Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BC9854

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
01-04-2008
Datum publicatie
18-04-2008
Zaaknummer
07-00079
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting.

Verwijzingsprocedure HR 23 februari 2007, nr. 42624. Kosten van zwemmen en yortgymnastiek vormen geen aftrekbare ziektekosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008/760
FutD 2008-0866
V-N 2008/38.24

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

eerste meervoudige belastingkamer

nummer 07/00079

U i t s p r a a k

op het beroep van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst te P (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) over het jaar 1999.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende is over het jaar 1999 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 57.727. Na daartegen gemaakt bezwaar is bij uitspraak van de Inspecteur de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 57.404. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.

1.2 Het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van

ƒ 53.883.

1.3 De staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft bij arrest van 23 februari 2007, nr. 42.624, gepubliceerd in BNB 2007/283c* (hierna: het arrest) het beroep van de staatssecretaris gegrond verklaard, de uitspraak van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch vernietigd, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en het geding verwezen naar het gerechtshof te Arnhem (verder: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van het arrest.

1.4 De Inspecteur heeft het Hof, hoewel daartoe door het Hof in de gelegenheid gesteld, medegedeeld dat hij naar aanleiding van het arrest geen schriftelijke conclusie bij het Hof zal indienen. Belanghebbende heeft, daartoe door het Hof in de gelegenheid gesteld, wel een conclusie ingediend. Het Hof heeft die conclusie aan de Inspecteur toegezonden.

1.5 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 12 maart 2008 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen belanghebbende, bijgestaan door A, als gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1 Belanghebbende is geboren in 1946 en gehuwd met X-Y. Belanghebbende heeft twee kinderen, namelijk B, geboren in september 1985, en C, geboren in maart 1987.

2.2 In zijn aangifte IB/PVV 1999 heeft belanghebbende een bedrag van

ƒ 4.985 aan buitengewone lasten opgevoerd. De buitengewone lasten bestonden – voor zover hier van belang – uit de volgende kosten: ƒ 269 voor maaltijden, genoten door belanghebbendes zoon C (hierna: C), in het D-centrum, ƒ 1.819,20 voor reiskosten in verband met de dagelijkse behandeling van C in het D-centrum, ƒ 740 wegens het volgen van zwemlessen door belanghebbende, ƒ 374 in verband met deelname aan Yortgymnastiek door belanghebbende en ƒ 318,60 aan reiskosten door belanghebbende gemaakt in verband met genoemde deelname aan Yortgymnastiek en zwemlessen.

2.3 In de brief van 4 juni 2002 van huisarts E te Q staat – voor zover van belang – vermeld:

“Hij gebruikt geen medicatie. Wel is hem geruime tijd geleden (eind tachtiger jaren) aangeraden ontspanningsactiviteiten te verrichten.

Op medisch voorschrift en onder medische controlen gaat hij regelmatig zwemmen en doet aan York gymnastiek.”

2.4 De brief van 19 mei 2005 van huisarts E te Q behelst – voor zover van belang – het volgende:

“Hij gebruikt geen medicatie. Wel is hem geruime tijd geleden (eind tachtiger jaren) verplicht om ontspanningsactiviteiten te verrichten. Op medisch voorschrift en onder medische controle gaat hij regelmatig zwemmen en doet hij aan Yort gymnastiek.

Daarnaast heb ik hem vanaf 1993 periodiek doorverwezen naar de fysiotherapeut. De behandelingen aldaar hebben plaats gevonden op medische voorschrift en onder medische controle.”

2.5 Belanghebbende zwom 1 à 2 keer per week, op zaterdagmiddag rond 16.00 uur en op zondagochtend rond 10.00 uur. De zwemlessen vonden plaats in verenigingsverband en hadden een duur van gemiddeld drie kwartier. De zwemlessen vonden plaats met andere mensen te samen, voornamelijk kinderen. De deelnemers aan de zwemlessen bestonden uit zowel gezonde personen als personen met een aanpassing.

