Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BD2016

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
21-05-2008
Datum publicatie
21-05-2008
Zaaknummer
21-004677-07
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2007:BB7670, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Doodslag. Verdachte schiet om wapen (van slachtoffer) te ontladen. Voorwaardelijk opzet. Noodweer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 21-004677-07

Uitspraak d.d.: 21 mei 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Arnhem

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Arnhem van 13 november 2007 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 05-510098-06, in de strafzaak tegen

verdachte

geboren te (geboorteplaats) op (geboortedatum),

wonende te (woonplaats), (adres).

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 7 mei 2008 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Deze vordering houdt ondermeer in dat verdachte terzake van de feiten 1 primair en 2 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr M.G. Spijker, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 18 juli 2007 in de gemeente Nijmegen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk slachtoffer I van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte en/of verdachtes mededader(s) opzettelijk met een vuurwapen een of meerdere patro(o)n(en)/projektiel(en) heeft afgevuurd op/in de richting van voornoemde D. Sopamena, welke patro(o)n(en)/projektiel(en) voornoemde Sopamena heeft/hebben getroffen, tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 18 juli 2007 in de gemeente Nijmegen met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, te weten de [straatnaam I] en/of de [straatnaam II], in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer I] en/of [slachtoffer II] en/of [slachtoffer III] en/of [slachtoffer IV] en/of een ander of anderen, welk geweld bestond uit het slaan en/of stompen en/of schoppen en/of trappen en/of duwen en/of trekken en/of schelden en/of het geven van een zogenaamde 'voetveeg' en/of het afvuren van een of meerdere patro(o)n(en)/projektiel(en) van/tegen/aan/in de richting van voornoemd(e) perso(o)n(en), waarbij hij, verdachte, tegen [slachtoffer III] heeft gescholden en/of (tegen de adamsappel van) [slachtoffer III] heeft geduwd en/of [slachtoffer I] een zogenaamde 'voetveeg' heeft gegeven en/of (vervolgens) een of meerdere patro(o)n(en)/projektiel(en) op/in de richting van [slachtoffer I] heeft afgevuurd, welk door hem gepleegd geweld (uiteindelijk) de dood van [slachtoffer I] ten gevolge heeft gehad;

art 141 lid 2 ahf/sub 3 Wetboek van Strafrecht

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 18 juli 2007 in de gemeente Nijmegen, door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, met een vuurwapen meerdere patro(o)n(en)/projektiel(en) af te vuren, terwijl [slachtoffer I] zich in de

direkte omgeving van voornoemd vuurwapen bevond, waardoor het aan zijn, verdachtes, schuld te wijten is geweest dat twee patro(o)n(en)/projektiel(en) voornoemde [slachtoffer I] hebben getroffen, en [slachtoffer I] daardoor zodanig letsel, te weten meervoudig schotletsel (beide longen werden doorboord), heeft bekomen, dat deze aan de gevolgen daarvan is overleden;

art 307 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 307 lid 2 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 04 juni 2007 in de gemeente Haarlem opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer V]), meerdere malen, althans eenmaal (met kracht) in het gezicht, althans op/tegen het hoofd heeft geslagen en/of gestompt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 1 primair tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daartoe het volgende:

In de avond van 18 juli 2007 komt de familie van het slachtoffer naar de [straatnaam I] te Nijmegen om daar verhaal te halen bij de familie van verdachte. Dat verhaal hield verband met een ruzie die eerder die dag was voorgevallen tussen de (stief)broer van het slachtoffer en de broer van verdachte. Over en weer wordt er gescholden en met voorwerpen gegooid. Hierna gaan diverse leden van de families met elkaar op de vuist. Verdachte houdt zich afzijdig van dit gebeuren, omdat - volgens zijn eigen verklaring - nog sprake is van een schorsing van zijn voorlopige hechtenis vanwege het onder 2 tenlastegelegde.

