Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BD1523

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
07-05-2008
Datum publicatie
14-05-2008
Zaaknummer
21-004342-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inhoudsindicatie

Oplichting, overtreding van de Wet toezicht kredietwezen 1992, overtreding van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 alle begaan door rechtspersonen, terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven, en deelneming aan een criminele organisatie, 6 jaar gevangenisstraf.

Namens verdachte is het verweer gevoerd dat er geen sprake was van opzet en evenmin van een criminele organisatie.

Beide verweren worden door het hof verworpen. Uit de bewijsmiddelen is af te leiden dat verdachte en zijn mededaders reeds bij het binnenhalen van de te beleggen gelden niet van plan zijn geweest beleggingen te doen zoals aan de inleggers is voorgespiegeld. Voorts merkt het hof de conglomeraten, die bestonden uit natuurlijke personen en rechtspersonen die zich in een gestructureerd en duurzaam verband bezig hielden met in de bewezenverklaring genoemde strafbare feiten, aan als een criminele organisatie in de zin van artikel 140 Sr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 21-004342-06

Uitspraak d.d.: 7 mei 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Arnhem

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zutphen van

18 oktober 2006 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 21-000933-02, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum].

Thans gedetineerd te Huis van Bewaring Ooyerhoekseweg te Zutphen.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 24 oktober 2007en 23 april 2008 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr R.F. Speijdel, naar voren is gebracht.

Omvang van het hoger beroep

Namens verdachte is ter terechtzitting verklaard dat hij geen rechtsmiddel heeft willen instellen tegen dat deel van het vonnis waarvan beroep waarbij hij van het onder feit 1 primair, oplichting van de personen genaamd [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2], tenlastegelegde werd vrijgesproken. Het hoger beroep van verdachte blijft daarom beperkt tot dat deel van het vonnis waarvan beroep waarbij verdachte ter zake van het onder feit 1, de overige genoemde personen en feit 2 tot en met 10 tenlastegelegde werd veroordeeld. Het hof zal overigens ook vrijspreken van het onder 3 ten laste gelegde, voorzover betrekking hebbend op de personen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2].

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

(zie voor de inhoud van de dagvaarding bijlage IIa en voor de inhoud van de wijziging van de tenlastelegging bijlage IIb)

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Door de raadsman is ter zitting van het hof betoogd dat er onder de verantwoordelijkheid van verdachte wel dingen zijn fout gegaan bij [rechtspersoon 2], [rechtspersoon 3] en [rechtspersoon 1] en dat verdachte dat ook erkent, maar dat hij niets opzettelijk fout heeft gedaan en dat hij geen intentie heeft gehad om zich wederrechtelijk te verrijken. Ter zake van de feiten 1, 4, 5, 7, 8 en 10 kan dan ook geen veroordeling volgen.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende. Medio 2003 zijn er door de politie en de FIOD vele meldingen ontvangen van particuliere beleggers inhoudende dat zij geld hadden belegd bij [rechtspersoon 2], dan wel geld hadden geleend aan [rechtspersoon 2]. Zij vreesden dat hun ingelegde gelden waren verdwenen. Hun was voorgehouden dat hun geld zou worden geïnvesteerd in tropische plantagematige bosbouw in Brazilië. Zij zouden 1% rendement per maand als “voorschotrendement” ontvangen en na afloop zouden deze voorschotten verrekend worden met een slotrendement. Als zekerheid zou de participant het vruchtgebruik van het aan hem toebedeelde perceel krijgen.

Vast is komen te staan dat verdachte middellijk via [rechtspersoon 3] en [rechtspersoon 7] bestuurder was van [rechtspersoon 2] in de periode van 28 december 1999 tot 1 september 2000. Daarnaast was verdachte (als natuurlijk persoon) bestuurder van [rechtspersoon 2] in de periode van 16 november 2000 tot 1 juni 2001.

Uit onderzoek is tevens gebleken dat verdachte in de periode van 29 december 1999 tot 1 juni 2001 (middellijk) bestuurder en aandeelhouder is geweest van het bedrijf [rechtspersoon 3] en dat verdachte sedert 13 september 2001 tot 30 september 2004, met uitzondering van de periode 13 juni 2003 tot 1 september 2003, direct, dan wel indirect bestuurder van [rechtspersoon 1] was. Beide BV’s verkochten participaties aan particuliere beleggers en hielden de beleggers voor dat de gelden werden belegd in vastgoed.