2.6 Als gevolg van zijn zwakke spierstelsel kon belanghebbende niet meekomen met de volwassenen. Na een aantal pogingen is het belanghebbende gelukt de diploma’s “recreatief zwemmen 1, 2 en 3” te behalen.

2.7 De zwemlessen werden verzorgd door twee badmeesters. Deze badmeesters hadden veel ervaring met mensen met een aanpassing. Zij gaven tijdens de zwemlessen meer uitleg, hielden meer toezicht en gaven de deelnemers meer begeleiding dan bij een reguliere zwemles werd gegeven.

2.8 Tijdens de zwemlessen was het zwemwater verwarmd tot 39 ºC. Tevens was de zwembadvloer op een hoger niveau ingesteld zodat de deelnemers aan de zwemles altijd konden gaan staan.

2.9 Tussen de badmeesters en de huisarts van belanghebbende vond geen terugkoppeling plaats aangaande de verrichtingen van belanghebbende. Belanghebbende heeft zijn huisarts verschillende malen verzocht de effecten van de verrichtingen te controleren. De huisarts is niet op dit verzoek ingegaan. Hij wilde slechts volstaan met het afleggen van de medische verklaringen van 4 juni 2002 en 19 mei 2005, welke verklaringen tot de stukken van het geding behoren.

2.10 Yortgymnastiek is gericht op het versterken van de spieren. Tevens worden er ontspanningsoefeningen gedaan. Yortgymnastiek kan zowel door gezonde personen als door personen met een aanpassing worden beoefend. De Yortgymnastiek vond in groepsverband plaats. Het aantal deelnemers wisselde. De vaste kern van deelnemers bedroeg circa zes personen. Tijdens de groepslessen werd door de Yortbegeleider persoonlijke aandacht gegeven aan de individuele deelnemer die moeite had met het uitvoeren van bepaalde oefeningen. De extra aandacht werd verleend op aanvraag van de deelnemer dan wel op eigen initiatief van de Yortbegeleider wanneer deze constateerde dat de deelnemer moeite had met de oefeningen. Tijdens de Yortlessen werd gebruik gemaakt van gymtoestellen. De Yortbegeleider had een soort band ontwikkeld waarmee de deelnemers tijdens de vakantieperiode ook thuis konden oefenen om te voorkomen dat de deelnemers terug zouden vallen op hun oude niveau.

2.11 De Yortbegeleider had een opleiding tot Yortinstructeur genoten. Hij had geen (para)medische opleiding genoten.

2.12 Belanghebbende heeft de Yortbegeleider gevraagd of hij contact wilde opnemen met de huisarts. De Yortbegeleider heeft hem toen te kennen gegeven dat hij de huisarts had gesproken doch achteraf is gebleken dat dit niet het geval was.

2.13 De huisarts heeft belanghebbende bij meerdere consulten gevraagd of hij nog aan Yortgymnastiek en zwemmen deed. De huisarts heeft dit nooit gecontroleerd.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 Na verwijzing en gelet op hetgeen partijen ter zitting hebben verklaard is tussen hen uitsluitend nog in geschil het antwoord op de vraag of de door belanghebbende ten behoeve van hemzelf gedane uitgaven voor zwemmen ad

ƒ 740, voor Yortgymnastiek ad ƒ 374, en de daarmee gepaard gaande reiskosten ad ƒ 319, als uitgaven voor geneeskundige hulp in aftrek kunnen worden gebracht. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de Inspecteur beantwoordt deze vraag ontkennend.

De overige tussen partijen in het geding zijnde uitgaven, de uitgave ad ƒ 269 voor maaltijden, genoten door C, in het D-centrum en ƒ 1.819,20 voor reiskosten in verband met de dagelijkse behandeling van C in het D-centrum, heeft de Inspecteur alsnog in aftrek aanvaard zodat het beroep reeds hierom gegrond wordt verklaard.

