Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BD2252

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
08-04-2008
Datum publicatie
22-05-2008
Zaaknummer
104.003.287
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De grieven IV tot en met VII richten zich tegen het vonnis van 20 december 2006 en lenen zich voor een gezamenlijke beoordeling. Achmea stelt met deze grieven in de kern dat [A.] alle eisen die aan een deskundige en aan de door deze uit te brengen rapportage kunnen worden gesteld heeft geschonden en dat de rechtbank ten onrechte reële en gemotiveerde bezwaren van Achmea tegen de deskundigheid van [A.], diens werkwijze en de inhoud van zijn rapport heeft gepasseerd.

Het hof stelt voorop dat op de voet van artikel 198 Rv tot de taak van de deskundige wordt gerekend (voor zover hier van belang) dat deze zijn taak onpartijdig en naar beste weten volbrengt en partijen in de gelegenheid stelt opmerkingen te maken en verzoeken te doen. Daarbij is het vertrouwen gerechtvaardigd dat de deskundige, wanneer deze een partij benadert met relevante verzoeken of opmerkingen, niet zal nalaten de wederpartij daarvan in kennis te stellen en zonodig om commentaar te vragen (zie Parl. Gesch. Bewijsrecht, p. 343-344). Het gaat hier om eerbiediging van de fundamentele procesregel van hoor en wederhoor. Het hof zal hierna beoordelen of de deskundige aan deze taakomschrijving heeft voldaan en het neemt daarbij de volgende omstandigheden in aanmerking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAV 2008, 81

Uitspraak

8 april 2008

tweede civiele kamer

zaaknummer 104.003.287

rolnummer(oud) 2007/00252

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

Achmea Schadeverzekeringen N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

appellante,

procureur: mr H. van Ravenhorst,

tegen:

1. [geïntimeerde sub 1],

2. [geïntimeerde sub 2]

beiden wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

procureur: mr F.J. Boom.

1 Het verloop van de procedure in eerste aanleg

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar de tussen appellante als gedaagde en geïntimeerden (verder gezamenlijk te noemen: [geïntimeerde] in mannelijk enkelvoud en ieder afzonderlijk te noemen: [geïntimeerde sub 1] respectievelijk [geïntimeerde sub 2]) als eisers gewezen vonnissen van 28 januari 2004, 1 september 2004, 1 december 2004, 22 februari 2006 en 20 december 2006 van de rechtbank Zutphen. Een fotokopie van de vonnissen van 1 september 2004, 1 december 2004 en 20 december 2006 is aan dit arrest gehecht.

2 Het verloop van de procedure in hoger beroep

2.1 Appellante - aangeduid met de naamloze vennootschap Achmea Schadeverzekeringen N.V. - heeft bij exploot van 22 januari 2007 aan [geïntimeerde] aangezegd in hoger beroep te komen van de vonnissen van 1 december 2004 en 20 december 2006, met gelijktijdige dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft appellante - in het hoofd van die memorie als de naamloze vennootschap Centraal Beheer Achmea Schadeverzekeringen N.V. aangeduid - zeven grieven tegen de bestreden vonnissen aangevoerd, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- beide vonnissen zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

- [geïntimeerde] zijn vorderingen alsnog zal ontzeggen, hetzij door hem niet-ontvankelijk te verklaren in die vorderingen, hetzij door die vorderingen alsnog af te wijzen,

althans en subsidiair:

een andere onpartijdige deskundige (niet zijnde de door de rechtbank benoemde deskundige [A.]) zal benoemen uit het bestand van het hof teneinde de eerder in eerste aanleg door de rechtbank aan de deskundige [A.] voorgelegde vragen te beantwoorden, waarna op basis van het aldus uit te brengen rapport voort geprocedeerd dient te worden in eerste aanleg,

- een en ander met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de beide instanties (eerste aanleg en hoger beroep), de nakosten procureur, alsmede de nakosten en de kosten van betekening en verdere executie daaronder begrepen.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Centraal Beheer in haar vorderingen niet-ontvankelijk zal verklaren althans die vorderingen zal afwijzen, met veroordeling van Centraal Beheer in de kosten van de procedure.

