Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BD0710

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
29-04-2008
Datum publicatie
29-04-2008
Zaaknummer
TBS 2007\268
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ongewenst vreemdeling in de tbs.

Er moet vanuit worden gegaan dat op dit moment elk perspectief op resocialisatie van betrokkene in Nederland ontbreekt. Een dergelijk perspectief heeft, voor zover valt te voorzien, betrokkene wel bij overdracht van de tenuitvoerlegging aan België.

Het hof beslist op dezelfde dag als de uitspraak in de onderhavige zaak dat het bezwaarschrift van betrokkene tegen overdracht van de tenuitvoerlegging van de terbeschikkingstelling aan België ongegrond wordt verklaard. Het hof gaat er vanuit dat de overbrenging van betrokkene gerealiseerd wordt. Een en ander leidt ertoe dat thans geen sprake is van een situatie die niet aansluit bij het stadium van behandeling van betrokkene.

Het hof verwerpt het beroep op de artikelen 3, 5, 8 en 13 EVRM.

Uit de voorliggende adviezen blijkt dat er bij betrokkene thans nog steeds sprake is van een dusdanige stoornis en delictgevaar dat verlenging van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging noodzakelijk is. Een verlenging met een termijn van één jaar is niet aan de orde, omdat na de uitspraak van de rechtbank inmiddels reeds meer dan een jaar is verstreken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

TBS 2007\268

Beslissing d.d. 29 april 2008

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van de officier van justitie in de zaak van

[Terbeschikkinggestelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

verblijvende in [verblijfplaats].

Het hof beschouwt als hier herhaald en ingelast de inhoud van de tussenbeslissing van het hof van 16 november 2007 (LJN-nummer BB8300) en de inhoud van het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 5 februari 2008.

Overwegingen:

Het hof zal de beslissing van de rechtbank dienen te vernietigen, daar het recht doet mede op grond van nieuwe stukken en hetgeen de getuige-deskundigen ter terechtzitting hebben verklaard en daar het tot een andere beslissing komt.

Evenals in zijn tussenbeslissing van 16 november 2007 is het hof van oordeel dat in casu van een spoedige behandeling van het beroep in de zin van artikel 5, vierde lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden geen sprake is geweest. Immers is op het beroep uiteindelijk twaalf maanden na het instellen van het hoger beroep beslist. Het hof neemt daarbij in ogenschouw dat de eerste behandeling van de zaak ruim zes maanden na het instellen van het hoger beroep plaatsvond, waarna de behandeling van de zaak meerdere malen is aangehouden, onder meer om betrokkene in de gelegenheid te stellen een verzoek te doen tot opheffing van de ongewenstverklaring. Gelet op het bovenstaande oordeelt het hof dat in de voorliggende zaak de beslissing om een verdragsrechtelijke schending aan te nemen in zichzelf voldoende bevrediging van het geschonden rechtsgevoel inhoudt.

Bij zijn tussenbeslissing van 16 november 2007 heeft het hof geoordeeld dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen verlenging van de terbeschikkingstelling eist. De deskundigen Baneke en Offermans hebben aangegeven dat bij betrokkene sprake is van een persoonlijkheidsstoornis met afhankelijke, theatrale en in mindere mate narcistische en antisociale trekken terwijl zij met betrekking tot de grootte van het recidivegevaar geen duidelijke uitspraken hebben gedaan. Het hof acht de verschillen met de rapportages die ten grondslag liggen aan het oordeel in de tussenbeslissing van 16 november 2007 van te ondergeschikt belang om op dat oordeel terug te komen.

Bij zijn tussenbeslissing van 16 november 2007 heeft het hof – kort gezegd – de behandeling van de zaak aangehouden ten behoeve van (1) een onderzoek naar de mogelijkheid van een voortgezet verblijf van betrokkene in Nederland met het oog op de resocialisatiefase, waarbij het de betrokkene in de gelegenheid heeft gesteld een verzoek te doen tot opheffing van de ongewenstverklaring, alsmede ten behoeve van (2) nader onderzoek naar de mogelijkheden in België van een op het stadium van de terbeschikkingstelling van betrokkene aansluitende voorziening.

