Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BC8889

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
01-04-2008
Datum publicatie
08-04-2008
Zaaknummer
B2007/317
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van het hof is er sprake van en uitgebreid en zorgvuldig onderzoek. Dat heeft niet geleid tot de conclusie dat de kinderen van klagers door een misdrijf om het leven zijn gekomen, laat staan dat beklaagden daar de daders van zouden zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

B2007\317

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Beschikking

inzake

1. K, en

2. K,

klagers,

bijgestaan door mr P.T. Pel, advocaat te Hattem,

tegen

1. B, en

2. B,

beklaagden,

bijgestaan door mr K. Kok, advocaat te Zwolle.

Op 31 augustus 2007 heeft mr Pel namens klagers schriftelijk beklag gedaan over de beslissing van de officier van justitie te Zutphen om tegen beklaagden geen strafvervolging in te stellen. Dit klaagschrift is op 3 september 2007 ter griffie van dit hof ingekomen.

Het hof heeft kennisgenomen van het ambtsbericht van de hoofdofficier van justitie te Zutphen, het schriftelijk verslag van de advocaat-generaal en de overige op deze zaak betrekking hebbende stukken.

Op 18 maart 2008 is de zaak in raadkamer van dit hof behandeld. Bij de behandeling waren klagers, bijgestaan door mr Pel, en namens beklaagden mr Kok, alsmede de advocaat-generaal aanwezig. Zij zijn in raadkamer gehoord.

Het beklag

Op 12 januari 2007 heeft er een verkeersongeval plaatsgevonden op de Groteweg te Wapenveld, waarbij de twee zonen van klagers betrokken waren. Zowel zij als de bestuurder D. van de Mazda, kwamen daarbij om het leven. Een vierde inzittende J. is enkele dagen later aan haar verwondingen overleden. Beklaagden waren in ieder geval directe getuigen van het ongeval.

Uit de stukken is gebleken dat de zonen van klagers, de bestuurder D. en J. die avond in jongerencentrum “Odyssee” te Wapenveld waren. Enige tijd later arriveerde daar ook de beklaagde 1 in gezelschap van K. en C.

Beklaagde 1 heeft verklaard dat er tussen hem en K. enerzijds en de zonen van klager en de bestuurder D. anderzijds al langere tijd onenigheid bestond. Er zou onder andere ruzie zijn geweest om een ex-vriendin van één van de zonen van klagers die een relatie kreeg met K. Bovendien zou die zoon op de vader van beklaagde 1 zijn ingereden. Die bewuste avond waren er geen problemen tussen de groepen, maar K. was er niet gerust op en zijn broer, beklaagde 2 , kwam samen met hun vader K. en vriendin N., naar Odyssee om hun op te halen. Beklaagde 1 reed voorop, met K. en C. als passagiers in zijn auto, een Volkswagen. Beklaagde 2 reed eveneens in een Volkswagen achter hen aan naar Heerde. In die auto zaten ook zijn vader K. en N. Plotseling hoorde beklaagde 1 een harde knal en toen hij achterom keek zag hij vlammen.

K. zat bij beklaagde 1 in de auto. Hij heeft verklaard dat hij zag dat de auto van bestuurder D. de auto van beklaagde 2 inhaalde. Plotseling hoorde hij een knal en zag hij een stuk van de Mazda door de lucht vliegen.

C. zat achterin de auto bij beklaagde 1. Zij heeft verklaard dat zij op een gegeven moment een harde knal hoorde.

Beklaagde 2 heeft verklaard dat hij die avond als bestuurder in een Volkswagen reed. Op een gegeven moment naderde een personenauto, een Mazda, hem met grote snelheid. Op het moment dat deze auto hem inhaalde, zag beklaagde 2 dat het de Mazda van bestuurder D. betrof. Vervolgens zag hij dat de bestuurder van de Mazda de controle over de auto kwijtraakte. Hij zag dat de achterzijde van de Mazda naar rechts draaide, terwijl de voorzijde naar links draaide. Vervolgens klapte de Mazda tegen een boom.

