Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BD0083

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
12-02-2008
Datum publicatie
22-05-2008
Zaaknummer
104.003.561
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof sluit zich verder aan bij de overwegingen 4.9 tot en met 4.11 van het bestreden vonnis, waartegen overigens ook geen grieven zijn gericht of bezwaren zijn geuit, en komt tot het oordeel dat de gedragingen c.q. verkeersovertredingen van [geïntimeerde] enerzijds en [A.] en [B.] anderzijds in gelijke mate het gevaar voor het ontstaan van een aanrijding in het leven hebben geroepen. [geïntimeerde] had aan de rechterkant van de weg behoren te rijden (art. 3 lid 1 RVV 1990), richting aan moeten geven indien hij van plan was om linksaf te slaan (art. 17 lid 2 RVV 1990) dan wel geen gevaar of hinder op de weg mogen veroorzaken door slingerend, met losse handen te fietsen waardoor hij kennelijk (nog meer) naar links uitweek (art. 5 WVW 1994). [A.] had als automobilist, die vóór hem een fietser slingerend, met losse handen ziet rijden op de rechterweghelft, zijn snelheid moeten aanpassen (lees: verminderen) – namelijk aan de concrete verkeersomstandigheden (art. 5 WVW 1994 jo. art. 19 RVV 1990; zie ook HR 24 september 2004, NJ 2005, 466 – en niet moeten inhalen op relatief geringe afstand (een meter) van [geïntimeerde]. Een fietser is ten opzichte van een automobilist immers een kwetsbare verkeersdeelnemer.

[B.] had als automobilist in ieder geval méér afstand moeten houden van zijn voorganger [A.] (zie ook het rapport van Bosscha, p. 13) en geen inhaalmanoeuvre moeten inzetten, toen hij had gezien dat [geïntimeerde] op het midden van de rechterweghelft reed, slingerend en met losse handen. Het hof oordeelt het aannemelijk dat het ongeval niet zou zijn gebeurd indien [geïntimeerde] meer rechts had gehouden en niet plots naar links zou zijn uitgeweken en indien [A.] met een lagere snelheid en met meer afstand van [geïntimeerde] had ingehaald, eventueel had gewaarschuwd door middel van claxonneren (hij wilde inhalen en zag [geïntimeerde] slingerend, met losse handen op de fiets rijden) en indien [B.] in ieder geval meer afstand had gehouden van [A.] toen ook hij de inhaalmanoeuvre inzette én met lagere snelheid had gereden (ook hij had [geïntimeerde] slingerend zien fietsen), waardoor hij tijdig tot stilstand had kunnen komen of althans had kunnen voorkomen dat [geïntimeerde] onder zijn auto raakte. De (verkeers)fouten en gedragingen van [A.] en [B.] hebben naar het oordeel van het hof niet méér bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval (de eerste en de tweede aanrijding), dan die van [geïntimeerde], zodat er geen reden is om de schadevergoedingsverplichting van Fortis en N-N op grond van de causaliteitsafweging op méér dan 50% te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2008, 178
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 februari 2008

derde civiele kamer

zaaknummer 104.003.561

rolnummer 2007/526

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

1. de naamloze vennootschap

Fortis ASR Schadeverzekering N.V.,

gevestigd te Utrecht,

2. de naamloze vennootschap

Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Mij. N.V.,

gevestigd te ’s-Gravenhage,

appellanten,

procureur: mr. F.J. Boom,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

procureur: mr. J.F. Vermeulen.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van de vonnissen van 12 juli 2006 en 14 februari 2007die de rechtbank Arnhem tussen appellanten (hierna ook te noemen: Fortis en N-N) als gedaagden en geïntimeerde (hierna ook te noemen: [geïntimeerde]) als eiser heeft gewezen; van het laatste vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Fortis en N-N hebben bij exploot van 30 maart 2007 [geïntimeerde] aangezegd van het vonnis van 14 februari 2007 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven hebben Fortis en N-N vijf grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht, en bewijs aangeboden. Zij hebben gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest [geïntimeerde] alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vordering, althans deze hem zal ontzeggen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met de nakosten van de procureur.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden en verweer gevoerd, en bewijs aangeboden. Hij heeft geconcludeerd dat het hof, zo nodig onder verbetering of aanvulling van gronden het bestreden vonnis zal bevestigen, met veroordeling van Fortis en N-N in de kosten van het hoger beroep.