Ad 1. Bij beschikking van 28 maart 2008 heeft de Minister van Justitie het verzoek tot opheffing van de ongewenstverklaring afgewezen. Het hof zal er daarom van moeten uitgaan dat voor betrokkene geen perspectief op voortgezet verblijf en resocialisatie in Nederland bestaat.

Ad 2. Voor wat betreft de mogelijkheden in België van een op het stadium van de terbeschikkingstelling van betrokkene aansluitende voorziening is het volgende van belang. In de tussenbeslissing van 16 november 2007 heeft het hof als volgt overwogen:

“Het hof stelt voorop dat betrokkene in het door hem tegen het voornemen van de minister tot overdracht van de tenuitvoerlegging van de terbeschikkingstelling aan België ingediende bezwaarschrift niet-ontvankelijk is verklaard, omdat niet gebleken is van een advies van het openbaar ministerie als bedoeld in artikel 51 en 52 WOTS.

Uit de stukken blijkt dat moet worden aangenomen dat betrokkene na overbrenging naar België in het kader van de internering zou worden geplaatst in een gevangenis. Van vrijheden – waaronder verlof – zou geen sprake zijn. Onzeker is wanneer betrokkene voor plaatsing in een speciale inrichting in aanmerking zou komen en of en – zo ja – wanneer hij voor verlof in aanmerking zou komen. Er is niet van bereidheid gebleken om te bezien of betrokkene in aansluiting op zijn overdracht – mede afhankelijk van het oordeel van ter zake deskundigen – in een gespecialiseerde inrichting zou kunnen worden geplaatst, waar betrokkene – eveneens afhankelijk van het oordeel van ter zake deskundigen – in een traject van resocialisatie zou komen.

Naar het oordeel van het hof sluit een dergelijke situatie niet aan bij het stadium van behandeling van betrokkene, zodat het – onder de huidige omstandigheden – vooralsnog ten zeerste de vraag is of gezegd zou kunnen worden dat de minister in redelijkheid tot de voorgenomen beslissing tot overdracht van de tenuitvoerlegging zou kunnen komen”.

Eind januari 2008 is aan betrokkene op de voet van artikel 52 WOTS (andermaal) medegedeeld het voornemen van de Minister om de tenuitvoerlegging van de aan de veroordeelde opgelegde terbeschikkingstelling over te dragen aan België op grond van het Aanvullend Protocol van 18 december 1997 bij het Verdrag inzake overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983. Tegen dat voornemen heeft betrokkene een bezwaarschrift ingediend bij de penitentiaire kamer. De behandeling van het bezwaarschrift heeft plaatsgevonden tegelijkertijd met de voortgezette behandeling van de onderhavige zaak. De beslissing op het bezwaarschrift wordt op dezelfde dag uitgesproken als de uitspraak in de onderhavige zaak.

Ter wille van de leesbaarheid neemt het hof hieronder de overwegingen op die hebben geleid tot het oordeel dat het bezwaarschrift ongegrond is verklaard:

“Ingevolge artikel 52, tweede lid, Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (WOTS) is bevoegd tot behandeling van een bezwaarschrift als het onderhavige “het gerecht, dat in hoogste feitelijke instantie de tot vrijheidsbeneming strekkende sanctie heeft opgelegd”. Een redelijke uitleg van de wet, die leidt tot een doelmatig resultaat, brengt naar het oordeel van het hof mede dat daaronder begrepen is het (hoogste) gerecht dat de beslissing tot verlenging van de terbeschikkingstelling heeft genomen die van kracht is op het moment van het voornemen tot de beslissing tot overdracht. Nu de terbeschikkingstelling van de veroordeelde laatstelijk verlengd is bij beslissing van dit hof van 29 april 2008 acht het hof zich bevoegd van het bezwaarschrift kennis te nemen.

