Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BD1410

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
06-05-2008
Datum publicatie
13-05-2008
Zaaknummer
TBS 2007\191
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof acht aannemelijk dat betrokkene de voorwaarde niet heeft nageleefd dat hij zich niet schuldig zou maken aan strafbare feiten door mishandeling van [slachtoffer]. Het hof acht aannemelijk dat betrokkene na zijn invrijheidsstelling als uitvloeisel van de voorwaardelijke beëindiging onvoldoende begeleiding, steun en nazorg heeft gekregen. Er was geen contact met de reclassering. Aangezien betrokkene als gevolg van zijn detentie gedurende vele jaren ernstig gehospitaliseerd was, was het naar het oordeel van het hof voorzienbaar dat de voorwaardelijke beëindiging en de resocialisatie op deze wijze zouden mislukken. Het hof acht aannemelijk dat het ontbreken van nazorg en begeleiding een –betreurenswaardig- gevolg is geweest van verschillen in standpunten van het Forensisch Psychiatrisch Centrum Oldenkotte en het ministerie van justitie. Dat een en nader voor betrokkene bijzonder frustrerend moet zijn is goed voorstelbaar. Daarom zal gestreefd moeten worden naar het bieden van voldoende steun en nazorg bij een nieuwe poging tot resocialisatie en daarnaast ook van verloven voorafgaand aan een nieuwe voorwaardelijke beëindiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

TBS 2007\191

Beslissing d.d. 6 mei 2008

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[Terbeschikkinggestelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

verblijvende in [verblijfplaats].

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank te Haarlem van 23 maart 2007, houdende de beslissing dat een last tot hervatting van de verpleging van overheidswege wordt gegeven.

Overwegingen:

• Het hof zal de beslissing van de rechtbank dienen te vernietigen, daar het recht doet mede op grond van nieuwe stukken en daar het recht zal doen mede op grond van hetgeen de getuige-deskundige ter terechtzitting heeft verklaard.

• Het hof is van oordeel dat in casu van een spoedige behandeling van het beroep in de zin van artikel 5, vierde lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden geen sprake is geweest. Immers wordt op het beroep ruim een jaar na het instellen van het hoger beroep pas beslist. In de voorliggende zaak oordeelt het hof dat de beslissing om een verdragsrechtelijke schending aan te nemen in zichzelf voldoende bevrediging van het geschonden rechtsgevoel inhoudt. Hierbij wordt opgemerkt dat er op 30 november 2007 reeds een behandeling ter terechtzitting van het hof heeft plaatsgevonden waarbij werd bepaald dat het noodzakelijk was de uitkomst van de strafzaak tegen betrokkene af te wachten, dat er alsnog een nadere rapportage diende te volgen van de reclassering, en dat een getuige-deskundige van de reclassering gehoord diende te worden.

• Het verzoek tot het horen van mevrouw Rooks wordt door het hof afgewezen, nu het hof op de hoogte is van de juiste informatie en de gevraagde getuige niets daaraan zou kunnen toevoegen of afdoen.

• Het hof overweegt voorts als volgt. Het hof acht aannemelijk dat betrokkene de voorwaarde niet heeft nageleefd dat hij zich niet schuldig zou maken aan strafbare feiten door mishandeling van [slachtoffer] eind januari 2007. Het hof acht dit aannemelijk in het bijzonder op grond van het extract vonnis van de politierechter in de rechtbank Assen van 5 maart 2008 en het proces-verbaal van politie terzake van dat feit. Hieraan doet niet af dat de veroordeling van betrokkene niet onherroepelijk is. Er is naar het oordeel van het hof vooralsnog sprake van een zodanig verband tussen dat feit en de bij betrokkene geconstateerde stoornis die heeft geleid tot het delict waarvoor de terbeschikkingstelling is opgelegd, dat een last tot hervatting van de dwangverpleging dient te worden gegeven nu aangenomen moet worden dat er significant gevaar bestaat voor de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen. De vraag of van een verband daadwerkelijk sprake is, wordt na hervatting onderzocht. Dit kan leiden tot nadere behandeling van betrokkene.

Na hervatting dient na verloop van tijd opnieuw de vraag onder ogen te worden gezien of betrokkene in aanmerking komt voor een resocialisatietraject en voorwaardelijke beëindiging. Hierbij acht het hof het volgende van belang. Het hof acht aannemelijk dat betrokkene na zijn invrijheidsstelling als uitvloeisel van de voorwaardelijke beëindiging onvoldoende begeleiding, steun en nazorg heeft gekregen. Er was geen contact met de reclassering. Aangezien betrokkene als gevolg van zijn detentie gedurende vele jaren ernstig gehospitaliseerd was, was het naar het oordeel van het hof voorzienbaar dat de voorwaardelijke beëindiging en de resocialisatie op deze wijze zouden mislukken. Het hof acht aannemelijk dat het ontbreken van nazorg en begeleiding een -betreurenswaardig- gevolg is geweest van verschillen in standpunten van het Forensisch Psychiatrisch Centrum Oldenkotte en het ministerie van justitie. Dat een en ander voor betrokkene bijzonder frustrerend moet zijn is goed voorstelbaar. Het zal ook ongetwijfeld zijn vertrouwen in de hulpverlening en het ministerie van justitie en de motivatie om opnieuw het behandeltraject in te gaan tot een minimum hebben teruggebracht. Het is daarom van het grootste belang een herhaling van deze gang van zaken te voorkomen. Daarom zal gestreefd moeten worden naar het bieden van voldoende steun en nazorg bij een nieuwe poging tot resocialisatie en daarnaast ook van verloven voorafgaand aan een nieuwe voorwaardelijke beëindiging.

• Het verzoek van de raadsman tot aanhouding teneinde psychiater Offermans of een andere gedragsdeskundige aanvullend te laten rapporteren wordt afgewezen, omdat het hof zich voldoende voorgelicht acht. De verdediging wordt hierbij naar het oordeel van het hof niet in de belangen geschaad.

• Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de hervatting van de verpleging van overheidswege eist.

Beslissing:

Het hof:

Vernietigt de beslissing van de rechtbank te Haarlem van 23 maart 2007 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde.

Wijst af het verzoek tot het laten opstellen van een aanvullende gedragsdeskundige rapportage en het horen van mevrouw Rooks als getuige.

Beveelt dat de terbeschikkinggestelde alsnog van overheidswege zal worden verpleegd.

Aldus gedaan door

mr Lensing als voorzitter,

mrs van der Herberg en Rutgers van der Loeff als raadsheren,

en drs Schudel en drs van Iersel als raden,

in tegenwoordigheid van van Westerlaak als griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2008.

De raden en mrs Lensing en Rutgers van der Loeff zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.