Op een zeker moment ziet verdachte dat het slachtoffer zich verwijdert uit de groep en een pistool tevoorschijn haalt. Verdachte hoort, evenals diverse getuigen, dat de (stief)vader van het slachtoffer, [betrokkene I], roept: "Schieten [voornaam slachtoffer I], schieten". Hierop loopt verdachte naar het slachtoffer en haalt hem met een voetveeg onderuit; hij wil het wapen afpakken, omdat hij bang is dat zijn familie iets zal overkomen. Zowel verdachte als het slachtoffer komt ten val en beiden proberen het wapen te bemachtigen, dat - net buiten hun bereik - op straat is gevallen. Nadat in eerste instantie beiden het pistool vasthielden - het wapen is toen één keer afgegaan - slaagt verdachte er in het pistool te bemachtigen, waarna hij diverse keren schiet. Verdachte haalt vervolgens, staande, de trekker nog twee maal over en richt naast het hoofd van het slachtoffer dat nog op de grond ligt. Verdachte hoort dan één knal en één klik, waarna hij het wapen aan de (stief)vader van het slachtoffer overhandigt. Het slachtoffer staat op en loopt nog enkele tientallen meters alvorens hij in een tuin neerzakt en overlijdt. Twee schoten hebben het slachtoffer dodelijk getroffen, zo blijkt uit het obductieverslag. De kogels perforeerden onder meer de longen hetgeen gepaard ging met een massale inwendige bloeding en het slachtoffer is tengevolge van de letsels in combinatie met bloedverlies en weefselschade overleden.

Er zijn zes hulzen gevonden, die zeer waarschijnlijk met het door het slachtoffer getrokken wapen zijn afgevuurd. Het hof gaat er daarom vanuit, dat er in totaal zes schoten zijn gevallen, mede omdat er maximaal zes patronen in het magazijn pasten.

De beide in het lichaam van het slachtoffer aangetroffen kogels zijn eveneens zeer waarschijnlijk met dit pistool afgevuurd.

De raadsman heeft betoogd dat er geen bewijzen zijn waaruit blijkt dat het slachtoffer dodelijk is getroffen door een kogel of kogels die door verdachte zijn afgevuurd. Voorts is aangevoerd dat verdachte het slachtoffer niet opzettelijk van het leven heeft willen beroven, en dat hij (verschoonbaar) in de veronderstelling verkeerde dat hij een 'nepwapen' heeft afgevuurd.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat het eerste schot gelost is tijdens de worsteling tussen verdachte en het slachtoffer, terwijl dat wapen werd vastgehouden door zowel verdachte als het slachtoffer. Het tweede, derde, vierde en vijfde schot is door verdachte afgevuurd, terwijl hij als enige het wapen vasthad. Hij heeft de schoten afgevuurd, (ook) met de loop in de richting van het slachtoffer. Het zesde schot heeft verdachte, vanuit een staande positie, van (zeer) korte afstand gelost, en gericht vlak naast het hoofd van het slachtoffer, dat toen op de grond lag. Hiermee staat voor het hof vast dat ten minste één projectiel, afgevuurd op een moment dat verdachte als enige het pistool vasthield, het lichaam van het slachtoffer heeft getroffen. Met de advocaat-generaal is het hof van mening dat ook in het geval van één enkel dodelijk schot afgevuurd door verdachte, het overlijden van het slachtoffer redelijkerwijs valt toe te rekenen aan het handelen van verdachte, nu de patholoog nader heeft verklaard dat beide schoten ieder voor zich dodelijk waren.

Ten aanzien van de stelling van verdachte dat hij in de veronderstelling verkeerde dat het een 'nepwapen' was, dat hij afvuurde, overweegt het hof het volgende.

Verdachte heeft verklaard dat hij het wapen van het slachtoffer wilde afpakken omdat hij dacht dat het slachtoffer zijn familie zou doodschieten. Hiermee staat vast dat verdachte er toen van uit ging dat het een echt vuurwapen was dat hij van het slachtoffer afpakte. Het hof is dan ook van oordeel dat verdachte, door van een relatief korte afstand meermalen met een vuurwapen te schieten zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij het slachtoffer dodelijk zou treffen. Daaraan doet niet af dat verdachte mogelijk op enig moment van het schieten heeft gedacht - of is gaan denken - dat het een 'nepwapen' was.