Het bezwaarschrift is tijdig en rechtmatig ingediend.

Bij de stukken bevindt zich een schrijven van de officier van justitie bij de rechtbank Dordrecht van 7 augustus 2007, gericht aan het ministerie van justitie. De inhoud van dit schrijven is als volgt: “Ten aanzien van uw faxbericht van 28 februari 2007 betreffende de overbrenging naar België in het kader van de WOTS van [terbeschikkinggestelde], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], kan ik u berichten dat ik u positief adviseer ten aanzien van voornoemde overbrenging”. Hiermee is voldaan aan de in artikel 51 WOTS gestelde voorwaarde van een (positief) advies van het openbaar ministerie. Het advies kan echter niet worden aangemerkt als “met redenen omkleed”, zoals artikel 51 WOTS ook vereist. De vraag of daaraan het gevolg dient te worden verbonden dat op die grond er geen sprake is van een advies – zodat klager niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard wegens het ontbreken van een advies (zie de beslissing van het hof van 16 november 2007 op het eerdere bezwaarschrift) – dan wel gezegd moet worden dat de minister daardoor redelijkerwijs niet tot de voorgenomen beslissing heeft kunnen komen, beantwoordt het hof ontkennend. In de loop van deze procedure in deze zaak en de verwante zaak betreffende de vordering verlenging terbeschikkingstelling is voldoende duidelijk geworden welke gronden het openbaar ministerie en de minister hebben voor de voorgenomen beslissing tot overdracht van tenuitvoerlegging van de terbeschikkingstelling van betrokkene aan België. Nu door betrokkene niet is aangevoerd dat die gronden niet duidelijk zijn, is betrokkene door het ontbreken van de redenen in het advies van het openbaar ministerie niet in zijn belangen geschaad.

Grond voor de overdracht van de tenuitvoerlegging van een Nederlands strafvonnis aan een vreemde staat is het belang van een goede rechtsbedeling. Indien het een van Nederland uit te gaan verzoek betreft, moet de Nederlandse justitie – dit is op grond van artikel 51 WOTS in eerste instantie het openbaar ministerie – aannemelijk maken dat overdacht dat belang dient (Memorie van Toelichting op het wetsvoorstel WOTS, Kamerstukken II, vergaderjaar 1983-1984, 18 129, nrs. 1-3, p. 50/51). Vooropgesteld wordt dat de vraag beantwoord moet worden of de minister van justitie redelijkerwijs tot zijn beslissing heeft kunnen komen dat overdracht van de tenuitvoerlegging van de aan betrokkene opgelegde terbeschikkingstelling aan België in het belang van een goede rechtsbedeling is. Hierbij acht het hof met name van belang

(1) het kader van het Aanvullend Protocol bij het VOGP,

(2) het perspectief op resocialisatie in Nederland,

(3) het juridisch kader van de tenuitvoerlegging na overdracht van de tenuitvoerlegging en

(4) het perspectief op resocialisatie in België.

Ad 1 Het kader van het Aanvullend Protocol

Artikel 3, eerste, tweede en derde lid, van het Aanvullend Protocol bij het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen luiden als volgt:

1 Upon being requested by the sentencing State, the administering State may, subject to the provisions of this Article, agree to the transfer of a sentenced person without the consent of that person, where the sentence passed on the latter, or an administrative decision consequential to that sentence, includes an expulsion or deportation order or any other measure as the result of which that person will no longer be allowed to remain in the territory of the sentencing State once he or she is released from prison.

2 The administering State shall not give its agreement for the purposes of paragraph 1 before having taken into consideration the opinion of the sentenced person.

3 For the purposes of the application of this Article, the sentencing State shall furnish the administering State with:

a a declaration containing the opinion of the sentenced person as to his or her proposed transfer, and

b a copy of the expulsion or deportation order or any other order having the effect that the sentenced person will no longer be allowed to remain in the territory of the sentencing State once he or she is released from prison.

