Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BD1248

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
06-03-2008
Datum publicatie
08-05-2008
Zaaknummer
104.008.090
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek toelating tot wettelijke schuldsaneringsregeling, nu de omstandigheden van het geval voor het hof aanleiding zijn bij de beoordeling van het verzoek een langere termijn toe te passen dan die van vijf jaar, genoemd in artikel 288 lid 2 aanhef en onder c Fw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

6 maart 2008

eerste civiele kamer

zaaknummer 104.008.090

rekestnummer (oud) 00003/2008

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

procureur: mr. P.A.C. de Vries.

1 Het geding in eerste aanleg

Bij vonnis van de rechtbank Almelo van 28 december 2007 is het verzoek van appellant (hierna te noemen: [appellant]) tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen.

Het hof verwijst naar voornoemd vonnis, dat in fotokopie aan dit arrest is gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij ter griffie van het hof op 4 januari 2008 ingekomen verzoekschrift is [appellant] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis en heeft hij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en alsnog het verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling toe te wijzen.

2.2 Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift en de daarbij behorende stukken, alsmede van de brief van de procureur van 6 februari 2008 met bijlagen.

2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 februari 2008, waarbij [appellant] is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. M.A. Schuring, advocaat te Wierden.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1 [appellant] is een 35-jarige alleenstaande man. Zijn totale schuldenlast bedraagt ruim € 448.000,-. Het grootste deel daarvan betreft schulden aan diverse natuurlijke personen. [appellant] is door dit hof op 24 augustus 2001 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 27 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, wegens meermalen gepleegde oplichting, flessentrekkerij en valsheid in geschrifte. Voor een totaalbedrag van € 174.680,35 zijn daarbij door het gerechtshof civiele vorderingen toegewezen. [appellant] heeft de gevangenisstraf inmiddels uitgezeten. [appellant] heeft thans twee parttime dienstbetrekkingen, te weten een bij de [...] en een bij de [...]. Zijn totale netto maandinkomen bedraagt thans ongeveer € 1.600,-.

3.2 De rechtbank heeft het verzoek van [appellant] om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen, aangezien hij ten aanzien van het overgrote deel van zijn schulden niet te goeder trouw is.

3.3 [appellant] kan zich met het vonnis van de rechtbank niet verenigen en stelt daartoe het volgende. Hij stelt dat hij niet ten aanzien van alle schulden te kwader trouw is geweest en dat hij zijn faillissement al had aangevraagd voordat de benadeelden terugbetaling verzochten van de verstrekte gelden. Volgens hem kan niet gezegd worden dat hij zijn faillissement of schuldsaneringsregeling heeft willen gebruiken om onder zijn verplichtingen uit te komen. Hij is voornemens om alle benadeelden terug te betalen. Bovendien is hij van mening van hij door de strafrechter reeds meer dan genoeg is gestraft voor zijn daden.

3.4 Het hof overweegt als volgt. Vast staat dat [appellant] particulieren voor forse bedragen met opzet heeft benadeeld. Hij heeft gelden van deze particulieren, ondanks zijn toezegging dat hij deze gelden zou beleggen, voor andere, eigen doeleinden gebruikt. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [appellant] de hiervoor geschetste handelwijze desgevraagd erkend. Het hof acht [appellant] ten aanzien van het ontstaan van de desbetreffende schulden niet te goeder trouw. Gelet op de omstandigheden dat hij die handelwijze bij herhaling en steeds met hetzelfde doel, tegen beter weten in heeft gevolgd en mede gelet op de grote omvang van de daarmee verband houdende bedragen ziet het hof aanleiding bij de beoordeling van het verzoek een langere termijn toe te passen dan die van 5 jaar, genoemd in artikel 288, lid 2 aanhef en onder c Fw. Dat leidt het hof tot afwijzing van het verzoek. De stelling van [appellant] dat hij reeds voldoende is gestraft door de strafrechter doet daaraan niet af. Zijn voornemen om alle benadeelden terug te betalen maakt het oordeel van het hof evenmin anders.

3.5 Alles overziende is het hof van oordeel dat het hoger beroep faalt. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het verzoek desondanks zou moeten worden toegewezen, is onvoldoende gebleken. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Almelo van 28 december 2007.

Dit arrest is gewezen door mrs. Groen, Van Rossum en Van der Weij en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 maart 2008. Dit arrest is in verband met afwezigheid van de voorzitter ondertekend door mr. Van Rossum.