2.4 Bij akte houdende overlegging producties heeft appellante - andermaal aangeduid als Centraal Beheer Achmea Schadeverzekeringen N.V. - akte verzocht van een schriftelijke verklaring en van het overleggen van zes producties. Zij heeft daarbij bewijs aangeboden.

2.5 Hierna heeft [geïntimeerde] antwoordakte verzocht van een schriftelijke verklaring. Hij heeft daarbij bewijs aangeboden.

2.6 Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

3 De ontvankelijkheid

3.1 Het hof legt de aanduiding van appellante door ieder der partijen in de processtukken in hoger beroep aldus uit dat het gaat om een en dezelfde rechtspersoon, hierna te noemen: Achmea.

3.2 Beide bestreden vonnissen zijn tussenvonnissen. Omdat bij het vonnis van 20 december 2006 - kennelijk op de voet van artikel 337 lid 2 Rv - hoger beroep is opengesteld van beide bestreden vonnissen kan Achmea in het hoger beroep van die vonnissen worden ontvangen.

4 De vaststaande feiten

Het hof gaat evenals de rechtbank uit van de feiten die in het vonnis van 1 september 2004 onder 2.1 tot en met 2.8 zijn vastgesteld, nu deze enerzijds zijn gesteld en anderzijds niet dan wel onvoldoende zijn weersproken en aldus als vaststaand moeten worden beschouwd.

5 De beoordeling

5.1 Het gaat in deze zaak om het volgende.

- Tussen Achmea en [geïntimeerde sub 2] gold een verzekeringsovereenkomst uit hoofde waarvan de aan [geïntimeerde sub 1] in eigendom toebehorende woning (opstal), bestaande uit een benedenwoning (begane grond) en een door [geïntimeerde] bewoonde bovenwoning (eerste en tweede etage en een zolderverdieping) en de inboedel van de bovenwoning tegen (onder meer) brand waren verzekerd bij Achmea.

- In april 2001 is in de woning brand uitgebroken, naar wordt vermoed op de eerste etage, als gevolg waarvan schade aan de woning en inboedel is ontstaan.

- Achmea erkent dat zij uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst dekking dient te verlenen (zie onder 6 conclusie van antwoord, 12 memorie van grieven).

- In opdracht van Achmea heeft schade-expert R.J. Walbeek (verder: Walbeek) van Lengkeek Expertises een onderzoek ingesteld naar de omvang van de opstalschade, waarvan op 6 april 2001 tussenrapport en op 13 september 2001 rapport is opgemaakt (zie producties 3 en 4 conclusie van antwoord).

Uit dit laatste rapport blijkt dat de opstalschade bestond, kort gezegd, uit brandschade in de keuken en het trapportaal van de bovenwoning, rook- en roetschade door de gehele bovenwoning en bluswaterschade in de benedenwoning.

- Achmea en [geïntimeerde] hebben vervolgens een regelingstraject doorlopen.

- Dit is uitgemond in vergoeding van f 150.000,-, vermeerderd met een aanvullende uitkering van f 42.739,32 (zie productie 21 conclusie van antwoord), ter zake van de inboedelschade. Vergoeding van de inboedelschade is tussen partijen niet in debat.

- Hun geschil betreft vergoeding van de opstalschade.

Te dier zake heeft het regelingstraject geleid tot de ondertekening van een akte van taxatie van 17 augustus 2001 door enerzijds Walbeek namens Achmea en anderzijds [geïntimeerde sub 1] (zie productie 2 conclusie van antwoord). In die akte van taxatie is de opstalschade tegen finale kwijting vastgesteld op f 210.000,-/€ 95.293,85 inclusief btw.

Dit bedrag is onder aftrek van reeds verstrekte voorschotten aan [geïntimeerde] uitgekeerd.