Uit het financieel onderzoek is gebleken dat de ingelegde gelden bij [rechtspersoon 2] niet of slechts voor een zeer gering deel werden aangewend ter belegging in plantagematige bosbouw in Brazilië. Verder blijkt uit diverse verklaringen dat er nimmer sprake is geweest van daadwerkelijke exploitatie van de Braziliaanse houtopstanden.

Zo verklaren [verdachte 2] en [getuige 1] dat er nooit kapopbrengsten zijn geweest, dat door [rechtspersoon 2] geen euro omzet werd gegenereerd en dat rendementen die zijn uitgekeerd als opbrengsten uit bosbouwprojecten feitelijk afkomstig waren van de inleg van nieuwe beleggers.

[getuige 2] en [getuige 3] verklaren dat er nimmer een zaagfabriek is gerealiseerd in Brazilië en naar aanleiding van een telefoontap op 28 april 2004 verklaart [getuige 2]: “De kwalificatie dat investeerders in het [rechtspersoon 2] project “lucht” hebben gekocht in de tijd van de “cowboys” (het hof begrijpt : [verdachte 3] en [verdachte]) en dus belazerd zijn, durf ik wel aan.”

Uit de verklaring van [getuige 4] blijkt voorts dat het registreren van de uitgegeven percelen aan Nederlandse participanten op naam van die participanten niet heeft plaatsgevonden in Brazilië, evenmin als het vestigen van het recht op vruchtgebruik op de percelen.

Uit het financieel onderzoek is tevens naar voren gekomen dat [rechtspersoon 7], aan welke besloten vennootschap de aandelen van [rechtspersoon 2] en nog een aantal andere vennootschappen waren overgedragen, tegen een onrealistische waarde indirect zijn verkocht aan [verdachte] en [verdachte 3]. De totale koopprijs bedroeg ongeveer Nlg 10 miljoen. Dit terwijl het eigen vermogen van de overgedragen vennootschappen Nlg 2,7 miljoen negatief bedroeg. Een deel van de betalingen aan de (indirecte) verkoper [verdachte 4] werd gefinancierd uit gelden die door participanten waren ingelegd bij [rechtspersoon 2]. Op 1 juni 2001 verkoopt verdachte zijn indirecte belang van 50% in [rechtspersoon 7] aan [verdachte 3]. In totaal ontvangt [verdachte] naar aanleiding van deze aandelentransacties Nlg 2.600.000,-. Dit terwijl volgens de voormalige externe accountant van [rechtspersoon 3], [getuige 5], het vermogen van [rechtspersoon 7] op 31 december 2000 nagenoeg Nlg 13 miljoen negatief bedroeg en verdachte blijkens zijn eigen verklaring ten tijde van de aandelenoverdracht ook geweten moet hebben dat er ernstige financiële problemen waren binnen het [rechtspersoon 7]-concern.

Ter zitting bij de rechtbank heeft verdachte verklaard dat de overname van [rechtspersoon 2] door [verdachte 3] en hemzelf met gelden uit [rechtspersoon 2] zelf werd gefinancierd. Het hof merkt die handelwijze aan als malafide, nu op die wijze grote bedragen aan de vennootschap werden onttrokken. Voorts heeft verdachte verklaard hij dat hij wist dat er in 2001 (nog steeds) geen kap plaatsvond in Brazilië, dat er geen zagerij was en dat een deel van de rendementen werd betaald uit door nieuwe beleggers ingelegd geld. Ter zitting van het hof d.d. 24 oktober 2007 heeft verdachte verklaard dat er geen apart toezicht op of registratie was van de binnenkomende gelden van beleggers, voorts dat, zoals [verdachte 4] hem had uitgelegd, 36% van de inleg gebruikt zou worden om beleggers 36 maanden lang hun rendement van 1% uit te betalen en dat er tegen hen niet werd verteld dat er nog niet gekapt werd.

