Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BD2330

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
13-05-2008
Datum publicatie
22-05-2008
Zaaknummer
0700529
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof overweegt dat Centrada terecht heeft opgemerkt dat de beslagvrije voet ingevolge artikel 475c Rv uitsluitend geldt voor de daar opgesomde periodieke betalingen en dat het door Centrada gelegde beslag niet op een dergelijke betaling rustte. Voorts heeft [appellant] bij de conclusie van antwoord aangevoerd dat het derdenbeslag in juni 2006 is gelegd. Volgens de lijst van betalingen, overgelegd bij de conclusie van repliek (productie 1) die de kantonrechter in haar opsomming heeft verwerkt, is sedertdien elke maand een bedrag betaald, uitgezonderd in september 2006, zodat de stelling dat van [appellant] dat de huurachterstand zijn oorsprong zou vinden in het gelegde derdenbeslag, geen steun vindt in de overgelegde bescheiden. De grief kan dan ook niet tot vernietiging van het vonnis leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 13 mei 2008

Rolnummer 0700529

HET GERECHTSHOF TE ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats appellant],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [appellant],

toevoeging,

procureur: mr. A.O.C.A. van Schravendijk,

tegen

Woningstichting Centrada,

gevestigd te Lelystad,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: Centrada

procureur: mr. P.M. Wilmink.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 9 mei 2007 door de rechtbank Zwolle-Lelystad.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 8 augustus 2007 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van Centrada tegen de zitting van 28 augustus 2007.

De conclusie van de appeldagvaarding van grieven luidt:

"1. te vernietigen het vonnis van 9 mei 2007 van de Rechtbank Zwolle-Lelystad, sector kanton, locatie Lelystad, onder rolnummer 337798 CV 06-14624, tussen rekwirant als gedaagde en gerekwireerde als eiseres gewezen, en opnieuw rechtdoende, alsnog voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad;

2. Gerekwireerde niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen, althans de vorderingen af te wijzen als zijnde ongegrond en/of onbewezen, met veroordeling van gerekwireerde in de kosten van beide instanties".

Bij memorie van antwoord is door Centrada verweer gevoerd, onder overlegging van één productie, met als conclusie:

"bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, al dan niet met verbetering en/of aanvulling van de gronden, het bestreden vonnis van de Rechtbank Zwolle, sector kanton, locatie Lelystad, d.d. 9 mei 2007 onder rolnummer 337798 CV 06-14624, te bekrachtigen. Voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [appellant] in de proceskosten in de eerste aanleg en dit hoger beroep en dat de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd is vanaf zeven dagen na het wijzen van arrest tot de dag der algehele voldoening".

Ten aanzien van de feiten

1. Tussen partijen staan de volgende feiten vast als enerzijds gesteld en anderzijds onvoldoende weersproken.

1.1 [appellant] heeft met Centrada een huurovereenkomst gesloten voor de woning [adres]. De huurprijs bedroeg laatstelijk € 380,64 per maand.

1.2. Op [appellant] is de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) van toepassing geweest. Op 17 september 2004 is de schuldsaneringsregeling, zonder verlening van de schone lei, beëindigd en omgezet in een faillissement, dat vervolgens is opgeheven wegens gebrek aan baten.

1.3. [appellant] had een huurschuld waarop de WSNP van toepassing is geweest.

De procedure in eerste aanleg.

2. Centrada heeft betaling van huurachterstand, tot een bedrag van € 2.185,45 gevorderd, alsmede ontbinding van de huurovereenkomst. De kantonrechter heeft het gevorderde toegewezen.

De beoordeling van de grieven.

3. De kantonrechter heeft in rechtsoverweging 7 van haar vonnis een overzicht opgenomen van de in totaal verschuldigde (huur)bedragen vanaf 2003 en de daarop betaalde bedragen tot en met februari 2007. De kantonrechter heeft berekend dat [appellant] aan Centrada nog een bedrag van € 2.271,54 is verschuldigd.

4. In grief 1 betoogt [appellant] dat de kantonrechter niet alle betalingen waarvan hij bewijs heeft geleverd in haar overzicht heeft verwerkt. Het hof constateert dat [appellant] niet aangeeft welke betalingen in de uitgebreide en gespecificeerde berekening van de kantonrechter ontbreken. Het hof acht dan ook niet door [appellant] aangetoond dat hij nog meer betalingen heeft gedaan dan de kantonrechter in haar overzicht heeft verwerkt. De grief is tevergeefs voorgesteld.

5. In grief 3 stelt [appellant] dat de berekening van de huurachterstand niet juist is gelet op een eerder vonnis van de kantonrechter van 24 september 2003. Deze grief is verder niet toegelicht. Voor zover in deze grief het verwijt besloten ligt dat de kantonrechter in haar berekening van het totaal door [appellant] aan Centrada verschuldigde bedrag een onjuist bedrag heeft opgenomen als zijnde verschuldigd op grond van laatstgenoemd vonnis, faalt de grief. De kantonrechter heeft in haar berekening de hoofdsom waartoe [appellant] bij dit vonnis is veroordeeld (de huurachterstand tot en met juni 2003 plus de daarover verschuldigde rente en buitengerechtelijke kosten) op juiste wijze in de berekening verwerkt.

