te wijzen bank- of girorekeningnummer) danwel enig ander (lager) bedrag dat door de Voorzieningenrechter in goede justitie wordt vastgesteld;

UITERST SUBSIDIAIR

4. althans een zodanige voorziening te treffen als het Gerechtshof in goede justitie vermeent te behoren.

Een en ander met veroordeling van de gemeente in de kosten van dit geding ( in alle gevallen en zowel in kort geding als in hoger beroep)".

Bij memorie van antwoord is door Gemeente verweer gevoerd met als conclusie:

"het vonnis van de Voorzieningenrechter behoort bekrachtigd te worden, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep".

Voorts [appellant] een akte genomen en de gemeente een antwoordakte

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft tien grieven opgeworpen.

De beoordeling

1. Nu geen van de grieven is gericht tegen de vaststelling van de feiten in r.o. 2 (2.1 t/m 2.9) van het beroepen vonnis terwijl ook anderszins niet van bezwaren daartegen is gebleken, zal ook in hoger beroep van die feiten worden uitgegaan.

2. Kort weergegeven gaat het in deze procedure in kort geding om het volgende. De gemeente heeft op 27 april 2007 bij openbare inschrijving te koop aangeboden de "Villa Oostwold" te Tuk. Vervolgens heeft de notaris vastgesteld dat [appellant] bij de inschrijving het hoogste bod heeft uitgebracht. Niettemin heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente (B&W) besloten om niet tot gunning aan [appellant] over te gaan, welk besluit aan hem bij brief van 6 juni 2007 ter kennis is gebracht.

3. Zakelijk weergegeven vordert [appellant] thans in hoger beroep:

primair dat de gemeente alsnog tot gunning aan hem ([appellant]) overgaat (onder verbeurte van dwangsommen),

subsidiair dat de gemeente verder met [appellant] zal onderhandelen omtrent de verkoop en/of de bestemming van Villa Oostwold (eveneens onder verbeurte van dwangsommen),

meer subsidiair dat de gemeente wordt veroordeeld tot betaling aan [appellant] van een voorschot ad € 100.000,--op in een bodemprocedure vast te stellen schadevergoeding ,

en uiterst subsidiair dat ten behoeve van [appellant] een zodanige voorziening zal worden getroffen als het hof in goede justitie vermeent te behoren.

4. De voorzieningenrechter heeft de met het bovenstaande grotendeels overeenstemmende vorderingen zoals [appellant] deze in prima had ingesteld, integraal afgewezen en hem in de kosten veroordeeld. Daartegen heeft [appellant] zijn grieven gericht, in essentie daartoe aanvoerende dat de voorzieningenrechter ten onrechte de opstelling van de gemeente heeft getoetst aan art. 3:13 BW en niet aan art. 3:14 BW, welke laatste toetsing in de visie van [appellant] oplevert dat aan de zijde van de gemeente sprake is van handelen in strijd met het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het verbod van willekeur (grief I). Met grief II voert [appellant] aan - kortweg - dat hij voldoende heeft gesteld om een schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur te kunnen aannemen, welk standpunt hij aangeeft nader te hebben uitgewerkt in de grieven III t/m IX. Grief X tenslotte heeft betrekking op de proceskosten.

5. Gelijk de voorzieningenrechter onder verwijzing naar HR 11-12-1991, NJ 1992, 177 heeft overwogen, neemt ook het hof tot uitgangspunt dat het bij inschrijving ten verkoop aanbieden van een onroerende zaak zich in beginsel er niet toe leent anders te worden opgevat dan als een uitnodiging om in onderhandeling te treden. Tegen de hiermee overeenstemmende overweging in het beroepen vonnis heeft [appellant] geen grief gericht, terwijl uit de stellingen van [appellant] ook overigens niet blijkt van zodanige feiten of omstandigheden dat dienaangaande in het onderhavige geval van een ander uitgangspunt sprake zou moeten zijn. Voor zover in de stellingen van [appellant] al besloten zou liggen dat op de verkoper bij een inschrijving in het algemeen of in het onderhavige geval meer in het bijzonder op de gemeente, een rechtsplicht zou rusten om door gunning de overeenkomst met de hoogste bieder tot stand te brengen, kan hij mitsdien naar het voorlopig oordeel van het hof daarin niet worden gevolgd.