[geïntimeerde] heeft inmiddels de opstalschade deels in eigen beheer hersteld en deels door derden doen herstellen en gelijktijdig verbeteringen in de woning aangebracht.

Daarnaast zijn naar aanleiding van nadere expertises in opdracht van Achmea (zie het inspectierapport van 29 mei 2002 van schade-expert H. Verbaan van Achmea (Woonservice) en het rapport van 19 augustus 2005 van ing. A.E. de Jong van GAB Robins Risk Analyses Services B.V., producties 24 conclusie van antwoord respectievelijk 38 conclusie na deskundigenbericht Achmea) aanvullende uitkeringen gedaan van f 3.878,43/€ 1.759,95,

f 4.933,49/€ 2.238,72 en f 1.850,59/€ 839,76.

- [geïntimeerde] stelt zich op het standpunt dat de opstalschade hoger is dan de daarvoor uitgekeerde vergoedingen. Na wijzigingen van eis bij conclusie van repliek en bij conclusie na deskundigenbericht vordert hij dat voor recht wordt verklaard dat de aanvullende schade (tenminste) € 150.060,32 bedraagt, te vermeerderen met de wettelijke rente, en - zo begrijpt het hof - dat Achmea wordt veroordeeld tot betaling van dat bedrag aan hem, op straffe van een dwangsom en met veroordeling van Achmea in de proceskosten.

Achmea bestrijdt een en ander.

- Bij het vonnis van 1 september 2004 heeft de rechtbank overwogen dat zij in het kader van een mogelijke herziening van het bij de akte van 17 augustus 2001 vastgestelde schadebedrag voornemens is een deskundige te benoemen. Zij heeft vervolgens partijen in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten over het aantal te benoemen deskundigen, de persoon van de deskundige(n) en de aan deze voor te leggen vragen.

- Bij het vonnis van 1 december 2004 heeft de rechtbank een deskundigenonderzoek bevolen ten aanzien van een aantal in het dictum van dat vonnis geformuleerde vragen en tot deskundige benoemd: [A.], [...] Expertisebureau B.V. te Baarle Nassau, verder: [A.].

- Bij het vonnis van 22 februari 2006 heeft de rechtbank een mondelinge toelichting bevolen door [A.] op diens rapport van 26 augustus 2005, die vervolgens op 12 oktober 2006 heeft plaatsgehad.

- Bij het vonnis van 20 december 2006 heeft de rechtbank de stelling van Achmea, dat het deskundigenrapport geen enkele bewijswaarde toekomt en dat een andere deskundige moet worden benoemd, verworpen en vervolgens de zaak naar de rol verwezen voor beraad van partijen in verband met eventueel hoger beroep.

5.2 Achmea bestrijdt dat zij uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst gehouden is meer te betalen dan inmiddels is uitgekeerd op de grond dat de akte van taxatie van 17 augustus 2001 een vaststellingsovereenkomst is en dat daarom op de overeengekomen hoogte van de schade in beginsel niet kan worden teruggekomen.

5.3 In eerste aanleg bepleit Achmea dat het toetsingskader waarbinnen herziening van het vastgestelde schadebedrag aan de orde kan zijn, wordt gevormd door artikel 10 lid 3 van de op de verzekeringsovereenkomst tussen partijen toepasselijke Algemene voorwaarden Huiseigenaren- en Huurdersverzekering H-970 - verder: a.v. - (zie productie 1 conclusie van antwoord), dat inhoudt dat het “door de expert(s) vastgestelde schadebedrag kan worden herzien”, indien de verzekeraar dan wel de verzekeringnemer kan aantonen dat:

- “rekening gehouden werd met onjuiste gegevens;

- de polisvoorwaarden onjuist zijn geïnterpreteerd;

- rekenfouten zijn gemaakt”.