3 De vaststaande feiten

De rechtbank heeft in haar vonnis van 14 februari 2007 onder 2.1 tot en met 2.6 feiten vastgesteld. Aangezien daartegen geen grieven zijn aangevoerd of bezwaren zijn geuit, zal het hof in hoger beroep ook van die feiten uitgaan.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

Samenvatting van de zaak en het geschil

4.1 Op 13 februari 2003 rond 17.00 uur heeft te Niftrik (gemeente Wijchen), buiten de bebouwde kom, een verkeersongeval plaatsgevonden waarbij [geïntimeerde] (geb. [geboortedatum] 1976) als fietser was betrokken en twee automobilisten, [A.] en [B.]. De door [A.] bestuurde auto (een Citroën) was op grond van de WAM verzekerd bij (thans) Fortis en de door [B.] bestuurde auto (een Seat) bij N-N.

[geïntimeerde] fietste op zijn racefiets op de Maasbandijk ter hoogte van de Hoogeerdstraat, in de richting van Wijchen. Vlak vóór de splitsing met de Hoogeerdstraat reed eerst de Citroën [geïntimeerde] voorbij; tijdens het passeren kwam [geïntimeerde] in contact met de Citroën en viel daardoor op het wegdek. Daarna is [geïntimeerde] aangereden/overreden door de Seat die ongeveer 20-25 meter achter de Citroën reed. [geïntimeerde] is door het ongeval ernstig gewond geraakt.

Van het ongeval is door de politie een “gewoon” proces-verbaal en een proces-verbaal VerkeersOngevalAnalyse opgemaakt (tezamen in prod. 1 inl. dagv.). Daarnaast is door A. van der Mee van Confid assistence agency v.o.f. op verzoek van N-N een toedrachtonderzoek verricht; hiervan is een rapport opgemaakt d.d. 2 juli 2003 (prod. 7 akte na comparitie). Op verzoek van N-N heeft ing. N.L. Bosscha, beëdigd verkeersongevallendeskundige, een rapport over de toedracht van de aanrijding opgemaakt d.d. 9 maart 2004, met een fotomap (prod. 2 inl. dagv.).

4.2 De ongevalsgevolgen voor [geïntimeerde] zijn onderzocht door verschillende deskundigen verbonden aan het Neuro-Orthopaedisch Centrum te Bilthoven, te weten een neuroloog (Oosterhoff), een orthopaedisch chirurg (Postma) en een neuropsycholoog (Bruins). Deze deskundigen hebben hiervan een rapport d.d. 31 mei 2006 opgemaakt (prod. 8 akte na comparitie). Zowel op neurologisch als op orthopaedisch gebied heeft [geïntimeerde] beperkingen die zich mede uitstrekken tot de (on)mogelijkheid tot loonvormende arbeid. Op orthopaedisch gebied is er sprake van 27% blijvende invaliditeit gehele persoon (b.i.g.p.) en op neurologisch gebied van 41% b.i.g.p.; in totaal is er sprake van 57% b.i.g.p..

4.3 [geïntimeerde] heeft Fortis en N-N beide (geheel) aansprakelijkheid gehouden voor de gevolgen van het ongeval; N-N is daarbij als “regelend verzekeraar” opgetreden. Beide WAM-verzekeraars hebben aansprakelijkheid op de voet van art. 185 WVW 1994 erkend, doch zij menen niet gehouden te zijn tot vergoeding van de volledige schade omdat er sprake is van “eigen schuld” bij [geïntimeerde] en de billijkheid(scorrectie) niet vergt dat zij gehouden zijn om méér dan 50% (hoger beroep) of 75% (eerste aanleg) van de schade van [geïntimeerde] te vergoeden.