Ook de in [rechtspersoon 3] en van [rechtspersoon 1] ingebrachte gelden ten behoeve van beleggingen in onroerend goed zijn niet of nauwelijks geïnvesteerd in onroerend goed en zijn evenmin gereserveerd om op een later moment tot investering over te kunnen gaan. De gelden die door de participanten waren gestort op de bankrekeningen van [rechtspersoon 3] en [rechtspersoon 1] werden grotendeels in rekening-courant overgeboekt op de bankrekeningen van andere vennootschappen. Daarnaast werden van de ingelegde gelden zakelijke kosten betaald en de maandelijkse rendementen uitgekeerd, alsmede de provisies van de verkopers.

[verdachte 2] heeft verklaard, dat het bestaan van liquiditeitsproblemen bij [rechtspersoon 2] de reden was dat [rechtspersoon 3] werd opgericht. Het geld van [rechtspersoon 3] werd gebruikt in [rechtspersoon 2] om de verplichtingen jegens haar beleggers te kunnen nakomen.

[getuige 5], voormalig externe accountant van [rechtspersoon 3], heeft naar hij heeft verklaard, geconstateerd dat het geld van de participanten via de rekening-courant naar [rechtspersoon 7] is gevloeid en van daaruit naar [rechtspersoon 2] is gegaan. Daar waren echter geen zakelijke redenen voor, anders dan de financiering van [rechtspersoon 2] en de andere dochtermaatschappijen van [rechtspersoon 7]. De rentabiliteitsmogelijkheden van [rechtspersoon 3] achtte hij, gelet op de rendementsuitkeringen en provisiebetalingen aan de vertegenwoordigers, nihil. De in 2000 door de participanten ingelegde gelden zijn grotendeels gebruikt voor leningen aan vennootschappen, gelieerd aan [verdachte 3] en [verdachte].

[getuige 1] verklaart dat dezelfde constructie als bij [rechtspersoon 2] is toegepast bij [rechtspersoon 3].

[getuige 6], extern belastingadviseur/accountant van [rechtspersoon 1], verklaart dat het geld van [rechtspersoon 1] via [rechtspersoon 3] naar [verdachte] in rekening-courant ging. Daar stond geen enkele dekking tegenover. [rechtspersoon 1] had geen vastgoed wat wel vereist was in het kader van de gelden die ter belegging in onroerend goed van cliënten werden ontvangen. Het enige vastgoed in [rechtspersoon 1] zou het pand Beatrixpark zijn. Door [getuige 7], de opvolger van de [getuige 6], is verklaard dat de administratie een puinhoop was, dat verliezen van andere vennootschappen door [rechtspersoon 1] werden gefinancierd uit de beleggingsgelden van participanten en dat het onroerend goed onvoldoende opbracht om de rendementen van de beleggers te kunnen betalen.

Verdachte heeft bij de rechtbank m.b.t. [rechtspersoon 3] toegegeven dat er wegens liquiditeitstekort geen aankoop van onroerend goed heeft plaatsgevonden, dat de rendementen werden betaald uit geld dat door nieuwe inleggers werd ingebracht en dat er veel geld uit [rechtspersoon 3] naar [rechtspersoon 2] is gegaan. Hij heeft verder verklaard dat als hij zelf de situatie had geweten als inlegger, hij zijn geld er ook niet zou hebben ingestoken.

Ten aanzien van [rechtspersoon 1] heeft verdachte in eerste aanleg verklaard dat van de ingelegde gelden een deel in het bedrijf is gevloeid ten behoeve van kosten die werden gemaakt, een deel als rendement aan de beleggers werd uitbetaald en dat een deel is overgeboekt naar andere BV’s. Ter zitting van het hof bevestigt verdachte dat een groot deel van het ingelegde geld niet is belegd in onroerend goed.

Ten aanzien van alle drie de bedrijven, [rechtspersoon 2], [rechtspersoon 3] en [rechtspersoon 1] geldt voorts dat een aanzienlijk deel van de beleggingsgelden werd aangewend voor “privé-doeleinden” van verdachte en zijn medeverdachte [verdachte 3].