5.4 [geïntimeerde] stelt daartegen in eerste aanleg primair (onder 1 tot en met 6 conclusie van repliek) dat [geïntimeerde sub 2] niet (mede) aan de akte van taxatie is gebonden nu deze alleen door [geïntimeerde] is ondertekend en dat bovendien daaraan de voorwaarde is verbonden dat aangetoonde hogere schade ook voor vergoeding in aanmerking zou komen, subsidiair (onder 7 tot en met 10 van die conclusie) dat die akte vernietigbaar is omdat deze door [geïntimeerde] is gesloten onder invloed van een wilsgebrek, meer subsidiair (onder 11 en 12 van die conclusie) dat [geïntimeerde] ook binnen het kader van die akte recht heeft op volledige schadevergoeding en uiterst subsidiair (onder 13 en volgende) dat binnen het kader van de akte het vastgestelde schadebedrag aanpassing behoeft.

5.5 De rechtbank is bij het vonnis van 1 september 2004 (onder 5.7 en 5.8) aan deze primaire, subsidiaire en meer subsidiaire stellingen van [geïntimeerde] voorbij gegaan en heeft geoordeeld dat moet worden bezien of grond bestaat voor herziening van het vastgestelde schadebedrag binnen het raam van artikel 10 lid 3 a.v..

Bij het vonnis van 1 december 2004 heeft de rechtbank aan de daarbij benoemde deskundige de volgende vragen voorgelegd:

“1. kunt u gemotiveerd aangegeven of door [geïntimeerde] is aangetoond dat in de schadevaststelling van Achmea van 17 augustus 2001:

- rekening is gehouden met onjuiste/onvolledige gegevens, (en zo ja, kunt u aangeven welke gegevens onjuist waren),

- de polisvoorwaarden onjuist zijn geïnterpreteerd (en zo ja, waaruit die verkeerde interpretatie bestaat),

- rekenfouten zijn gemaakt (en zo ja, op welke punten de rekenfouten zijn gemaakt).

2. welke andere feiten en/of omstandigheden, gebleken uit het onderzoek, kunnen van belang zijn voor een goed begrip van de zaak?”.

5.6 Ofschoon de aan de deskundige voorgelegde vraag 1 overeenstemt met de door Achmea bij haar akte na tussenvonnis van 6 oktober 2004 voorgestelde vraagstelling, betoogt zij met haar tegen het vonnis van 1 december 2004 gerichte grief 1 dat deze vraag 1 onjuist is. Achmea acht inmiddels het toetsingskader van artikel 10 lid 3 a.v. onjuist, omdat het in het onderhavige geval niet gaat om een door (een) expert(s) vastgesteld schadebedrag maar om een vaststelling van het schadebedrag door de verzekerde en Achmea in onderling overleg. Het gaat hierbij om een vaststellingsovereenkomst waarop alleen kan worden teruggekomen indien er sprake is van zodanig ernstige gebreken, dat gebondenheid van partijen aan de taxatie(vaststelling) naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

5.7 Het hof stelt voorop dat het oordeel van de rechtbank onder 5.7 en 5.8 van het vonnis van 1 september 2004, dat aan de primaire, subsidiaire en meer subsidiaire stellingen van [geïntimeerde] moet worden voorbij gegaan (zie hiervoor onder 5.4) niet in hoger beroep ter beoordeling voorligt. Nog daargelaten dat de rechtbank tegen dat tussenvonnis tussentijds beroep niet heeft toegestaan, richt geen van de grieven zich daartegen. Bovendien kan [geïntimeerde] desgewenst in een later stadium dat (oordeel in dat) tussenvonnis in hoger beroep betrekken en was hij in deze procedure niet genoodzaakt daartegen incidenteel beroep in te stellen (vergelijk Hoge Raad 24 september 1993, NJ 1994, 299). Ook kan de devolutieve werking van een eventueel hoger beroep tegen het nog te wijzen eindvonnis met zich brengen dat in dat beroep die stellingen van [geïntimeerde] alsnog worden onderzocht. In de onderhavige procedure heeft derhalve ook het hof aan die primaire, subsidiaire en meer subsidiaire stellingen van [geïntimeerde] voorbij te gaan en heeft het uit te gaan van de akte van taxatie van 17 augustus 2001 voor de vergoedingsplicht van Achmea jegens [geïntimeerde].