4.4 Na een door [geïntimeerde] in 2006 gestarte rechtbankprocedure heeft de rechtbank bij (eind)vonnis van 14 februari 2007 geoordeeld dat Fortis en N-N hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele (im)materiële schade van [geïntimeerde] en de zaak verwezen naar de schadestaatprocedure.

Dit hoger beroep betreft uitsluitend de vraag of Fortis en N-N volledig aansprakelijk zijn voor de gevolgen van het ongeval dan wel of hun vergoedingsplicht overeenkomstig art. 6:101 BW wordt verminderd of ten dele vervalt, aldus dat [geïntimeerde] 50% van zijn schade zelf draagt. De vijf grieven zien op het bestreden oordeel van de rechtbank inzake de causaliteitsafweging (grief 1), de billijkheidscorrectie (grieven 2, 3 en 4) en het passeren van het bewijsaanbod (grief 5). Het hof zal, in navolging van Fortis en N-N deze grieven gezamenlijk bespreken en beoordelen.

Beoordelingskader

4.5 Tussen partijen staat niet ter discussie dat Fortis en N-N aansprakelijk zijn gehouden voor de gevolgen van het ongeval op de voet van art. 185 WVW 1994. Op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad geldt in een geval als het onderhavige, waarin sprake is van een aanrijding tussen een motorrijtuig en een fietser waarbij deze schade oploopt, de zogenaamde 50%-regel die kort gezegd inhoudt dat de eigenaar/kentekenhouder van het motorrijtuig (of diens WAM-verzekeraar) gehouden is, behoudens overmacht, ten minste 50% van de schade te vergoeden tenzij er bij de fietser/voetganger sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid. Na beoordeling van deze causaliteitsmaatstaf kan op de voet van art. 6:101 lid 1 BW een andere verdeling plaatsvinden indien – gelet op de persoonlijke en maatschappelijke belangen die bij het gegeven geval zijn betrokken – de billijkheid dit eist (de billijkheidscorrectie), waarbij rekening moet worden gehouden met de ernst en de mate van verwijtbaarheid van de over en weer gemaakte fouten en met andere omstandigheden van het geval (zie o.a. HR 4 mei 2001, NJ 2002, 214).

Het hof zal de gedragingen van de bestuurder van de eerste auto (de Citroën) en de tweede auto (de Seat) tegenover de gedragingen van [geïntimeerde], apart bezien en beoordelen.

De toedracht van het ongeval op 13 februari 2003

4.6 Aan de hand van de overgelegde, al eerder genoemde stukken kan het hof het navolgende vaststellen ten aanzien van de feiten en omstandigheden waaronder het ongeval plaatsvond. Het ongeval vond (nog) bij daglicht plaats. De Maasbandijk is een geasfalteerde weg van ong. 5.40 meter breed die tussen weilanden in ligt; de wegas is gemarkeerd met een onderbroken lijn; de maximumsnelheid bedraagt aldaar 80 km/uur. De eerste aanrijding vond plaats tussen [geïntimeerde] en de Citroën ([A.]) en de tweede tussen [geïntimeerde] en de Seat ([B.]). Beide automobilisten reden ongeveer 75 km/uur en hadden goed (over)zicht op de weg en hebben [geïntimeerde] (slingerend) zien fietsen voordat het ongeval, de eerste aanrijding, plaatsvond.

Direct en daags na het ongeval zijn onder andere de betrokken automobilisten door de politie gehoord en zij hebben verklaringen afgelegd.

4.7 Uit het – onbestreden – rapport van Bosscha (p. 6-7) blijkt, mede aan de hand van de door betrokkenen afgelegde verklaringen, dat de eerste aanrijding als volgt heeft plaatsgevonden: alhoewel de botsplaats niet meer nauwkeurig is vast te stellen omdat de fiets van [geïntimeerde] na het ongeval verplaatst is (de fiets zelf lijkt overigens niet (noemenswaardig) geraakt te zijn door één van de auto’s), kon en kan deze wel gereconstrueerd worden aan de hand van de verklaringen van betrokkenen. Op bijlage 3 van het rapport van Bosscha is op een tekening aangegeven dat de botsplaats vlak voor de Hoogeerdstraat moet liggen.