Vader K. zat bij zijn zoon, beklaagde 2, in de auto. Hij heeft verklaard dat hij zag dat er van achter een auto met grote snelheid naderde. Die auto haalde hen met een grote snelheid in. Hij zag dat de auto begon te schuiven en tegen een boom aanknalde.

N. heeft verklaard dat zij achterin de auto bij beklaagde 2 zat. Zij zag dat een auto hen inhaalde en hierna meteen in een slip raakte en tegen een boom aanreed.

In het strafrechtelijk onderzoek zijn voorts diverse getuigen gehoord die de bewuste avond bij Odyssee aanwezig waren. Uit deze verklaringen komt naar voren dat de auto’s van beklaagden als eerste zijn vertrokken en er op dat moment geen sprake van een ruzie of escalerend conflict tussen beide partijen was. Korte tijd later is de auto, waarin de zonen van klagers zaten, vertrokken. De getuigen hebben verklaard dat de auto met hoge snelheid vertrok. Ook getuigen die zich in de omgeving van de plaats van het ongeval bevonden hebben verklaard dat zij deze auto met hoge snelheid langs zagen komen.

Het ingestelde onderzoek naar telefoonverkeer en sms-berichten heeft geen belastende gegevens opgeleverd.

Politie Noord- en Oost Gelderland heeft een Verkeersongevalsanalyse opgemaakt. Daarin is aan de hand van de aangetroffen sporen ter plaatse en het ingestelde onderzoek opgenomen als meest waarschijnlijke toedracht van het ongeval dat de bestuurder van de Mazda met hoge snelheid heeft geprobeerd de twee Volkswagens in te halen. Hoogstwaarschijnlijk is door de hoge snelheid en de korte stuurbewegingen, eerst naar links voor het inhalen van de eerste Volkswagen en direct naar rechts voor het invoegen en het direct weer uitsturen, de controle over het voertuig verloren gegaan.

Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) heeft de snelheden van de betrokken auto’s onderzocht. Uit dat onderzoek is naar voren gekomen dat beklaagden zo’n 80 km/u hebben gereden en dat de snelheid van de auto van de slachtoffers bij de aanvang van het slipspoor tussen de 120 en 205 km/u is geweest. Het NFI heeft het geschetste scenario nader getoetst en acht dit niet strijdig met de aangetroffen sporen.

De officier van justitie heeft op 7 juni 2007 besloten beklaagden niet te vervolgen, omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is. Deze beslissing is schriftelijk medegedeeld aan klagers.

De beoordeling van het beklag

Klagers kunnen als rechtstreeks belanghebbenden worden beschouwd en zijn daarom ontvankelijk in hun beklag.

Het hof wil vooropstellen dat er sprake is van een zeer ernstig verkeersongeval dat in het bijzonder op klagers, de ouders van D. en J. een grote impact zal hebben gehad en nog steeds zal hebben. Dit ongeval zal ook op anderen grote indruk hebben gemaakt.

Verzoek om aanhouding van de behandeling

De advocaat van klagers heeft in raadkamer aangevoerd dat er sprake is van strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM), nu de advocaat van klagers verzocht heeft om een afschrift van het strafproces-verbaal en dit niet aan hem is verstrekt.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Op de beklagprocedure is het tweede lid van artikel 12f van het Wetboek van Strafvordering van toepassing, waarin is bepaald dat de voorzitter de wijze bepaalt waarop onder andere de klager kennis kan nemen van de stukken.

De voorzitter heeft bepaald dat aan klagers geen volledig strafdossier zal worden verstrekt, maar dat zij en de advocaat in de gelegenheid worden gesteld het dossier in te zien, waar de advocaat ook gebruik van heeft gemaakt. Daarbij zijn op verzoek van de advocaat aan hem afschriften van stukken verstrekt, waaronder het ambtsbericht van de hoofdofficier van justitie, het schriftelijk verslag van de advocaat-generaal, het deskundigenrapport van het NFI, het proces-verbaal Verkeersongevalsanalyse en diverse processen-verbaal van verhoor van betrokkenen. Daarmee heeft de advocaat van klagers afschriften van de relevante stukken uit het beklagdossier ontvangen. Met name zijn niet verstrekt de afschriften van de zogenaamde tapverbalen. Dit laat zich rechtvaardigen door redenen van privacy.