5.8 In het midden kan blijven of de akte van taxatie van 17 augustus 2001 een vaststellingsovereenkomst is waarop de bepalingen van titel 15 van boek 7 BW van toepassing zijn. Ook indien dat het geval is, hebben omstandigheden die zich nadien hebben voorgedaan een nieuwe situatie omtrent hetgeen tussen partijen rechtens geldt in het leven geroepen. Achmea stelt immers zelf (onder 15 en 31 conclusie van dupliek, met verwijzing naar producties 22 tot en met 26 bij de conclusie van antwoord) dat maanden na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst tussen partijen is gediscussieerd over de vraag of de opstalschade op de juiste wijze was vastgesteld, dat zij [geïntimeerde] slechts in de gelegenheid heeft gesteld om aan te tonen dat er sprake was één van de situaties in artikel 10 lid 3 a.v. bedoeld en dat zij hem ook nimmer meer of minder heeft medegedeeld dan dat slechts in de gevallen zoals omschreven in artikel 10 lid 3 a.v. een aanvullende schadevergoeding kan plaatsvinden. [geïntimeerde] heeft op grond daarvan niet anders kunnen begrijpen dan dat de overeengekomen schaderegeling onder bepaalde omstandigheden aantastbaar zou zijn en dat artikel 10 lid 3 a.v. daarvoor het toetsingskader zou vormen. Dit staat eraan in de weg dat thans moet worden uitgegaan van een ander toetsingskader voor de gebondenheid van [geïntimeerde] aan het bij de akte van taxatie van 17 augustus 2001 vastgestelde schadebedrag dan artikel 10 lid 3 a.v.. Omdat de aan [A.] voorgelegde vraag 1 op die bepaling is gestoeld, acht het hof die vraag juist. De eerste grief faalt.

5.9 Grief II richt zich tegen de benoeming van [A.] tot deskundige bij het vonnis van 1 december 2004. De grief faalt omdat ingevolge artikel 194 lid 2 Rv tegen deze benoeming geen hogere voorziening openstaat.

5.10 Met grief III bepleit Achmea dat de rechtbank in haar brief van 2 augustus 2005 (productie 45 bij conclusie na deskundigenbericht Achmea) ten onrechte is blijven vasthouden aan de benoeming van [A.] tot deskundige. Ook deze grief faalt op grond van analoge toepassing van artikel 194 lid 2 Rv.

5.11 De grieven IV tot en met VII richten zich tegen het vonnis van 20 december 2006 en lenen zich voor een gezamenlijke beoordeling. Achmea stelt met deze grieven in de kern dat [A.] alle eisen die aan een deskundige en aan de door deze uit te brengen rapportage kunnen worden gesteld heeft geschonden en dat de rechtbank ten onrechte reële en gemotiveerde bezwaren van Achmea tegen de deskundigheid van [A.], diens werkwijze en de inhoud van zijn rapport heeft gepasseerd.

5.12 Het hof stelt voorop dat op de voet van artikel 198 Rv tot de taak van de deskundige wordt gerekend (voor zover hier van belang) dat deze zijn taak onpartijdig en naar beste weten volbrengt en partijen in de gelegenheid stelt opmerkingen te maken en verzoeken te doen. Daarbij is het vertrouwen gerechtvaardigd dat de deskundige, wanneer deze een partij benadert met relevante verzoeken of opmerkingen, niet zal nalaten de wederpartij daarvan in kennis te stellen en zonodig om commentaar te vragen (zie Parl. Gesch. Bewijsrecht, p. 343-344). Het gaat hier om eerbiediging van de fundamentele procesregel van hoor en wederhoor.

Het hof zal hierna beoordelen of de deskundige aan deze taakomschrijving heeft voldaan en het neemt daarbij de volgende omstandigheden in aanmerking.