[A.] zelf verklaart tegenover de politie (direct na het ongeval) dat hij op een afstand van ongeveer 50 meter vanaf [geïntimeerde] (“de fietser”), naar links is uitgeweken en dat hij dacht dat hij met zijn auto toen al ongeveer één meter over de middenlijn had gereden of nog meer naar links. Toen hij bij [geïntimeerde] kwam heeft hij hem ruim ingehaald, met een afstand van ongeveer één meter. [A.] zag dat de fietser wat uitweek naar links en daarop week hij ook naar links af en begon te remmen. “Ineens sloeg de fietser af op het moment dat ik wilde passeren. Ik reed al redelijk op de linker helft”, aldus [A.]. Hij is [geïntimeerde] voorbij gereden en gestopt, “omdat het maar weinig had gescheeld of ik de fietser geraakt had”. Hij hoorde daarna van [B.] (de bestuurder van de Seat) dat hij [geïntimeerde] ook geraakt zou hebben. Verder verklaart [A.] (op 15 februari 2003; zie p-v politie) dat hij zag dat [geïntimeerde] wat slingerend reed en rechtop op zijn fiets zat met losse handen. Hij heeft de fietser niet om zien kijken en hij heeft zelf niet geclaxonneerd.

[geïntimeerde] is op 13 mei 2003 (voor het eerst) in het ziekenhuis door de politie gehoord. Hij verklaart dat hij zich niets van het ongeval kan herinneren. Hij weet ook niet of hij geslingerd heeft of met losse handen heeft gefietst en hij weet ook niet meer of hij al deels links afsloeg (richting de Hoogeerdstraat) of bezig was om voor te sorteren.

[B.], die ongeveer 20-25 meter achter [A.] reed, verklaart tegenover de politie (direct na het ongeval) dat hij zag dat [geïntimeerde] (de fietser) een slingerende beweging maakte en dat deze voor zijn gevoel links af wilde slaan. Op dat moment reed de Citroën (van [A.]) [geïntimeerde] voorbij en hij zag dat [geïntimeerde] toen omkeek en geraakt werd door de rechterzijspiegel van de Citroën. [B.] verklaart ook (op 14 februari 2003; zie p-v politie) dat hij zag dat [geïntimeerde] met losse handen reed en dat hij over zijn schouder keek toen hij kennelijk linksaf (de Hoogeerdstraat in) wilde slaan; hierdoor kwam hij nog meer links te rijden. [B.] zag hem geen richting aangeven. [B.] heeft verder verklaard (op 2 juli 2003; Confidrapportage, p. 4) dat hij zag dat [geïntimeerde] op ongeveer 1,5 meter afstand van de berm op de weg reed, dus midden op de rechterweghelft.

Uit deze verklaringen concludeert het hof dat [geïntimeerde] ten tijde van het ongeval met losse handen en slingerend op het midden van de rechterweghelft reed en (verder) naar links is uitgeweken zonder richting aan te geven, waarbij in het midden kan blijven of [geïntimeerde] toen ook de bedoeling had om linksaf te slaan (de Hoogeerdstraat op) of om een andere reden naar links uitweek. Op dat moment echter was [A.] bezig met een inhaalmanoeuvre op een afstand van ongeveer één meter van [geïntimeerde]. [geïntimeerde] is toen in contact gekomen met de rechterzijspiegel van de Citroën (en heeft met zijn linkervoet het rechterportier nog geraakt) en is toen ten val gekomen.

4.8 De tweede aanrijding kan als volgt gereconstrueerd worden: nadat [geïntimeerde] op het wegdek was terechtgekomen door de eerste aanrijding, heeft [B.] [geïntimeerde] niet kunnen ontwijken en heeft hem aangereden. [B.] reed met de Seat met ongeveer dezelfde snelheid als [A.] (75 km/uur) en met een afstand van ongeveer 20-25 meter achter de Citroën.