[getuige 8] verklaart dat er na het vertrek van [verdachte 4] bij [rechtspersoon 2] grotere bedragen werden uitgegeven aan meubilair en auto’s. [verdachte] en [verdachte 2] gingen in een BMW/Mercedes rijden. Ook [getuige 2] verklaart dat [verdachte] en [verdachte 3] direct na de overname in een grote Mercedes reden.

[getuige 6] verklaart dat verdachte tegen hem had gezegd dat hij het geld, afkomstig van [rechtspersoon 1] onder meer had gestoken in zijn eigen woning aan de Vreehorstweg.

De broer van verdachte, [getuige 9] verklaart, dat verdachte het geld dat participanten in [rechtspersoon 1] stortten, als zijn geld zag [getuige 9] is naar eigen zeggen gestopt met de verkoop van [rechtspersoon 1] producten omdat hij zag dat het mis ging vanwege het uitgavenpatroon van verdachte. Zo werd er rigoureus verbouwd aan het bedrijfspand en het woonhuis van verdachte en kwam er “weer” een nieuwe auto, ging verdachte op vakantie naar Nice met zijn zwager, had hij uitjes met [getuige 8] en hun echtgenotes en waren er casinobezoeken en medische onderzoeken in Duitsland.

[getuige 7] heeft in de administratie van [rechtspersoon 1] gezien dat verdachte onder andere casinobezoek van het geld van participanten betaalde en dat voor een zeer fors bedrag binnen de ondernemingen, waar bedragen in rekening-courant vanuit [rechtspersoon 1] via [rechtspersoon 3] naar toe waren gegaan, is opgenomen door verdachte persoonlijk.

Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat het onmogelijk was om de rendementen te verkrijgen zoals aan beleggers was voorgespiegeld. Verdachte heeft als leidinggevende van [rechtspersoon 2], [rechtspersoon 3] en [rechtspersoon 1], doelbewust in strijd gehandeld met de jegens beleggers aangegane verplichting om met de ingelegde gelden de voorgespiegelde rendementen te realiseren en deze aan de inleggers uit te betalen. Het hof leidt uit de hele gang van zaken af, dat het niet anders kan zijn, dan dat verdachte en zijn mededaders reeds bij het binnenhalen van de te beleggen gelden niet van plan zijn geweest beleggingen te doen zoals aan de inleggers is voorgespiegeld. Het hof acht aldus het opzettelijk handelen zoals ten laste gelegd onder 1, 4, 5, 7, 8 en 10 bewezen.

Nadere overweging ten aanzien van de feiten 4, 7 en 10

Door verdachte is betoogd dat er geen sprake was van een criminele organisatie.

Het hof verwerpt het verweer.

Zowel in het feitencomplex inzake [rechtspersoon 1] (feit 4) als inzake [rechtspersoon 2] (feit 7) en inzake [rechtspersoon 3] (feit 10) is aanwijsbaar, dat er telkens een conglomeraat bestond van natuurlijke personen en rechtspersonen die zich in een gestructureerd en duurzaam verband bezig hielden met de in de bewezenverklaring genoemde strafbare praktijken. Het hof merkt die conglomeraten telkens aan als een criminele organisatie in de zin van art. 140 Sr, en is voorts van oordeel dat verdachte daarin telkens een leidende rol heeft vervuld.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair, 4, 5 primair, 6 primair, 7, 8 primair, 9 primair en 10 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

dat [rechtspersoon 1] op tijdstippen in of omstreeks de periode van 13 september 2001 tot en met 30 september 2004 in de gemeente(n) Groenlo en/of Winterswijk en/of elders in Nederland,

telkens met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de hieronder genoemde personen (hierna te noemen “beleggers”), heeft bewogen tot de afgifte van een hieronder genoemde hoeveelheid geld, althans een geldbedrag hierin bestaande dat [rechtspersoon 1] telkens met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven – opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid heeft voorgewend dat de door [rechtspersoon 1] ontvangen gelden van de beleggers zouden worden belegd in onroerend goed en

- (maandelijkse (beleggings)rendementen, en/of hypothecaire zekerheid en/of teruggaaf van het ingelegde geld heeft aangeboden en/of gegarandeerd