Op grond van het bovenstaande kan niet geoordeeld worden dat gehandeld is in strijd met enig wettelijk voorschrift.

De beklagprocedure kenmerkt zich door een geheel eigen karakter van de procedure. In deze procedure is geen sprake van een “criminal charge” of de vaststelling van burgerlijke rechten en verplichtingen doch is enkel de vraag aan de orde of het beklag tegen een beslissing tot niet-vervolging van de zijde van het Openbaar Ministerie al dan niet gegrond is. Om die reden is artikel 6 van het EVRM niet van toepassing.

Op grond van het bovenstaande is het hof van oordeel dat het namens klagers gedane verzoek om aanhouding van de behandeling afgewezen dient te worden.

Haalbaarheid van de vervolging

Uit het beklagdossier is naar voren gekomen dat er enige tijd voor het verkeersongeval op 12 januari 2007 reeds sprake was van onenigheid tussen twee groepen jongeren uit Heerde. De politie is destijds ook op de hoogte gesteld van deze problemen. Naar aanleiding daarvan en van eerder plaatsgevonden hebbende incidenten heeft de politie direct na het verkeersongeval een uitgebreid opsporingsonderzoek ingesteld. Bij dat onderzoek zijn er bijvoorbeeld meteen diverse taps gelegd op de telefoons van meerdere al dan niet direct bij het ongeval betrokken personen om te achterhalen of er bij het verkeersongeval andere factoren een rol hebben gespeeld. Ook zijn de beklaagden aangehouden en in verzekering gesteld en vele getuigen gehoord.

Noch uit de Verkeersongevalsanalyse noch uit het deskundigenrapport van het NFI zijn aanwijzingen naar voren gekomen dat beklaagden met de door hen bestuurde Volkswagens enige manoeuvre hebben uitgevoerd waardoor het verkeersongeval is veroorzaakt. Ook uit de verklaringen van de door de politie gehoorde getuigen zijn geen aanwijzingen daarvoor te halen.

Andere getuigen of bewijsmateriaal zijn niet uit het politieonderzoek naar voren gekomen.

Uit het door de politie gehouden opsporingsonderzoek zijn onvoldoende aanknopingspunten te putten om op goede gronden te komen tot een strafrechtelijke vervolging van beklaagden dan wel van één van hun ter zake van het veroorzaken van een ongeval met dodelijke afloop als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Het uitgevoerde opsporingsonderzoek

Door de advocaat van klagers is in soms sterke bewoordingen kritiek geuit op het opsporingsonderzoek. In de kern komt die kritiek er op neer dat de opsporingsinstanties en in het verlengde daarvan de officier van justitie gewerkt zouden hebben vanuit de tunnelvisie dat beklaagden geen schuld zouden kunnen hebben aan de dramatische gebeurtenissen. Het hof kan de advocaat daarin niet volgen. Het tegendeel is het geval.

Juist vanwege de eerder geconstateerde problemen tussen de zonen van klagers enerzijds en de groep waartoe beklaagden behoorden anderzijds, zijn beklaagden aangehouden en in verzekeringgesteld als verdachten. Vervolgens komt uit het onderzoek en uit de afgelegde verklaringen een scenario naar voren dat de officier van justitie laat toetsen. De officier van justitie heeft dus niet een willekeurig scenario laten toetsen, maar het scenario dat voortvloeit uit de op dat moment voorliggende bewijzen. Het is juist te zien als een teken van zorgvuldigheid dat de officier van justitie de op dat moment reeds uit het onderzoek blijkende gang van zaken rond het ongeval nog eens extra heeft laten toetsen door het NFI.