5.13 Ter gelegenheid van het deskundigenverhoor op 12 oktober 2006 heeft [A.] verklaard dat hij oprichter en lid is van de Stichting Nationaal Instituut voor Register Contra-Expert en Schaderegelaar (RECO), een stichting van contra-experts die hoofdzakelijk voor verzekerden optreedt. [A.] zijn toen de producties 46 en 47 bij de conclusie na deskundigenbericht van Achmea voorgehouden. Deze betreffen internetpublicaties omtrent RECO en houden, voor zover van belang, in: “Veel mensen weten weinig van schadeafwikkeling (…) Van uw onwetendheid maken schaderegelaars van de verzekeraars soms misbruik, zegt schade-expert [A.]. Hij (…) raadt iedere verzekerde aan om op een regenachtige zondag de polisvoorwaarden van zijn verzekering eens goed door te nemen” respectievelijk “Het loont zeker de moeite om zo’n reco-expert in te schakelen (…) Op iedere inboedelverzekeringspolis in Nederland staat dat de kosten van de contra expertise worden betaald door de verzekeraar. Hoe komt het dat u dit niet weet? Tja, dat is nu precies waar het om gaat: verzekeraars vertellen u dat soort dingen niet!”. [A.] heeft niet verklaard dat die publicaties onjuist zijn; hij heeft daarentegen verklaard dat veel schades vanaf het begin verkeerd worden aangepakt, naar het hof begrijpt: in zijn visie aan de zijde van (door) de verzekeraar (ingeschakelde experts), en dat hij het tot zijn taak rekent fouten bij expertises aan het licht te brengen. Onweersproken is dat [A.] in het kader van de uitoefening van zijn onderneming [...] (hoofdzakelijk) voor verzekerden optrad.

Een en ander doet het beeld ontstaan dat [A.] vanuit zijn bedrijfsvoering en taakopvatting zich (hoofdzakelijk) inzet voor de belangen van verzekerden en zonder enige reserve stelling neemt tegen verzekeraars in het algemeen. Reeds daarmee lijkt de vereiste onpartijdigheid van [A.] als deskundige in het geding.

5.14 Geen feiten en omstandigheden zijn gesteld die dit beeld ontzenuwen. Het tegendeel, toegespitst op verzekeraar Achmea, is het geval. In het concept-rapport van mei 2005 (productie 33 conclusie na deskundigenbericht Achmea) en in het eindrapport komen namelijk onder meer de volgende passages voor (waarin het hof in plaats van “Centraal Beheer” leest: “Achmea”):

- “Centraal Beheer is een verzekering welke garantiedekking biedt voor een verzekerd risico, zowel voor opstal als inboedel.

Centraal Beheer maakt dagelijks reclame op radio en tv o.a. met de slogan: Met Centraal Beheer bent u nooit onderverzekerd, bel vandaag en u krijgt € 10, 00 korting.

In werkelijkheid tracht Centraal Beheer nagenoeg bij iedere grote brand de gehele verzekerde som te beperken tegen een maximale vergoeding t.a.v. betaalde premie of gemaximaliseerd kapitaal” (…);

“Het is geheel onterecht dat men maximalisering toepast terwijl Centraal Beheer adverteert met een onderverzekeringspolis (zie bijlage 4).

De verzekeraar misleidt op deze manier de verzekerde door Register experts de schade te laten regelen. Zodra er gedreigd wordt met een procedure (dagvaarding) zullen ze overgaan tot uitbetaling van alle kosten, eerder niet.

Deze vorm van schaderegelen is ongeoorloofd van zowel de verzekeraars als de Register experts, welke zich hiervoor laten betalen om de schade voor hun opdrachtgever te behandelen, terwijl er een volledige garantiedekking aanwezig is.

Naast de polis van de schadedatum zijn er nog 2 nieuwe polissen aan verzekerde verstrekt (zie bijlage 5). Hierin wordt de garantiedekking telkens weersproken. Deze polis staat haaks op de voorwaarden welke de klant ontvangt om hem bij schade gerust te stellen. In werkelijkheid bedoelt men namelijk iets geheel anders…..