- zich heeft/hebben voorgedaan als een solide beleggingsinstelling

waardoor de beleggers werden bewogen tot bovengenoemde afgifte, zulks terwijl hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedragingen;

ter zake van [rechtspersoon 1], zijn de onderstaande personen bewogen tot afgifte van geld;

Naam: Aangifte nummer: Afgegeven geldbedrag:

- [benadeelde partij] A080 55.000,-

- [benadeelde partij] A081 125.000,-

- [benadeelde partij] A082 21.500,-

- [benadeelde partij] A093 31.915,-

- [benadeelde partij] A087 60.000,-

- [benadeelde partij] A091 15.000,-

- [benadeelde partij] A092 14.900,-

- [benadeelde partij] A095 20.000,-

- [benadeelde partij] A096 21.277,-

- [benadeelde partij] A099 60.945,-

- [benadeelde partij] A100 48.000,-

- [benadeelde partij] A102 11.345,-

- [benadeelde partij] A104 45.000,-

- [benadeelde partij] A105 10.638,-

- [benadeelde partij] A017 40.000,-

- [benadeelde partij] A109 30.197,-

- [benadeelde partij] A131 94.000,-

- [benadeelde partij] A141 91.000,-

- [benadeelde partij] A142 52.000,-

- [benadeelde partij] A151 90.000,-

- [benadeelde partij] A152 73.000,-

- [benadeelde partij] A154 63.000,-

- [benadeelde partij] A164 50.000,-

- [benadeelde partij] A170 100.000,-

2.

dat [rechtspersoon 1], op tijdstippen in of omstreeks de periode van 13 september 2001 tot en met 30 september 2004 in de gemeente(n) Groenlo en/of Winterswijk en/of elders in Nederland telkens opzettelijk bedrijfsmatig, al dan niet op termijn opvorderbare gelden, van het publiek heeft aangetrokken, ter beschikking heeft gekregen en ter beschikking heeft gehad,

zulks terwijl hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedragingen;

3.

dat [rechtspersoon 1] op tijdstippen in of omstreeks de periode van 13 september 2001 tot en met 30 september 2004 in de gemeente(n) Groenlo en/of Winterswijk en/of elders in Nederland telkens – opzettelijk – buiten een besloten kring bij uitgifte effecten, te weten (beleggings-) Euro Participatieplan en/of Gouden Participatieplan, heeft aangeboden, danwel zodanige aanbieding via advertentie en/of documenten in het vooruitzicht heeft gesteld aan [benadeelde partijen],

zulks terwijl hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedragingen;

4.

hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 13 september 2001 tot en met 30 september 2004 in de gemeente(n) Groenlo en/of Winterswijk en/of elders in Nederland opzettelijk heeft deelgenomen aan een organisatie bestaande uit [rechtspersoon 1] en/of [rechtspersoon 4] en/of [rechtspersoon 5] en/of [rechtspersoon 6] en/of [verdachte 5] en/of een of meer andere rechts- en/of natuurlijke perso(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van –zakelijk weergegeven-:

-oplichting van beleggers en

- het opzettelijk zonder vergunning bedrijfsmatig aantrekken van al dan niet op termijn opvorderbare gelden van het publiek en

- het opzettelijk buiten besloten kring effecten aanbieden

zulks terwijl verdachte, leider van genoemde organisatie was;

5.

dat [rechtspersoon 2] op tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 mei 1998 tot en met 2 oktober 2003 in de gemeente(n) Groenlo en/of Winterswijk en/of elders in Nederland,

telkens met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de hieronder genoemde personen (hierna te noemen “beleggers”), heeft bewogen tot de afgifte van een hieronder genoemde hoeveelheid geld, althans een geldbedrag hierin bestaande dat [rechtspersoon 2] telkens met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven- opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid heeft voorgewend dat de door [rechtspersoon 2] ontvangen gelden van de beleggers zouden worden belegd in bosbouw en/of in onroerend goed en/of

- zich heeft voorgedaan als een solide beleggingsinstelling en

- middels contracten en/of overeenkomst(en) het recht van vruchtgebruik zal verlenen

- (maandelijkse) (beleggings) rendementen en/of hypothecaire zekerheid en/of teruggaaf van het ingelegde geld heeft aangeboden en/of gegarandeerd

waardoor de beleggers werden bewogen tot bovengenoemde afgifte,

zulks terwijl hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedragingen;

ter zake van [rechtspersoon 2] zijn de onderstaande personen bewogen tot afgifte van geld;