Niet uitgesloten kan worden, dat het eerste schot één van de twee schoten was, die het slachtoffer dodelijk hebben getroffen. Van dit schot kan niet gezegd worden dat het door verdachte opzettelijk is gelost, nu beiden het wapen vasthadden.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij op 18 juli 2007 in de gemeente Nijmegen opzettelijk [slachtoffer I] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk met een vuurwapen patronen heeft afgevuurd op/in de richting van voornoemde [slachtoffer I] en één van die patronen voornoemde [slachtoffer I] heeft getroffen, tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden;

2.

hij op 4 juni 2007 in de gemeente Haarlem opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer V]), meermalen met kracht in het gezicht heeft geslagen en/of gestompt, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde:

Doodslag.

ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Mishandeling.

Beroep op noodweer

Ter terechtzitting heeft de raadsman een beroep gedaan op noodweer. De raadsman voert daartoe aan dat verdachte niet te ver is gegaan in zijn verdediging, binnen de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit heeft gehandeld en dat verdachte op grond daarvan dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De raadsman heeft in zijn ter zitting overgelegde pleitnota de gronden van het verweer weergegeven.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat weliswaar het eerste schot is gelost in een noodweersituatie, maar dat deze noodweersituatie daarna was geweken. De daarna geloste schoten waren niet noodzakelijk in verband met een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding, nu de aanranding was geëindigd. De advocaat-generaal heeft zich daarbij in belangrijke mate gebaseerd op de getuigenverklaring van [betrokkene II] die stelt dat hij de verdachte heeft zien schieten terwijl het slachtoffer onder hem lag.

Verdachte heeft verklaard dat ten tijde van het eerste schot het slachtoffer en hijzelf het wapen allebei vasthielden. Ten aanzien van de daarop volgende schoten met uitzondering van het laatste schot had de verdachte het wapen vast, met zijn vinger om de trekker, terwijl het slachtoffer de pols van de verdachte vasthield. Op dat moment duurde de worsteling/vechtpartij nog voort volgens de verdachte. Bij het laatste schot had de verdachte het wapen nog steeds vast, maar het slachtoffer niet meer. Verdachte heeft vervolgens naast het slachtoffer in de richting van het wegdek geschoten. Verdachte stelt dat hij het pistool zo snel mogelijk heeft willen leegschieten en aldus onschadelijk maken.

Er zijn geen getuigen, met uitzondering van [betrokkene II], die verklaren te hebben gezien of de pols van de verdachte door het slachtoffer werd vastgehouden terwijl hij het wapen afvuurde. Vele getuigen verklaren een worsteling/vechtpartij te hebben waargenomen waarin kort na elkaar de schoten vallen. Het hof wijst onder meer op de verklaring van [betrokkene III] (p. 395) en [betrokkene IV] (p. 932). Slechts de getuige [betrokkene II] verklaart te hebben gezien dat de verdachte de schoten heeft gelost terwijl het slachtoffer op de grond zou hebben gelegen. Het hof acht – anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal – deze verklaring onvoldoende betrouwbaar. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de getuige [betrokkene II] ’s avonds na de schietpartij, na door de politie te zijn aangesproken, heeft verklaard dat hij tijdens de vechtpartij is geslagen en even buiten bewustzijn is geweest. Terwijl hij op de grond lag, heeft hij de schoten gehoord (p. 57). De volgende dag in de middag heeft de politie waargenomen dat de bestuurder van een auto in gesprek was met de (stief)vader van het slachtoffer. De (stief)vader van het slachtoffer heeft vervolgens verklaard dat de bestuurder [betrokkene II] betrof en dat hij zou hebben gezien dat de verdachte het slachtoffer aanviel en een beweging met de hand schuin naar voren zou hebben gemaakt alsof hij schoot (p. 84). Diezelfde avond heeft de getuige [betrokkene II] een verklaring afgelegd inhoudende dat hij, nadat hij schoten hoorde, in de richting van de schoten keek en zag dat de verdachte zijn vuist in de richting van het slachtoffer hield en zijn hand “met korte snukken heen en weer bewoog”. Gelet op de omstandigheid dat de getuige in de avond na de schietpartij verklaart alleen de schoten te hebben gehoord en buiten bewustzijn te zijn geweest, hecht het hof geen waarde aan de latere verklaring van de getuige, afgelegd na contact met de (stief)vader van het slachtoffer en terwijl het verhaal al rondging dat verdachte de schutter zou zijn geweest. Daarbij merkt het hof nog op dat de getuige in eerste instantie ’s avonds tegenover de politie heeft verklaard dat hij het slachtoffer niet op de [straatnaam I] heeft gezien tijdens de ruzie en dat hij niets meer weet (p. 57)