Verder heeft de advocaat gewezen op een beschadiging aan de Volkswagen van beklaagde 1. Door de Technische Recherche (TR) werden de krasjes/veegjes op deze auto niet als aanrijdingschade gezien. Er was derhalve voor de ter zake deskundigen geen aanleiding om deze krasjes nader te onderzoeken. De advocaat heeft deze gang van zaken in raadkamer “ten hemelschreiend” genoemd. Het hof kan de advocaat daarin niet volgen. De betreffende passage in het proces-verbaal kan niet anders worden begrepen dan dat de ter zake kundige TR reeds bij eerste waarneming kon vaststellen dat de beschadiging geen aanrijdingschade was en een nader onderzoek dus niet nodig was. Een dergelijk oordeel is door deskundigen zeer wel te geven.

Tenslotte merkt het hof op dat de advocaat van klager heeft gewezen op uitlatingen gedaan direct na het ongeval en op de inhoud van diverse e-mails en sms-berichten van geruime tijd na het ongeval. Naar het oordeel van het hof geldt voor deze berichten dat deze op verschillende wijze kunnen worden uitgelegd. Zo is de door de advocaat gewraakte zin

“Jongens, vergeet een (1) ding niet, hier kunnen jullie niets aan doen” ook te begrijpen als de aansporing van een volwassene aan een aantal jong-volwassenen om zich niet schuldig te voelen aan een aangrijpend drama waar zij inderdaad niets aan konden doen. De gehoorde uitlating van vader K. “steeds het zelfde verhaal vertellen”, is door zijn zoon, beklaagde 2, verklaard. Hij heeft aangegeven dat zijn vader, net als hij, telkens opnieuw aan mensen die bij het ongeval verschenen het verhaal moest vertellen. De zin van C. te vinden op het gastenboek van beklaagde 1 “Het komt allemaal wel goed, Je moet er in blijven geloven, het gaat ons lukken” kan ook begrepen worden als aansporing om niet ten onder te gaan aan een onterechte beschuldiging. Ook de kennelijke selectie uit het berichtenverkeer tussen twee niet direct betrokkenen bij het ongeval (productie 6) van ruim tien maanden na het ongeval noopt niet tot nader onderzoek. Overigens is ook door P. in gelijke trant verklaard, hetgeen in het onderzoek is meegenomen.

Naar het oordeel van het hof is het thans, in het bijzonder gelet op de volledigheid van het opsporingsverzoek, redelijkerwijs niet meer te verwachten dat nader onderzoek meer gegevens zal opleveren die de verdenking van klagers jegens beklaagden kunnen ondersteunen.

Het hof acht daarom ook strafrechtelijke vervolging in de vorm van een gerechtelijk vooronderzoek niet aangewezen.

Het hof hecht eraan nog het navolgende toe te voegen. In een zaak als de onderhavige zal altijd geprobeerd worden de onderste steen boven te halen. Iemand die strafrechtelijk verantwoordelijk zou zijn voor zo een groot drama dient ter verantwoording geroepen te worden. Uit niets is gebleken dat de opsporingsinstanties en de betrokken officier van justitie minder hebben gedaan dan redelijkerwijs van hen mocht worden verwacht. Integendeel: er is naar het oordeel van het hof sprake van een uitgebreid en zorgvuldig onderzoek. Dat heeft niet geleid tot de conclusie dat de kinderen van klagers door een misdrijf om het leven zijn gekomen, laat staan dat beklaagden daar de daders van zouden zijn.

Klagers hebben in raadkamer nog gewezen op door hen waargenomen gedrag van beklaagde 1 in de periode ver voor en na het ongeval. Indien hun beweringen juist zijn is dat gedrag, zeker na het ongeval, niet anders te beschouwen dan als verwerpelijk en mogelijk ook strafbaar, maar dat staat los van de thans voorliggende vragen.

Uit het voorgaande volgt dat het beklag ongegrond is. Er wordt beslist als volgt.

Beslissing

Het hof:

Wijst het verzoek om aanhouding af;

Wijst het beklag af.

Deze beschikking is gegeven door mrs Abbink, voorzitter, Mintjes en Coumans, raadsheren, in tegenwoordigheid van mw Roelofs, griffier, op 1 april 2008 en ondertekend door de voorzitter en de griffier.