Het Toelichtend Rapport luidt, voor zover hier van belang:

“21. The Committee considered that it does not serve the objective of rehabilitation of the sentenced person to keep such a person in the sentencing State when it is likely that, once he or she has completed the sentence to be served, he or she will no longer be permitted to remain in that State.

22. The situation described in this Article is one where the person is subject to deportation or expulsion as a consequence of the sentence. The verbs "to expel" and "to deport" are both used in order to accommodate varying terminologies of member States. The meaning given to both in this Protocol is such as to include any measure as a result of which the person is subject to removal from the territory of the sentencing State at some point in time. It includes expulsion orders given by administrative authorities.”

Betrokkene heeft (alleen) de Belgische nationaliteit.

Het standpunt van betrokkene met betrekking tot “overbrenging” naar België is dat hij niet instemt met de overbrenging en dat hij ook zonder zijn instemming niet overgebracht wenst te worden naar België omdat hij daar in een gevangenis terecht zou komen zonder perspectief op resocialisatie.

Ten aanzien van betrokkene moet ervan worden uitgegaan dat – nu hij ongewenst vreemdeling is verklaard en het verzoek tot opheffing van de ongewenstverklaring door de Minister van Justitie bij beslissing van 28 maart 2008 is afgewezen – hij na invrijheidstelling geen rechtmatig verblijf in Nederland zou hebben. Naar het oordeel van het hof is – ondanks de tekst van het Toelichtend Rapport onder nummer 21 – met deze vaststelling echter niet zonder meer gegeven dat overbrenging van betrokkene naar België (redelijkerwijs) in het belang van een goede rechtsbedeling moet worden geacht.

Ad 2 Het perspectief op resocialisatie in Nederland

Aangezien het verzoek tot opheffing van de ongewenstverklaring is afgewezen, moet het hof ervan uitgaan dat enig perspectief op resocialisatie in Nederland ontbreekt. Het vooruitzicht van betrokkene bij voortzetting van de tenuitvoerlegging van de terbeschikkingstelling in Nederland komt er daarom op neer dat hij langdurig in detentie zou verblijven zonder dat er sprake zou zijn van resocialisatie en een op resocialisatie gerichte behandeling. In de brief van de Staatssecretaris van 1 februari 2008 wordt gesproken van “long stay” in verband met de problematiek van de ongewenst verklaarde vreemdelingen in de tbs.

Voorts is aannemelijk geworden dat betrokkene lijdt onder het gebrek aan perspectief en onder het regime waaronder hij thans is gedetineerd. In verband met zijn psychische toestand is hij verplaatst van [afdeling] – waar sprake is van een zeer sober regime – naar een afdeling van [kliniek] met een minder restrictief regime.

Ad 3 Het juridisch kader van de tenuitvoerlegging na overdracht van de tenuitvoerlegging

Bij de beoordeling van de vraag of overdracht van de tenuitvoerlegging redelijkerwijs in het belang van een goede rechtsbedeling kan worden geacht, is van belang of de rechtspositie van betrokkene – voor zover valt te voorzien – na overdracht bij de voortgezette tenuitvoerlegging in feite zou worden verslechterd (vgl. artikel 10, tweede lid, VOGP). Een verandering van de rechtspositie is tot op zekere hoogte onontkoombaar en daarom aanvaardbaar bij overdracht van de tenuitvoerlegging van een sanctie.

Uit de stukken en uit hetgeen de heer H.M. Heimans, kamervoorzitter van het Hof van Beroep en voorzitter van de Commissie tot Bescherming van de Maatschappij (verder: CBM) te Gent, hieromtrent in raadkamer is verklaard, leidt het hof af dat de maatregel van terbeschikkingstelling voortgezet ten uitvoer zou worden gelegd als “ internering”. Dit is – anders dan terbeschikkingstelling – een maatregel van onbepaalde duur. Het hof acht dit verschil in regelingen voor de beoordeling of sprake is van een verslechtering op zich niet beslissend.