In het belang van de verzekeraar garandeert de polis maximalisering van de verzekerde som i.p.v. onderverzekeringsgarantie. Bij navraag omtrent deze regeling bij Centraal Beheer was het antwoordt van een schadebehandelaar: Jammer dan, we gaan niet verder dan het genoemde bedrag op de polis” (zie pagina 10 conceptrapport);

- “De onderhavige polis en polisvoorwaarden zijn misleidend voor verzekerde. Er wordt reclame gemaakt voor geen onderverzekering inboedel en opstal terwijl men dit niet realiseert” (zie pagina 22 conceptrapport en pagina 26 eindrapport deel I);

- “Wanneer men er dan toch een maximalisering op na houdt dan wordt verzekerde toch zwaar misleid en onjuist ingelicht.” (zie pagina 23 conceptrapport en pagina 26 eindrapport deel I).

Deze citaten uit het conceptrapport en het eindrapport houden (grotendeels) opvattingen van [A.] in ter zake van (de afwikkeling van) de inboedelschade die buiten het door de rechtbank hem opgedragen onderzoek vallen. Enige valide verklaring daarvoor ontbreekt. Het beschuldigende karakter van die opvattingen in aanmerking genomen, kan er dan ook vanuit worden gegaan dat [A.] daarmee Achmea in een kwaad daglicht heeft willen stellen ten aanzien van de wijze waarop zij aspirant-verzekerden beweegt een verzekeringsovereenkomst met haar te sluiten en vervolgens erop uit is schade-uitkering te minimaliseren. Die kleuring, die het hof als onnodig beschouwt reeds omdat de inboedelschade tussen partijen niet in debat is, komt wel degelijk gewicht toe bij de beoordeling van de vereiste onpartijdigheid van [A.] als deskundige en in dat verband komt ook betekenis toe aan passages die in het conceptrapport voorkwamen maar in het eindrapport zijn geschrapt of gewijzigd, anders dan de rechtbank kennelijk heeft geoordeeld. Het hof acht de hiervoor weergegeven citaten in onderling verband en ook in samenhang bezien met de onder 5.13 vermelde omstandigheden getuigen van een zodanige gekantheid van [A.] tegen Achmea als verzekeraar dat valt te billijken dat Achmea het vertrouwen in de onpartijdigheid van [A.] als deskundige heeft verloren. Aangenomen kan dan ook niet worden dat [A.] zijn opdracht naar de eis van artikel 198 lid 1 Rv onpartijdig heeft volbracht.

5.15 Hierbij komt nog dat vast staat dat [A.] in het kader van zijn onderzoek een bezoek heeft gebracht aan reconditioneringsbedrijf Dolmans en dat hij zich liet vergezellen van [geïntimeerde], zonder dat Achmea of haar advocaat hiervan op de hoogte waren. Vast staat dat Achmea eerst bij toeval naar aanleiding van een overgelegde productie in eerste aanleg kennis nam van dat eenzijdige contact tussen [A.] en [geïntimeerde] (zie onder 5 en 6 akte overlegging producties van 21 december 2005 Achmea). Vast staat tevens dat [A.] van dat eenzijdige contact geen verslag heeft gedaan. Uit de onbestreden productie 52 bij die akte kan worden afgeleid dat [A.] en [geïntimeerde] toen hebben gesproken met Van der Weiden van Dolmans. [A.] heeft ter gelegenheid van zijn verhoor verklaard dat [geïntimeerde] toen niets mocht zeggen. Omdat verslaglegging en nadere toelichting door [A.] hier ontbreekt (en [geïntimeerde] op dit punt evenmin feiten en omstandigheden heeft aangedragen) is een onzekere situatie ontstaan waarin niet kan worden uitgesloten dat relevante informatiewisseling tussen [A.] en [geïntimeerde] heeft plaatsgehad. Niet vereist is dat Achmea of haar advocaat daarbij in beginsel aanwezig hadden moeten zijn (zie Hoge Raad 12 februari 1993, NJ1993, 234). Daarom kan voorbij worden gegaan aan de - gemotiveerd bestreden - stelling van [geïntimeerde] (onder 21 van de memorie van antwoord) dat Achmea met eenzijdige contacten tussen [A.] en [geïntimeerde] heeft ingestemd als ook aan zijn bewijsaanbod op dat punt. Het onderhavige geval kenmerkt zich echter hierdoor dat het eenzijdige contact tussen [A.] en [geïntimeerde] in het kader van het bezoek aan Dolmans buiten medeweten van Achmea of haar advocaat heeft plaatsgevonden, zonder dat daarvan in de rapportage van [A.] verslag is gedaan en zonder dat kan worden uitgesloten dat Achmea ten onrechte niet in de gelegenheid is geweest daarop commentaar te geven. Daarmee is een ongelijkheid in procespositie ontstaan ten nadele van Achmea die zij niet in voldoende mate heeft kunnen wegnemen met het stellen van vragen aan [A.] en het maken van opmerkingen, anders dan de rechtbank kennelijk van oordeel is, reeds omdat voor Achmea oncontroleerbaar is hetgeen zich tussen [A.] en [geïntimeerde] toen heeft afgespeeld en zij dan ook niet voldoende in staat kan worden geacht daarop adequaat te hebben kunnen reageren. Het hof acht dan ook eveneens te billijken dat Achmea zich onvoldoende gehoord acht.