Afgifte nummer: Naam: Ingelegd geldbedrag: Periode van inleg:

- A001 [benadeelde partij] 5.100,- in december

2002;

- A002 [benadeelde partij] 102.506,- in maart

2003;

- A005 [benadeelde partij] 36.754,- in oktober,

november en december 2002;

- A006 [benadeelde partij] 15.000,- in juni 2002;

- A022 [benadeelde partij] 29.496,- in maart

2002;

- A028 [benadeelde partij] 49.462,- in mei 2000

en juli 2001;

- A029 [benadeelde partij] 36.666,- in november

2000 en oktober 2001;

- A030 [benadeelde partij] 68.067,- in mei 1999;

- A036 [benadeelde partij] 22.689,- in mei 2001;

- A048 [benadeelde partij] 43.109,- in april 2000

en oktober 2001;

- A041 [benadeelde partij] 22.689,- in juli 2000;

- A046 [benadeelde partij] 15.882,- in oktober

1998 en februari 2000;

- A049 [benadeelde partij] 82.550,- in juli 2002

en februari 2003;

- A050 [benadeelde partij] 11.344,- in februari

2001;

- A053 [benadeelde partij] 23.179,- in augustus

1999 en januari 2002;

- A065B [benadeelde partij] 58.991,- in december

1999 en augustus 2000;

- A065C [benadeelde partij] 63.529,- in juni 2000

en juli 2001;

- A067 [benadeelde partij] 31.764, in november

1999 en juni 2000;

- A074 [benadeelde partij] 34.033,- in oktober

1999 en mei 2000;

- A078 [benadeelde partij] 27.174,- in november

1999 en april 2002;

- A079 [benadeelde partij] 73.512,- in juli 1999

en maart 2001;

- A086 [benadeelde partij] 145.323,- in juni 1998

en mei en juli 2000;

- A089 [benadeelde partij] 45.378,- in augustus

2000;

- A095 [benadeelde partij] 42.689,- in oktober

2000 en juni 2002;

- A098 [benadeelde partij] 47.190,- in

september 1998, januari

en augustus 1999, september 2001 en september 2002;

- A102 [benadeelde partij] 11.345,- in februari

2003;

- A105 [benadeelde partij] 11.344,- in augustus

1999;

- A126 [benadeelde partij] 128.947,- in augustus

1998,

oktober en november 2000 en in september

en oktober 2002;

- A127 [benadeelde partij] 95.746,- in augustus,

september,

oktober 1998 en februari 1999 en in oktober 2002;

- A129 [benadeelde partij] 340.335,- in mei 1999;

- A135 [benadeelde partij] 22.689,- in november

2001;

- A136 [benadeelde partij] 102.099,- in augustus

1999, september 2000

en in januari 2002;

- A137 [benadeelde partij] 111.675,- in februari

en september 1999 en februari 2003;

- A146 [benadeelde partij] 2.722,- in oktober

1999;

- A156 [benadeelde partij] 72.309,- in augustus

1999 en maart,

november 2002;

- A168 [benadeelde partij] 9.075,- in juni 2000.

6.

dat [rechtspersoon 2] op tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 mei 1998 tot en met 2 oktober 2003 in de gemeente(n) Groenlo en/of Winterswijk en/of elders in Nederland, telkens opzettelijk bedrijfsmatig, al dan niet op termijn opvorderbare gelden, van het publiek heeft aangetrokken, ter beschikking heeft gekregen en/of ter beschikking heeft gehad,

zulks terwijl hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging(en);

7.

hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 mei 1998 tot en met 2 oktober 2003 in de gemeente(n) Groenlo en/of Winterswijk en/of elders in Nederland opzettelijk heeft deelgenomen aan een organisatie bestaande uit [verdachte 4] en of [verdachte 3] en/of [rechtspersoon 2] en/of een of meer andere rechts- en/of natuurlijke perso(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van – zakelijk weergegeven- :