Van belang zijn in dit verband de feitelijke tenuitvoerlegging en verschillen tussen tenuitvoerlegging in Nederland en die in België. In België komt volgens Heimans een geïnterneerde eerst in het penitentiaire milieu, in een psychiatrische afdeling van een gevangenis. Op een dergelijke afdeling wordt betrokkene niet behandeld, wel wordt er psychiatrische zorg, begeleiding en hulp verleend. Om de zes maanden heeft men de mogelijkheid om voor de CBM verschijnen. Dit is een “semi-rechterlijk” orgaan dat beslist over de verdere voortgang van de internering. De CBM kan iemand aanmelden bij één van de drie particuliere forensische klinieken die zijn gespecialiseerd in opname van geïnterneerden. Deze klinieken opereren volgens Heimans op een hoog professioneel niveau. De klinieken beslissen zelf of ze betrokkene willen opnemen. In een van deze klinieken wordt men vervolgens behandeld en wordt gestreefd naar resocialisatie. Daarbij behoort ook het verlenen van verlof. Iemand wordt – naar het hof begrijpt – in vrijheid gesteld als de resocialisatie voltooid is.

Van belang is in dit verband dat het Koninkrijk België is aangesloten bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Artikel 5 geeft een ieder het recht zich tot de rechter te wenden en om zijn invrijheidstelling te verzoeken. Er bestaan – mede gelet op de rechtspraak van het EHRM – geen aanwijzingen dat betrokkene zich niet tot de Belgische rechter zou kunnen richten met een verzoek tot invrijheidstelling.

Naar de ervaringen die het hof heeft met tbs-gestelden met een achtergrond die vergelijkbaar is met die van betrokkene zou een langdurige resocialisatie noodzakelijk zijn. Bij het inzetten van een resocialisatietraject in Nederland valt te voorzien dat bij voortzetting van de tenuitvoerlegging van de terbeschikkingstelling in Nederland de termijn van de terbeschikkingstelling desgevorderd een aanzienlijk aantal malen met twee jaar zou moeten worden verlengd, voordat – bij positief resultaat – de terbeschikkingstelling (voorwaardelijk) zou worden beëindigd.

Op grond van het bovenstaande is het hof van oordeel dat er in feite geen sprake is van een verslechtering van de rechtspositie van betrokkene bij voortgezette tenuitvoerlegging van de terbeschikkingstelling als internering.

Ad 4 Het perspectief op resocialisatie in België

De heer Heimans heeft ter terechtzitting verklaard dat de forensische eenheden ook moeilijkere gevallen opnemen, waarbij sprake is van veroordelingen voor levensdelicten en ernstige zedendelicten met een geweldscomponent. Ten aanzien van betrokkene heeft hij opgemerkt dat bij plaatsing van betrokkene in de internering – gezien het al doorlopen traject – de CBM zelf direct het initiatief zal nemen om betrokkene aan te melden bij één van de drie particuliere forensische klinieken die zijn gespecialiseerd in opname van geïnterneerden. Voorts heeft de heer Heimans opgemerkt dat als een kliniek laat weten dat betrokkene daar welkom is, hij de termijn van zes maanden niet behoeft af te wachten om voor de commissie te verschijnen. Wanneer betrokkene wordt opgenomen, volgt een behandeling die uitloopt op een resocialisatietraject waarbij met verloven wordt gewerkt. Dit alles gebeurt met instemming en onder begeleiding van de CBM. Garanties kunnen hierbij uit de aard der zaak niet worden gegeven, aldus de heer Heimans.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat betrokkene, in geval van overdracht van de tenuitvoerlegging van de terbeschikkingstelling aan België daadwerkelijk een perspectief op resocialisatie – voor zover thans valt te voorzien – wordt gegeven. Het hof maakt hierbij nog de volgende kanttekeningen.