6. Zoals bij elke overeenkomst, geldt ook ten aanzien van de onderhavige dat zij eerst tot stand komt door een aanbod en de aanvaarding daarvan (art. 6:217 lid 1 BW). Thans doet zich de situatie voor waarin [appellant], naar aanleiding van de uitnodiging van de gemeente om in onderhandeling te treden, op 27 april 2007 aan de gemeente een aanbod heeft gedaan om een overeenkomst van koop tot stand te brengen tegen de door [appellant] in dat aanbod genoemde prijs, welk aanbod de gemeente op 6 juni 2007 heeft verworpen door de bekendmaking aan [appellant] van het besluit om de onroerende zaak niet aan hem te gunnen (in welke mededeling de verwerping van het aanbod ligt besloten).

7. De opstelling van [appellant] zoals deze uit diens grieven blijkt, berust kennelijk hierop dat de gemeente op grond van meergenoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet had behoren af te zien van gunning aan hem ([appellant]), omdat zijn bod dient te worden aangemerkt als marktconform. Daaromtrent overweegt het hof, wat er ook zij van deze stelling van [appellant], dat in het licht van de vaststaande feiten alsmede de omstandigheden van het geval daaruit voor de gemeente geen verplichting tot aanvaarding van het aanbod kan voortvloeien terwijl evenmin sprake is van schending door de gemeente van enig beginsel van behoorlijk bestuur. Immers, voorshands is niet komen vast te staan of zelfs maar aannemelijk geworden dat de gemeente heeft gehandeld in afwijking van de op de verkoop toepasselijke Algemene Voorwaarden voor de Verkoop bij Openbare Inschrijving van Registergoederen 1996 en/of met de op de onderhavige verkoop toepasselijke Bijzondere Inschrijvingsvoorwaarden, terwijl laatstbedoelde voorwaarden in art. 17 expliciet de gemeente het recht toekennen - kortweg - om al dan niet te gunnen of het zonder opgave van redenen afgelasten van de verkoop. Zonder nadere onderbouwing, die in casu ontbreekt, kan dientengevolge naar het voorlopig oordeel van het hof niet worden gesproken van schending door de gemeente van enige administratiefrechtelijke of civielrechtelijke norm door het niet-gunnen van de onroerende zaak aan [appellant].

8. Daarenboven overweegt het hof dat voorshands niet is gebleken dat de gemeente na de verwerping van het aanbod enige verklaring heeft geuit of handeling heeft verricht waarop het oordeel kan worden gebaseerd dat daarmee sprake is van het alsnog aanvaarden van het aanbod van [appellant] dan wel van een gerechtvaardigd vertrouwen aan de zijde van [appellant] op zodanige aanvaarding (art. 3:33/35 BW), te meer nu de gemeente na de verwerping steeds - zowel in als buiten rechte - heeft volhard in haar weigering om de overeenkomst met [appellant] tot stand te brengen, zulks onder vermelding van de daaraan ten grondslag liggende redenen.

9. Volledigheidshalve overweegt het hof nog dat, voor zover in de stellingen van [appellant] de opvatting zou liggen besloten dat zijn aanbod, als aangenomen zou moeten worden dat dit op 6 juni 2007 niet rechtsgeldig zou zijn verworpen, op enig tijdstip nadien van rechtswege zou hebben te gelden als aanvaard, het recht daarvoor geen toereikende grondslag biedt, terwijl in dat geval veeleer sprake zou zijn van het verval van dat aanbod op de voet van art. 6:221 lid 1 in fine BW.

10. Het voorgaande leidt thans tot de conclusie dat een rechtsgrond voor toewijzing van zowel het primair als het subsidiair gevorderde ontbreekt. Voor zover in de grieven dienaangaande wordt uitgegaan van een andere opvatting, missen zij doel.