[B.] verklaart direct na het ongeval tegenover de politie dat hij zag dat [geïntimeerde] (“de fietser”) achter de Citroën op de grond viel en dat hij ([B.]) als reactie geremd heeft maar hem niet kon ontwijken. “Hij viel recht voor mijn auto op de grond.” Hij heeft [geïntimeerde] een stukje meegenomen onder zijn auto. Hij kwam net voorbij de Hoogeerdstraat tot stilstand met zijn auto aan de linkerzijde van de weg; in een kuil in de berm lag [geïntimeerde].

[B.] verklaart verder (op 14 februari 2003; zie p-v politie) dat hij voordat de aanrijding plaatsvond al midden op de weg was gaan rijden, met zijn stuur net links over de streep. Toen de aanrijding plaatsvond heeft hij bijgeremd maar geen noodstop gemaakt. “Meteen daarop zag ik dat de fietser achterover sloeg en eigenlijk dwars over de weg kwam te liggen … Ik heb de man vervolgens met de onderkant van de auto of de voorspoiler geraakt en heb hem kennelijk een stuk meegevoerd”, aldus [B.]. Hij is daarbij ook over hem heen gereden.

Andere getuigen en/of verklaringen van de tweede aanrijding zijn er niet. [geïntimeerde] zelf heeft geen enkele herinnering aan het ongeval.

Uit de verklaring van [B.] en de ongevallenanalyse van Bosscha concludeert het hof dat [B.] een aanrijding met [geïntimeerde] die op het wegdek lag, niet heeft kunnen vermijden.

Causaliteitsafweging

4.9 Grief 1 richt zich tegen de constatering van de rechtbank in rechtsoverweging 4.8 dat het door Fortis en N-N gestelde verkeersgedrag van [geïntimeerde] wegens diens betwisting, niet als vaststaand kan worden aangenomen. Een specifieke toelichting op deze grief ontbreekt en mist overigens relevantie omdat de rechtbank in diezelfde rechtsoverweging vervolgt met en uitgaat van het door Fortis en N-N veronderstelde verkeersgedrag van [geïntimeerde] in het kader van de causaliteitsafweging. Grief 1 treft daarom geen doel.

4.10 Het hof sluit zich verder aan bij de overwegingen 4.9 tot en met 4.11 van het bestreden vonnis, waartegen overigens ook geen grieven zijn gericht of bezwaren zijn geuit, en komt tot het oordeel dat de gedragingen c.q. verkeersovertredingen van [geïntimeerde] enerzijds en [A.] en [B.] anderzijds in gelijke mate het gevaar voor het ontstaan van een aanrijding in het leven hebben geroepen.

[geïntimeerde] had aan de rechterkant van de weg behoren te rijden (art. 3 lid 1 RVV 1990), richting aan moeten geven indien hij van plan was om linksaf te slaan (art. 17 lid 2 RVV 1990) dan wel geen gevaar of hinder op de weg mogen veroorzaken door slingerend, met losse handen te fietsen waardoor hij kennelijk (nog meer) naar links uitweek (art. 5 WVW 1994).

[A.] had als automobilist, die vóór hem een fietser slingerend, met losse handen ziet rijden op de rechterweghelft, zijn snelheid moeten aanpassen (lees: verminderen) – namelijk aan de concrete verkeersomstandigheden (art. 5 WVW 1994 jo. art. 19 RVV 1990; zie ook HR 24 september 2004, NJ 2005, 466 – en niet moeten inhalen op relatief geringe afstand (een meter) van [geïntimeerde]. Een fietser is ten opzichte van een automobilist immers een kwetsbare verkeersdeelnemer.

[B.] had als automobilist in ieder geval méér afstand moeten houden van zijn voorganger [A.] (zie ook het rapport van Bosscha, p. 13) en geen inhaalmanoeuvre moeten inzetten, toen hij had gezien dat [geïntimeerde] op het midden van de rechterweghelft reed, slingerend en met losse handen.