6. In grief 4 voert [appellant] aan dat de kantonrechter niet is ingegaan op een door hem gevoerd verweer met betrekking tot (proceskosten tot) een bedrag van € 1.099,22. Deze grief berust op een onjuiste lezing van het vonnis waarvan beroep. De kantonrechter heeft de proceskosten waartoe [appellant] bij vonnis van 24 september 2003 is veroordeeld tot een bedrag van € 387,17 in haar berekening opgenomen, vermeerderd met € 63,31 aan nadien verschuldigde rente en niet voor het door [appellant] betwiste bedrag. De grief snijdt dan ook geen hout.

7. Nu de grieven tegen de berekening van de huurachterstand geen van alle doel treffen, constateert het hof met de kantonrechter dat ten tijde van het wijzen van het vonnis in eerste aanleg de huurachterstand - aanzienlijk - meer dan drie maanden huur bedroeg.

8. Een dergelijke huurachterstand rechtvaardigt in beginsel de ontbinding van de huurovereenkomst. De stelplicht en bewijslast dat sprake is van redenen die maken dat desondanks de tekortkoming in het betalen van de verschuldigde huurprijs de ontbinding niet rechtvaardigt, berust bij [appellant].

9. [appellant] heeft betoogd dat Centrada beslag op zijn girorekening heeft gelegd, in weerwil van artikel 475 c Rv en dat Centrada er zo aan heeft bijgedragen dat hij zijn huur niet op tijd heeft betaald. In grief 2 klaagt [appellant] erover dat de kantonrechter dit verweer ten onrechte niet heeft besproken. Het hof overweegt dat [appellant] moet worden nagegeven dat de kantonrechter dit verweer niet expliciet heeft verworpen.

10. Het hof overweegt dat Centrada terecht heeft opgemerkt dat de beslagvrije voet ingevolge artikel 475c Rv uitsluitend geldt voor de daar opgesomde periodieke betalingen en dat het door Centrada gelegde beslag niet op een dergelijke betaling rustte. Voorts heeft [appellant] bij de conclusie van antwoord aangevoerd dat het derdenbeslag in juni 2006 is gelegd. Volgens de lijst van betalingen, overgelegd bij de conclusie van repliek (productie 1) die de kantonrechter in haar opsomming heeft verwerkt, is sedertdien elke maand een bedrag betaald, uitgezonderd in september 2006, zodat de stelling dat van [appellant] dat de huurachterstand zijn oorsprong zou vinden in het gelegde derdenbeslag, geen steun vindt in de overgelegde bescheiden. De grief kan dan ook niet tot vernietiging van het vonnis leiden.

11. In grief 5 betoogt [appellant] tenslotte dat de kantonrechter niet is ingegaan op zijn betoog dat hij de laatste drie jaar regelmatig huur heeft betaald. Het hof overweegt dat de kantonrechter hierop wel is ingegaan en heeft overwogen dat gesteld noch is gebleken dat [appellant] heeft aangegeven op welke vorderingen zijn betalingen betrekking hebben zodat Centrada terecht de betalingen eerst op de openstaande rente en kosten, en vervolgens op de oudste openstaande huurtermijn in mindering heeft doen strekken.

12. Het hof overweegt dat de omstandigheid dat [appellant] vanaf 2004 regelmatig huur heeft betaald, maar sedert 1 april 2005 geen enkele aflossing meer heeft gedaan ten einde de reeds jarenlang bestaande huurachterstand in te lopen, onvoldoende grond oplevert om te oordelen dat deze huurachterstand de ontruiming niet zou rechtvaardigen. Ook deze grief treft geen doel.

De slotsom.

13. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd met veroordeling van [appellant] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep, voor wat het salaris betreft te begroten op 1 punt naar tarief II.

14. Het hof wijst af het verzoek van Centrada om te bepalen dat de wettelijke rente over de proceskosten is verschuldigd indien deze niet binnen zeven dagen zijn voldaan. Ingevolge artikel 6: 119 lid 1 BW is de schuldenaar wettelijke rente verschuldigd indien sprake is van verzuim. Voor het intreden van verzuim is, wanneer de nakoming niet blijvend onmogelijk is, een ingebrekestelling noodzakelijk (artikel 6: 82 BW), tenzij een ingebrekestelling op een van de in artikel 6: 83 BW aangegeven gronden dan wel op grond van de redelijkheid en billijkheid achterwege kan blijven of een beroep op het ontbreken van een ingebrekestelling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Anders dan Centrada lijkt te veronderstellen, leidt alleen een veroordeling tot betaling van een geldsom niet tot een situatie van verzuim en, daarmee, tot de verschuldigdheid van wettelijke rente.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van Centrada tot aan deze uitspraak op € 251,-- aan verschotten en € 894,-- aan salaris voor de procureur en verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Aldus gewezen door mrs. Mollema, voorzitter, Kuiper en Rowel-van der Linde, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 13 mei 2008 in bijzijn van de griffier.