11. Met betrekking tot het meer subsidiair gevorderde voorschot op de in een bodemprocedure te vorderen schadevergoeding ad € 100.000,-- overweegt het hof als volgt.

12. Nu uit het bovenoverwogene voorshands blijkt dat geen sprake is van een administratiefrechtelijke of civielrechtelijke normschending door de gemeente, vloeit reeds daaruit voort dat [appellant] geen aanspraak op schadevergoeding geldend kan maken jegens de gemeente, hetgeen grond oplevert tot afwijzing van het meer subsidiair gevorderde voorschot op zodanige schadevergoeding.

13. Daarenboven overweegt het hof nog dat het in casu met betrekking tot de gevorderde voorschot gaat om een incassovordering in kort geding, voor de toewijzing waarvan enkele strikte criteria gelden. Daargelaten dat een op dit onderwerp toegespitste grief ontbreekt alsmede dat [appellant] heeft nagelaten toereikende feiten of omstandigheden te stellen waaruit volgt dat thans in voldoende aannemelijk is dat hij schade heeft geleden die overeenstemt met of uitstijgt boven het door hem gevorderde voorschot, overweegt het hof dat gemotiveerd uit de stellingen van [appellant] dient te blijken dat een voorlopige voorziening zoals gevorderd uit hoofde van onverwijlde spoed is geboden. Nu [appellant] ook daaromtrent ten enenmale onvoldoende heeft aangevoerd, kan mede hierom zijn meer subsidiaire vordering niet voor toewijzing in aanmerking komen.

14. Waar [appellant] in de toelichting op grief VIII nog heeft aangevoerd dat de gemeente haar recht om gebruik te maken van de bevoegdheid om niet te gunnen vanwege een tegenvallende prijs heeft verwerkt door de onroerende zaak aan te bieden zonder daarbij een minimumprijs (bodemprijs) te noemen, faalt dat beroep op rechtsverwerking omdat noch daarmee noch anderszins sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor bij [appellant] het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de gemeente haar thans bedoelde bevoegdheid niet (meer) geldend zal maken, terwijl daarmee evenmin sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor - indien de gemeente haar bevoegdheid (alsnog) onverkort geldend zou maken - de positie van [appellant] onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard.

15. [appellant] heeft met grief X tenslotte aangevoerd dat de gemeente hoe dan ook haar eigen proceskosten dient te dragen omdat hij ([appellant]) slechts achter de beweegredenen van de gemeente om niet te gunnen kon komen door middel van het entameren van een kort geding. Het hof overweegt hieromtrent dat - wat daarvan verder ook zij, mede bezien in het licht van art. 17 van de Bijzondere Inschrijvingsvoorwaarden - [appellant] daarin niet worden gevolgd nu voor een dergelijke kostencompensatie onvoldoende rechtsgrond bestaat. Hetzelfde geldt voor hetgeen [appellant] in deze grief heeft gesteld omtrent de veroordeling van de gemeente in (alle) kosten op de (onjuiste) grond dat de vordering tot voortzetting van onderhandelingen met de gemeente voor toewijzing gereed zou liggen.

16. Waar het door [appellant] in hoger beroep gevorderde in geen van haar onderdelen voor toewijzing in aanmerking kan komen terwijl de stukken evenmin grondslag bieden aan enige (andere) voorziening zoals door [appellant] meest subsidiair is gevorderd, missen alle grieven doel. Mitsdien dienen alle vorderingen te worden afgewezen en zal het daarmee overeenstemmende dictum van het vonnis van de voorzieningenrechter worden bekrachtigd. Voor een nadere bespreking van de afzonderlijke grieven ontbreekt mitsdien verder grond.

17. Als de in het ongelijk te stellen partij zal [appellant] worden veroordeeld in de kosten van deze instantie (1 1/2 punt in tarief V).

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter d.d. 10 september 2007, waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de gemeente begroot op € 300,-- aan verschotten en € 3.948,-- aan salaris voor de procureur.

Aldus gewezen door mrs. Knijp, voorzitter, Zandbergen en Telman, raden,

en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 20 mei 2008 in bijzijn van de griffier.