Het hof oordeelt het aannemelijk dat het ongeval niet zou zijn gebeurd indien [geïntimeerde] meer rechts had gehouden en niet plots naar links zou zijn uitgeweken en indien [A.] met een lagere snelheid en met meer afstand van [geïntimeerde] had ingehaald, eventueel had gewaarschuwd door middel van claxonneren (hij wilde inhalen en zag [geïntimeerde] slingerend, met losse handen op de fiets rijden) en indien [B.] in ieder geval meer afstand had gehouden van [A.] toen ook hij de inhaalmanoeuvre inzette én met lagere snelheid had gereden (ook hij had [geïntimeerde] slingerend zien fietsen), waardoor hij tijdig tot stilstand had kunnen komen of althans had kunnen voorkomen dat [geïntimeerde] onder zijn auto raakte.

De (verkeers)fouten en gedragingen van [A.] en [B.] hebben naar het oordeel van het hof niet méér bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval (de eerste en de tweede aanrijding), dan die van [geïntimeerde], zodat er geen reden is om de schadevergoedingsverplichting van Fortis en N-N op grond van de causaliteitsafweging op méér dan 50% te stellen.

Billijkheidscorrectie

4.11 De grieven 2, 3 en 4 komen op tegen het oordeel van de rechtbank in de rechtsoverwegingen 4.13, 4.15 en 4.16 betreffende de afwegingen in het kader van de billijkheidscorrectie. Niet is opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 4.14 over de mate waarin [geïntimeerde] door het ongeval is getroffen en de conclusie dat de gevolgen voor [geïntimeerde], die ten tijde van het ongeval 26 jaar oud was, bijzonder ernstig en blijvend zijn; het hof schaart zich achter deze overweging en maakt die tot de zijne. Deze omstandigheden (ernst van de letselschade en leeftijd van het slachtoffer) zijn factoren die binnen dit kader meewegen ten gunste van [geïntimeerde].

Zoals al weergegeven in rechtsoverweging 4.5 tellen in het kader van de billijkheidscorrectie niet alleen de persoonlijke en maatschappelijke belangen mee, doch dient er ook rekening te worden gehouden met de ernst en de mate van verwijtbaarheid van de over en weer gemaakte fouten.

[geïntimeerde] kan verweten worden dat hij niet geheel rechts heeft gehouden en slingerend reed, al dan niet doordat hij zijn handen niet aan het stuur had en plots nog meer naar links stuurde zonder richting aan te geven.

[A.] kan verweten worden dat hij niet, althans niet in voldoende mate, geanticipeerd heeft op het verkeersgedrag van [geïntimeerde]. Hij zag immers vanaf zo’n 150 meter al dat [geïntimeerde] midden op de rechterweghelft slingerend reed en zijn handen niet aan het stuur had. [A.] had toen kunnen claxonneren voordat hij ging inhalen, om [geïntimeerde] te waarschuwen dat hij achter hem reed; [A.] zág hem immers en [geïntimeerde] nam de nadering van [A.] kennelijk niet waar. Verder had [A.] meer gas kunnen terugnemen waardoor er meer tijd was geweest voor [geïntimeerde] om zich te realiseren dat er een auto achter hem zat. [A.] had dan met méér ruimte dan hij heeft gedaan [geïntimeerde] kunnen inhalen (onbetwist staat vast dat er nog genoeg ruimte was aan de linkerzijde van de weg en dat er geen tegemoetkomend verkeer was); uit de toedracht van het ongeval blijkt immers dat [A.] slechts met zijn rechterbuitenspiegel [geïntimeerde] geraakt heeft zodat hij, met meer tussenruimte, [geïntimeerde] niet geraakt zou hebben, alhoewel deze plots naar links afweek.