5.16 Hetgeen hiervoor is overwogen leidt ertoe dat het rapport van [A.] en hetgeen hij in aanvulling daarop ter gelegenheid van zijn verhoor heeft verklaard niet bruikbaar is als deskundigenbericht. Niet valt in te zien dat Achmea met deze gegronde bezwaren tegen het rapport van [A.] handelt in strijd met een goede procesorde, zoals [geïntimeerde] (onder 45 van de memorie van antwoord) betoogt. De grieven IV, V en VII slagen in zoverre. Grief VI, die ertoe strekt dat de deskundige niet ter zake kundig is, behoeft daarom geen bespreking meer. Het bewijsaanbod van [geïntimeerde] wordt gepasseerd omdat het niet ter zake dienend is.

5.17 Het hof onderkent dat partijen als gevolg hiervan komen te verkeren in de situatie van vóór het bestreden vonnis van 1 december 2004, waarbij [A.] als deskundige is benoemd. Inmiddels is een geruime tijd verstreken, zijn aanzienlijke kosten voor de bemoeienissen van [A.] betaald (€ 17.500,-) en heeft [geïntimeerde] de woning verkocht (en naar het hof voorshands aanneemt ook geleverd). Dit brengt het hof ertoe om geraden te achten met partijen over de verdere voortgang van de procedure te overleggen. Daartoe zal een comparitie van partijen worden bepaald. Deze zal tevens dienstbaar worden gemaakt aan het beproeven van een minnelijke regeling. De zaak zal naar de rol worden verwezen voor het opgeven van verhinderingen. Elke verdere beslissing zal worden aangehouden.

6. De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

bepaalt dat partijen (Achmea vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte en tot het geven van de verlangde inlichtingen in staat is en hetzij bevoegd hetzij speciaal schriftelijk gemachtigd is tot het aangaan van een schikking en [geïntimeerde] in persoon) tezamen met hun raadslieden zullen verschijnen voor het tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr J. Wesseling-Lubberink, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem, op een nader te bepalen dag en tijd, zulks tot het geven van inlichtingen als onder 5.17 aangegeven en opdat kan worden onderzocht of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden;

bepaalt dat partijen de verhinderdagen van partijen en hun advocaten in de maanden mei, juni en september 2008 zullen opgeven op de rolzitting van 22 april 2008, ambtshalve peremptoir, waarna dag en uur van de comparitie (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld en alsdan in beginsel geen uitstel in verband met verhinderingen zal worden verleend;

houdt elke verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs Wesseling-Lubberink, Wattendorff en Van Daalen en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 april 2008.