Het hof komt dan ook tot de conclusie dat de verklaring van verdachte niet wordt tegengesproken door getuigenverklaringen. Evenmin sluit het gedane technische onderzoek de lezing van de verdachte uit. Uitgaande van die op zichzelf niet onaannemelijke lezing is het hof van oordeel dat ook bij het tweede tot en met het vijfde schot verdachte de macht over het pistool nog niet definitief had verworven en er integendeel een reële kans bestond dat het pistool weer in handen zou komen van het slachtoffer waarna die alsnog op verdachte of een ander zou schieten. Verdachte heeft dan ook door het wapen tijdens de voortdurende worsteling meermalen af te vuren gehandeld ter noodzakelijke verdediging. De ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding heeft voortgeduurd tot en met het vijfde schot. De verdachte heeft dan ook in noodweer gehandeld. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat het slachtoffer, toen zijn familie verhaal ging halen, eerst een wapen heeft opgehaald, dit wapen doorgeladen bij zich had en het wapen heeft getrokken en werd aangemoedigd te schieten, naar aanleiding waarvan de verdachte heeft gereageerd. In het licht van deze omstandigheden, waarbij het slachtoffer zich levensbedreigend heeft gedragen, acht het hof het schieten van verdachte gedurende de worsteling, terwijl het slachtoffer de pols van verdachte vasthield in een kennelijke poging de macht over het wapen te heroveren, niet disproportioneel en niet in strijd met de subsidiariteit.

Ten aanzien van het zesde schot merkt het hof op dat het handelen van verdachte, het gericht schieten naast het slachtoffer op het wegdek, zijn verklaring dat hij het wapen zo snel mogelijk leeg wilde schieten om het onschadelijk te maken, in een ander daglicht stelt. Dit is evenwel onvoldoende om daaruit af te leiden dat de eerdere schoten niet in een noodweersituatie zijn gelost. Voorts geldt dat ten aanzien van deze zesde kogel dat de wettige bewijsmiddelen ontbreken om te concluderen dat dit één van de twee dodelijke kogels is geweest.

Het feit is op grond van het vorenstaande niet strafbaar en verdachte dient derhalve ten aanzien van dit feit ontslagen te worden van alle rechtsvervolging.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- dat verdachte reeds eerder voor soortgelijke delicten door de rechter tot straf is veroordeeld.

Het onder 1 primair tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met behulp van het hierna te noemen inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp. Het zal aan het verkeer worden onttrokken aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Arnhem van 13 maart 2006 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14g, 14h, 14i, 14j, 36b, 36c, 36d, 57, 287 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Kwalificeert het onder 1 primair bewezenverklaarde als hiervoor vermeld.

Verklaart het onder 1 primair bewezenverklaarde niet strafbaar en ontslaat verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Verklaart het onder 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De in beslag genomen voorwerpen

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

een pistool, merk Browning, model baby FN, kleur zwart.

Tenuitvoerlegging

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Arnhem van 13 maart 2006, te weten van:

gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

De voorlopige hechtenis ten aanzien van feit 2

Heft op het geschorste, tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door

mr R. van den Heuvel, voorzitter,

mr F.J.P.M. Haas en mr. E.H. Schulten, raadsheren,

in tegenwoordigheid van D.P. Post, griffier,

en op 21 mei 2008 ter openbare terechtzitting uitgesproken.