[B.] kan eveneens verweten worden dat hij niet, althans niet in voldoende mate, geanticipeerd heeft op het verkeersgedrag van [geïntimeerde]. Ook hij zag immers al van geruime afstand [geïntimeerde] slingerend, zonder zijn handen aan het stuur midden op de rechterweghelft fietsen. [B.] kan daarnaast verweten worden dat hij niet voldoende afstand heeft bewaard tot zijn voorganger [A.]. Niet betwist is de conclusie in het rapport van Bosscha (p. 13) dat voor een veilige remweg, de “stopweg”, de afstand met de Citroën van [A.] ongeveer 50 meter had moeten bedragen. [B.] heeft dus veel te dicht op zijn voorganger gezeten, waardoor hij niet meer tijdig tot stilstand kon komen of kon uitwijken toen plots vóór hem [geïntimeerde] op het wegdek terecht kwam. Door het aanhouden van een te geringe afstand tot zijn voorganger heeft [B.] zich vrijwel iedere mogelijkheid ontnomen om adequaat te (kunnen) reageren wanneer zich met betrekking tot zijn voorganger en/of andere weggebruikers iets onverwachts zou voordoen. Indien [B.] die afstand wél had aangehouden, dan was hij vermoedelijk niet over [geïntimeerde] heen gereden doordat hij tijdig tot stilstand had kunnen komen of had kunnen uitwijken.

Gezien de hiervoor geschetste gedragingen en verwijten van alle drie de verkeersdeelnemers, de aard en ernst van het letsel en de leeftijd van het slachtoffer [geïntimeerde], komt het hof tot de conclusie dat de billijkheid een andere verdeling eist dan 50/50 en wel zo dat Fortis en N-N gehouden zijn om niet de volle 100 doch 80% van de schade van [geïntimeerde] te vergoeden. De grieven 2 en 4 slagen.

4.12 Of [geïntimeerde] ten tijde van het ongeval verzekerd was en als gevolg daarvan een uitkering verkrijgt, kan in dit kader buiten beschouwing blijven zoals de rechtbank terecht heeft overwogen in rechtsoverweging 4.15. (Terzijde merkt het hof op dat het hier om een ándere zaak gaat dan het in het arrest van HR 4 mei 2002, NJ 2002, 214 berechte geval. In die zaak werd immers de fietser aansprakelijk gehouden voor de schade (bij een bromfietser) als gevolg van een ongeval en in dát kader speelde de vraag mee of de fietser een WA-verzekering had.) Indien en voorzover [geïntimeerde] zijn schade (deels) vergoed krijgt uit ándere hoofde, bijvoorbeeld op grond van een verzekering, dan is dat een factor die meeweegt in de schadebegroting; daarvan is hier geen sprake zodat dit aspect verder buiten deze beoordeling valt. Grief 3 faalt daarom.

Bewijsaanbod

4.13 Met grief 5 zijn Fortis en N-N opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 4.17 dat aan (verder) bewijs niet wordt toegekomen. In hoger beroep hebben Fortis en N-N bewijs aangeboden (MvG sub 37) ter zake het verkeersgedrag van betrokkenen. De stellingen die zij ten bewijze aanvoeren, zijn door het hof als uitgangspunt voor de beoordeling aangenomen zodat hiervan geen bewijs meer nodig is. Daarnaast is het hof uitgegaan van de door Fortis en N-N zelf ingebrachte en (door [geïntimeerde]) niet betwiste deskundigenrapporten, zodat ook op dit onderdeel geen nader bewijs nodig is. Het bewijsaanbod van Fortis en N-N is daarom niet terzake dienend en wordt afgewezen. Grief 5 faalt daarom ook.

Slotsom

4.14 Nu de grieven van Fortis en N-N deels slagen, moet het bestreden vonnis van de rechtbank vernietigd worden. Omdat beide partijen over en weer in het (on)gelijk zijn gesteld, zal ieder der partijen de eigen proceskosten dienen te dragen zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

- vernietigt het vonnis van de rechtbank Arnhem van 14 februari 2007 en doet opnieuw recht;

- verklaart voor recht dat Fortis en Nationale-Nederlanden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor 80% van de door [geïntimeerde] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van de aanrijding van 13 februari 2003;

- compenseert de kosten van beide instanties aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. Makkink, Dozy en Van Acht en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 februari 2008.