3.2 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Daaraan is mondeling toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

3.3 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot vermindering van de aanslag tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 53.883. De Inspecteur concludeert tot vermindering van de aanslag tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 55.315.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 De Hoge Raad heeft in het met de onderhavige zaak samenhangend arrest van de Hoge Raad van 23 februari 2007, met nr. 42.382, gepubliceerd in BNB 2007/282c*, dat ziet op de aanslag IB/PVV 1997 van belanghebbende, wat betreft de aftrekbaarheid van de uitgaven voor activiteiten als de onderhavige het volgende geoordeeld:

“3.3. Uitgaven voor activiteiten als de onderhavige, gymnastiek en zwemmen, zijn aan te merken als uitgaven voor geneeskundige hulp in de zin van vorenbedoelde wetsbepaling, indien die activiteiten onderdeel uitmaken van een complex van onderling samenhangende en op elkander afgestemde maatregelen, door middel waarvan op voorschrift van een arts en onder rechtstreeks toezicht of rechtstreekse begeleiding van een arts of andere medisch geschoolde hulpverlener wordt gepoogd de fysieke en psychische toestand van een patiënt tot de voor hem optimale graad op te voeren, dan wel die zo goed mogelijk in stand te houden. Indien aan de overige voorwaarden is voldaan, maar de activiteiten niet plaatsvinden onder rechtstreeks toezicht of rechtstreekse begeleiding van een (para)medicus, kunnen de uitgaven niettemin worden aangemerkt als uitgaven voor geneeskundige hulp, indien het gaat om therapeutische activiteiten onder omstandigheden waarin gezonde personen soortgelijke activiteiten niet plegen uit te oefenen.

3.4. Omtrent het daadwerkelijke toezicht en de begeleiding heeft het Hof niets vastgesteld. De enkele vaststelling dat de activiteiten volgens de huisarts plaatsvonden 'op medisch voorschrift en onder medische controle' biedt onvoldoende grond voor 's Hofs bestreden oordeel, nu geenszins uitgesloten is, mede gelet op hetgeen belanghebbende voor het Hof heeft verklaard, dat de huisarts met 'onder medische controle' iets anders heeft bedoeld dan dat hij of een andere medisch geschoolde hulpverlener rechtstreeks toezicht hield en begeleiding gaf bij de activiteiten (vgl. HR 17 oktober 1979, nr. 19 459, BNB 1979/293). De hierop gerichte klacht slaagt derhalve. […]…”.

4.2 Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de uitgaven voor de zwemlessen en de Yortgymnastiek als uitgaven voor geneeskundige hulp voor aftrek in aanmerking komen, hetgeen de Inspecteur bestrijdt.

4.3 Uit de hiervoor aangehaalde overwegingen van de Hoge Raad volgt dat voor aftrek van de onderhavige uitgaven als uitgaven voor geneeskundige hulp als bedoeld in artikel 46, lid 3, aanhef en letter a, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 in elk geval is vereist dat de activiteit is voorgeschreven door een arts.

4.4 Uit de stukken van het geding blijkt dat er, gelet op de brieven van huisarts E van 4 juni 2002 en 19 mei 2005, sprake is van activiteiten op medisch voorschrift. Dat deze verklaringen achteraf zijn opgesteld, zoals de Inspecteur voor het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft aangevoerd, doet daar niet aan af aangezien te dezen niet is vereist dat de activiteiten worden verricht op grond van een vooraf opgesteld medisch voorschrift.

4.5 Tevens is vereist dat de activiteiten plaatsvinden onder rechtstreeks toezicht of rechtstreekse begeleiding van een arts of andere medisch geschoolde hulpverlener, dan wel dat het gaat om therapeutische activiteiten onder omstandigheden waarin gezonde personen soortgelijke activiteiten niet plegen uit te oefenen. Hierover merkt het Hof, uitgesplitst per activiteit, het volgende op.

Zwemmen

4.6 Uit hetgeen belanghebbende ter zitting heeft verklaard blijkt dat de zwemlessen niet hebben plaatsgevonden onder rechtstreeks toezicht of rechtstreekse begeleiding van een arts of andere medisch geschoolde hulpverlener. Het toezicht dan wel de begeleiding vond uitsluitend plaats door een of meer zeer ervaren badmeesters. Niet is komen vast te staan dat de betrokken badmeesters als (para)medici kwalificeerden. De verklaringen van de huisarts van 4 juni 2002 en 19 mei 2005, die beiden spreken over “medische controle”, doen aan het voorgaande niet af nu is gebleken dat de controle van de huisarts uitsluitend plaatsvond tijdens een consult en niet tijdens de zwemlessen zelf.