- oplichting van beleggers en

- het opzettelijk zonder vergunning bedrijfsmatig aantrekken van al dan niet op termijn opvorderbare gelden van het publiek,

zulks terwijl verdachte, leider van genoemde organisatie was;

8.

dat [rechtspersoon 3], op tijdstippen in of omstreeks de periode van 29 december 1999 tot en met 1 oktober 2003 in de gemeente(n) Groenlo en/of Winterswijk en/of elders in Nederland,

telkens met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

de hieronder genoemde personen (hierna te noemen “beleggers”),

heeft bewogen tot de afgifte van een hieronder genoemde hoeveelheid geld, althans een geldbedrag, hierin bestaande [rechtspersoon 3], telkens met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven – opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- heeft voorgewend dat de door [rechtspersoon 3], ontvangen gelden van de beleggers zouden worden belegd in onroerend goed en

- zich heeft voorgedaan als een solide beleggingsinstelling en/of

- (maandelijkse) (beleggings)redementen, en/of hypothecaire zekerheid en/of teruggaaf van het ingelegde geld heeft aangeboden en/of gegarandeerd,

waardoor de beleggers werden bewogen tot bovengenoemde afgifte,

zulks terwijl hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedragingen;

ter zake van [rechtspersoon 3], zijn de onderstaande personen bewogen tot afgifte van geld:

Aangifte nummer: Naam: Ingelegd geldbedrag:

A-004 [benadeelde partij] 50.000,-

A017 [benadeelde partij] 18.151,24

A051 [benadeelde partij] 84.403,12

A059 [benadeelde partij] 27.226,81

A123 [benadeelde partij] 35.415,72

A124 [benadeelde partij] 42.560,00

A125 [benadeelde partij] 21.554,56

A128 [benadeelde partij] 57.630,09

A013 [benadeelde partij] 65.000,00

A020 [benadeelde partij] 4.537,80

A140 [benadeelde partij] 71.130,05

9.

dat [rechtspersoon 3], op tijdstippen in of omstreeks de periode van 29 december 1999 tot en met 1 oktober 2003 in de gemeente(n) Groenlo en/of Winterswijk en/of elders in Nederland,

telkens opzettelijk bedrijfsmatig, al dan niet op termijn opvorderbare gelden, van het publiek heeft aangetrokken, ter beschikking heeft gekregen en ter beschikking heeft gehad,

zulks terwijl hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedragingen;

10.

hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 29 december 1999 tot en met 1 oktober 2003 in de gemeente(n) Groenlo en/of Winterswijk en/of elders in Nederland,

opzettelijk heeft deelgenomen aan een organisatie bestaande uit [verdachte 3] en/of [rechtspersoon 3] en/of meer andere rechts- en/of natuurlijke perso(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van – zakelijk weergegeven -:

- oplichting van beleggers en

- het opzettelijk zonder vergunning bedrijfsmatig aantrekken van al dan niet op termijn opvorderbare gelden van het publiek,

zulks terwijl verdachte, leider van genoemde organisatie was;

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde:

Oplichting, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging,meermalen gepleegd.

ten aanzien van het onder 2 primair bewezenverklaarde:

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 82, eerste lid, van de Wet Toezicht Kredietwezen 1992, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

ten aanzien van het onder 3 primair bewezenverklaarde:

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 3 van de Wet toezicht effectenverkeer 1995, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde:

Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven,

terwijl verdachte leider is geweest.

ten aanzien van het onder 5 primair bewezenverklaarde:

Oplichting, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

ten aanzien van het onder 6 primair bewezenverklaarde:

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 82, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

ten aanzien van het onder 7 bewezenverklaarde:

Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

terwijl verdachte leider is geweest.

ten aanzien van het onder 8 primair bewezenverklaarde:

Oplichting, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

ten aanzien van het onder 9 primair bewezenverklaarde:

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 82, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

ten aanzien van het onder 10 bewezenverklaarde:

Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, terwijl verdachte leider is geweest.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft in eerste aanleg het onder 1 tot en met 10 tenlastegelegde bewezenverklaard en aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren opgelegd.

De advocaat-generaal heeft in hoger beroep gevorderd het onder 1 tot en met 10 tenlastegelegde bewezen te verklaren en verdachte daarvoor te veroordelen tot een gevangenisstraf van 6 jaren onvoorwaardelijk.