* Door betrokkene en zijn raadsvrouwe is aangegeven dat het stelsel van internering in België vele gebreken vertoont en dat het niet zou voldoen aan maatstaven van het EVRM, in het bijzonder de artikelen 3 en 5. Het hof verwerpt dit verweer. Het is niet aan het hof zelfstandig een diepgaand onderzoek in te stellen naar de wijze van tenuitvoerlegging van de internering in België. Niet aannemelijk is geworden dat in het algemeen enig perspectief op resocialisatie ontbreekt in het systeem van internering, zoals gesuggereerd door de raadsvrouwe. Het hof leidt dit onder meer af uit de verklaring van de heer Heimans ter terechtzitting van het hof. Deze heeft onder meer opgemerkt dat naar zijn schatting op dit moment ongeveer 400 van de 600 geïnterneerden zich niet in het eerste stadium van de internering, in het penitentiaire milieu, bevinden. Aan het hof is gebleken dat de Belgische autoriteiten zich bewust zijn van tekortkomingen van de praktijk van de tenuitvoerlegging van de internering en dat er maatregelen zijn genomen en voorgenomen om die te verbeteren. Maar het hof acht – met name op grond van het door Heimans verklaarde – niet aannemelijk dat de wijze van tenuitvoerlegging thans in het algemeen in strijd is met de artikelen 3 en 5 EVRM. Ook acht het niet aannemelijk dat er ten aanzien van betrokkene gevaar bestaat voor een flagrante schending van die bepalingen. Voor het overige verwijst het hof naar het vertrouwensbeginsel in het internationale rechtshulpverkeer dat in dit verband impliceert dat ervan mag worden uitgegaan dat door België de bepalingen van internationale mensenrechtenverdragen worden nageleefd.

* Ten opzichte van het stadium van de tenuitvoerlegging van de terbeschikkingstelling en van zijn behandeling in Nederland zal betrokkene in zoverre in eerste instantie een stap terug moeten doen dat overeenkomstig het Belgisch recht en beleid in België eerst (door deskundigen) de persoon van betrokkene zal moeten worden beoordeeld voordat een vervolg kan worden bepaald. Het hof acht dit een onvermijdelijk gevolg van overdracht van een maatregel als de onderhavige. Hierbij verdient opmerking dat zich iets soortgelijks voordoet ten aanzien van (de eerste maanden na) overplaatsing van een tbs-gestelde naar een andere inrichting binnen Nederland.

* Betrokkene heeft als een van de redenen waarom hij geen perspectief heeft op resocialisatie in België genoemd dat de voorzitter van de interneringscommissie – het hof begrijpt: de heer Heimans – hem heel duidelijk heeft laten blijken dat hij op geen enkele manier kan rekenen op enige vorm van hulp. Het hof acht dit niet aannemelijk geworden. Ter terechtzitting van het hof heeft de heer Heimans als volgt verklaard: “[terbeschikkinggestelde] en ik hebben tijdens zijn vrijheidsbeneming in Nederland gecorrespondeerd. In zijn laatste brieven aan mij kwam naar voren dat hij dacht of meende te denken dat ik hem tegenwerkte. Dit is niet het geval. Ik geloof dat dit met mijn verklaring vandaag is rechtgezet. Ik geloof in de positieve werking van behandeling van betrokkene.”

Betrokkene – die voor het overige op alle onderdelen commentaar heeft geleverd – heeft dit niet weersproken. De stellingen van betrokkene zijn voor het overige ook onvoldoende onderbouwd.

Slotsom

Er moet vanuit worden gegaan dat op dit moment elk perspectief op resocialisatie van betrokkene in Nederland ontbreekt. Een dergelijk perspectief heeft, voor zover valt te voorzien, betrokkene wel bij overdracht van de tenuitvoerlegging aan België. De bezwaren die uit anderen hoofde tegen overdracht zijn ingebracht, zijn niet overwegend. Het hof is daarom van oordeel dat de minister redelijkerwijs tot het oordeel heeft kunnen komen dat overdracht van de tenuitvoerlegging van de terbeschikkingstelling van betrokkene aan België in het belang van een goede rechtsbedeling is.”