4.7 Uit hetgeen belanghebbende ter zitting heeft verklaard blijkt voorts dat aan de zwemlessen werd deelgenomen door zowel gezonde personen als personen met een aanpassing en dat deze zwemlessen, die in verenigingsverband plaatsvonden, waren gericht op het behalen van diploma’s voor recreatief zwemmen. Reeds hierom is niet voldaan aan de door de Hoge Raad aangegeven mogelijkheid dat de uitgaven niettemin worden aangemerkt als uitgaven voor geneeskundige hulp, indien het gaat om therapeutische activiteiten onder omstandigheden waarin gezonde personen soortgelijke activiteiten niet plegen uit te oefenen. Dat tijdens de zwemlessen het zwemwater was verwarmd tot

39 ºC en de zwembadvloer op een hoger niveau was ingesteld zodat de deelnemers altijd konden gaan staan doet aan het voorgaande niet af.

4.8 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het gelijk op dit punt aan de Inspecteur.

Yortgymnastiek

4.9 Uit de stukken van het geding alsmede uit hetgeen belanghebbende ter zitting heeft verklaard blijkt dat de Yortgymnastiek niet heeft plaatsgevonden onder rechtstreeks toezicht of rechtstreekse begeleiding van een arts of andere medisch geschoolde hulpverlener. Niet is komen vast te staan dat de betrokken Yortbegeleider als (para)medicus was aan te merken aangezien niet is gebleken dat de opleiding van de Yortbegeleider tot Yortinstructeur voldoet aan de eisen die aan de opleiding van een (para)medicus worden gesteld. De verklaringen van de huisarts van 4 juni 2002 en 19 mei 2005, die beiden spreken over “medische controle”, doen aan het voorgaande niet af nu is gebleken dat de controle van de huisarts uitsluitend plaatsvond tijdens een consult en niet tijdens de Yortgymnastiek zelf.

4.10 Uit de stukken van het geding alsmede uit hetgeen belanghebbende ter zitting heeft aangevoerd volgt evenmin dat de Yortgymnastiek moet worden aangemerkt als therapeutische activiteit onder omstandigheden waarin gezonde personen soortgelijke activiteiten niet plegen uit te oefenen, aangezien Yortgymnastiek is gericht op versterking van de spieren en op ontspanning en zowel door gezonde personen als door personen met een aanpassing wordt beoefend. Extra aandacht op aanvraag van de deelnemer, dan wel op initiatief van de Yortbegeleider, is niet als omstandigheid aan te merken waaronder gezonde personen soortgelijke activiteiten niet plegen uit te oefenen. Dat geldt evenzeer voor het door de deelnemers tijdens vakantieperiodes kunnen oefenen met de door de Yortbegeleider ontwikkelde band.

4.11 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het gelijk op dit punt eveneens aan de Inspecteur.

5. Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaken met als registratienummer 07/00077 en 07/00078 met de onderhavige zaak samenhangen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden samenhangende zaken beschouwd als één zaak. Nu de Inspecteur reeds voor deze kosten is veroordeeld in de zaak met nummer 07/00077, zal zulks niet nogmaals in onderhavige zaak geschieden.

6. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak op bezwaar,

- vermindert de aanslag tot een aanslag, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 55.315.

Aldus gedaan op 1 april 2008 door de eerste meervoudige belastingkamer in de samenstelling mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, voorzitter, mr. M.C.M. de Kroon en mr. R. den Ouden, raadsheren.

De beslissing is op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. C.E. te Brake als griffier.

De griffier, De voorzitter,

(C.E. te Brake) (D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo)

Afschriften van de beslissing zijn aangetekend per post verzonden op 3 april 2008

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.