Het hof komt net als de rechtbank tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- dat verdachte als leidinggevende heeft gefunctioneerd van professioneel opererende criminele organisaties, die zich op grote schaal hebben schuldig gemaakt aan oplichting, overtreding van de Wet toezicht effectenverkeer en overtreding van de Wet toezicht kredietwezen. Hierdoor zijn op geraffineerde wijze van niets vermoedende slachtoffers forse bedragen afhandig gemaakt.

Slechts een klein deel van de ingelegde gelden is overeenkomstig de bestemming daarvan daadwerkelijk geïnvesteerd in bosbouw en onroerend goed.

Bovenstaande praktijken vormen een ernstige inbreuk op de rechtsorde. Verdachte en zijn medeverdachten hebben zich alleen maar laten leiden door hun eigen verlangen naar gewin en zich niets gelegen laten liggen aan de grote financiële en emotionele gevolgen voor de slachtoffers, die hun beleggingen in rook hebben zien opgaan zonder dat verdachte en zijn medeverdachten nog enige reële verhaalsmogelijkheid bieden.

Het hof neemt tevens in aanmerking dat verdachte wegens valsheid in geschrifte in 2003, gepleegd op 1 november 1996, is veroordeeld tot een gevangenisstraf.

Het hof acht, alles afwegende, de door de rechtbank in eerste aanleg opgelegde straf passend en geboden.

De vorderingen van de benadeelde partijen

De benadeelde partijen hebben zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. De respectieve vorderingen zijn bij het vonnis waarvan beroep niet ontvankelijk verklaard. De benadeelde partijen hebben zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van hun oorspronkelijke vordering.

T.a.v. de vorderingen van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] oordeelt het hof dat deze niet ontvankelijk dienen te worden verklaard nu verdachte zal worden vrijgesproken van de feiten waarop deze vorderingen zijn gebaseerd.

De overige vorderingen zijn niet van zo eenvoudige aard dat zij zich lenen voor behandeling in het strafgeding. De benadeelde partijen kunnen daarom thans in hun vordering niet worden ontvangen en kunnen hun vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ten aanzien van een aantal vorderingen zijn vragen gerezen over de causaliteit tussen de geleden schade en het handelen van verdachte. Verder zijn er vragen gerezen over (de hoogte van) de gevorderde wettelijke rente. Het aantal vorderingen is zo groot dat het beantwoorden van die vragen ten koste zou gaan van een zorgvuldige behandeling van de strafzaak.

Het is het hof bovendien bekend dat niet alle benadeelden zich in het strafproces hebben gevoegd. Het thans afwikkelen van slechts een klein deel van alle vorderingen zou kunnen leiden tot doublures en/of ongelijkheid van de behandeling van crediteuren, nu het hof niet op de hoogte is van de afwikkeling van de vorderingen in verschillende faillissementen.

Het hof begrijpt dat bovenstaande beslissing hoogst onbevredigend is voor de benadeelde partijen, maar ziet in de gegeven situatie geen andere beslissingsmogelijkheid.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 25 februari 2003 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14g, 14h, 14i, 14j, 51, 57, 140 en 326 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 82 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 en artikel 3 van de Wet toezicht effectenverkeer 1995.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verstaat dat het door verdachte ingestelde rechtsmiddel niet is gericht tegen dat deel van het vonnis waarvan beroep waarbij verdachte terzake van het onder feit 1 primair, oplichting van de personen genaamd [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2], tenlastegelegde werd vrijgesproken.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair, 4, 5 primair, 6 primair, 7, 8 primair, 9 primair en 10 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.

Bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De vordering van de benadeelde partijen :

Verklaart de benadeelde partijen:

[benadeelde partijen]

in hun vordering niet-ontvankelijk.

Tenuitvoerlegging

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij arrest van het gerechtshof te Arnhem van 25 februari 2003, te weten van:

gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden.

Aldus gewezen door

mr Y.A.J.M. van Kuijck, voorzitter,

mr J.M.J. Denie en mr W.R. Rosingh, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr K.J.F. Roelofs, griffier,

en op 7 mei 2008 ter openbare terechtzitting uitgesproken.