Het hof gaat er vanuit dat de overbrenging van betrokkene gerealiseerd wordt. Een en ander leidt ertoe dat thans geen sprake is van een situatie die niet aansluit bij het stadium van behandeling van betrokkene.

Het voorgaande leidt ertoe dat het hof niet toekomt aan een beoordeling van de situatie die zich zou voordoen bij voortgezet verblijf van betrokkene in Nederland en aan een beoordeling van de vraag of het mogelijk is om een vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling toe te wijzen, als aan een terbeschikkinggestelde die wel zo ver is, de fase van resocialisatie wordt onthouden als gevolg van buiten zijn persoon en toedoen gelegen omstandigheden (vergelijk de tussenbeslissing van 16 november 2007). Voor zover in de verweren van de raadslieden wordt uitgegaan van een voortgezet verblijf van betrokkene in Nederland worden zij om die reden verworpen.

De verweren van de raadslieden vinden voor het overige grotendeels hun beantwoording in de overwegingen van het hof in de beslissing op het bezwaarschrift. Het hof neemt die – hierboven aangehaalde – overwegingen hier over.

Met betrekking tot het betoog dat de detentie van betrokkene van de afgelopen jaren in strijd zou zijn met artikel 3 EVRM overweegt het hof als volgt. Het hof begrijpt dat bedoeld is de periode na overplaatsing van betrokkene naar Veldzicht.

Het hof verwerpt dit betoog. Van foltering dan wel van een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing is naar het oordeel van het hof geen sprake. Volgens de rechtspraak van het EHRM is voor die kwalificaties een bepaald minimumniveau vereist, waarvan ten aanzien van betrokkene geen sprake is. Bovendien heeft de voortgezette detentie van betrokkene de beveiliging van de samenleving gediend. Met het oog op de voortzetting van de behandeling heeft de staat voortdurend inspanningen verricht om de tenuitvoerlegging van de terbeschikkingstelling over te dragen aan België. Het hof merkt hierbij op dat betrokkene hieraan geen medewerking heeft willen verlenen. Betrokkene heeft weliswaar gedurende een aantal maanden verbleven in het sobere regime op de afdeling [afdeling] verbleven, maar is vervolgens teruggeplaatst naar een minder sober regime van [kliniek].

Ook het beroep op artikel 8 EVRM wordt door het hof verworpen. Het hof begrijpt het betoog aldus dat de bescherming van het privéleven van betrokkene in de weg zou staan aan verlenging van de terbeschikkingstelling en overdracht van de tenuitvoerlegging van de terbeschikkingstelling aan België. Voor zover er sprake is van een inbreuk op het privéleven van betrokkene, valt niet in te zien waarom zij niet bij de wet zou zijn voorzien dan wel niet noodzakelijk zou zijn in een democratische samenleving in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Tenslotte vloeit uit het voorgaande voort dat en waarom het beroep op artikel 13 EVRM moet worden verworpen.

Zoals reeds eerder overwogen blijkt uit de voorliggende adviezen dat er bij betrokkene thans nog steeds sprake is van een dusdanige stoornis en delictgevaar dat verlenging van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging noodzakelijk is. Een verlenging met een termijn van één jaar is niet aan de orde, omdat na de uitspraak van de rechtbank inmiddels reeds meer dan een jaar is verstreken.

Gelet op de nog steeds aanwezige stoornis, het thans nog aanwezige delictgevaar en de na de uitspraak van de rechtbank verstreken tijd is het hof van oordeel dat een verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar geïndiceerd is.

Beslissing:

Het hof:

Vernietigt de beslissing van de rechtbank te Dordrecht van 29 maart 2007 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde.

Verlengt de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar.

Aldus gedaan door

mr Lensing als voorzitter,

mrs Vegter en Van der Herberg als raadsheren,

en drs Poll en drs Boon als raden,

in tegenwoordigheid van mr Ten Elshof als griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2008.

De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.