Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BC8441

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
02-04-2008
Datum publicatie
03-04-2008
Zaaknummer
21-001247-06
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZUT:2006:AV6111, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak moord, bewezenverklaring doodslag. Straf: 9 jaar gevangenisstraf met aftrek van de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak heeft doorgebracht in verzekering, voorlopige hechtenis en detentie in Duitsland ingevolge een Nederlands verzoek om overlevering.

Casus: In de avond van 18 april 2005 is tussen verdachte en het slachtoffer ruzie ontstaan. Tot tweemaal toe heeft verdachte, terwijl anderen dat trachtten te voorkomen, de confrontatie gezocht met het slachtoffer. Bij de tweede confrontatie heeft verdachte het slachtoffer met een mes of ander scherp voorwerp in de linkerzijde van zijn borst gestoken. Het slachtoffer is aan de gevolgen hiervan overleden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 21-001247-06

Uitspraak d.d.: 2 april 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Arnhem

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zutphen van 21 maart 2006 in de strafzaak tegen

[verdachte]

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 12 september 2006, 24 april 2007, 25 september 2007, 4 december 2007 en 19 maart 2008 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr D.C.E. Timmermans, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

Primair:

hij in of omstreeks de periode van 18 april 2005 tot en met 19 april 2005 in

de gemeente Doetinchem opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van

het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm

beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp

en/of puntig voorwerp, in het lichaam gestoken, tengevolge waarvan voornoemde

[slachtoffer] is overleden;

Subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 18 april 2005 tot en met 19 april 2005 in

de gemeente Doetinchem opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte met dat opzet, die [slachtoffer] met een mes, althans een

scherp en/of puntig voorwerp, in het lichaam gestoken, tengevolge waarvan

voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft, overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal, uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Voor het verwijt dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld is in de bewijsmiddelen geen steun te vinden.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 18 april 2005 tot en met 19 april 2005 in

de gemeente Doetinchem opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte met dat opzet, die [slachtoffer] met een mes, althans een

scherp voorwerp, in het lichaam gestoken, tengevolge waarvan

voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Nader omtrent het bewijs

Verdachte heeft opgeworpen dat hij het aan hem verweten feit niet kan hebben begaan omdat hij op het moment waarom het gaat niet in Doetinchem maar in Stockholm of althans Zweden, in elk geval niet in Doetinchem was.

Dit verweer wordt verworpen. In de eerste plaats is het in tegenspraak met de verklaringen die getuigen hebben afgelegd, doch ook met door verdachte zelf tegenover de politie en tegenover de rechtbank tot en met de tweede inhoudelijke behandeling afgelegde verklaringen.

In de tweede plaats hebben de getuigenverhoren die op verzoek van de verdediging hebben plaatsgevonden in Zweden géén bevestiging opgeleverd van het alibi-verweer.

De bewijsmiddelen waarop de verwerping van het verweer berust, als ook die waarop de bewijsbeslissing overigens is gebaseerd zullen worden uitgewerkt in geval van cassatieberoep.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op het misdrijf:

ten aanzien van het subsidiair bewezenverklaarde:

Doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De officier van justitie heeft in eerste aanleg gevorderd dat verdachte ter zake van moord wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 14 jaren. De rechtbank heeft de verdachte ter zake van doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren en negen maanden met aftrek van de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van die uitspraak in verzekering, voorlopige hechtenis en detentie in Duitsland (ingevolge een Nederlands verzoek om overlevering) heeft doorgebracht. De verdachte is in hoger beroep gekomen. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het subsidiaire wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaren met aftrek van de tijd die verdachte al heeft vastgezeten.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur leiden- de navolgende feiten en omstandigheden.

In de avond van 18 april 2005 is tussen verdachte en het latere slachtoffer ruzie ontstaan. Tot tweemaal toe heeft verdachte, terwijl anderen dat trachtten te voorkomen, de confrontatie gezocht met het slachtoffer. Bij de tweede confrontatie heeft verdachte het slachtoffer met een mes of ander scherp voorwerp in de linkerzijde van zijn borst gestoken. Het slachtoffer is aan de gevolgen hiervan overleden.

Verdachte heeft iemand gedood en daarmee aan diens nabestaanden, onder wie de vriendin van het slachtoffer, onherstelbaar leed toegebracht. Een dergelijk feit is schokkend voor de rechtsorde en roept in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid op. Voor een dergelijk feit past geen andere dan een langdurige gevangenisstraf. Bij het bepalen van de duur van die straf is rekening gehouden met het gegeven dat verdachte in 2004 eerder voor een geweldsdelict – ook een steekpartij met letsel tot gevolg en gekwalificeerd als poging tot zware mishandeling – is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Overlevering

In eerste aanleg heeft de toenmalige raadsman van verdachte als verweer aangevoerd dat verdachtes rechten geschonden zouden zijn in het kader van de overleveringsprocedure door de Bondsrepubliek Duitsland aan Nederland. De rechtbank heeft, gelet op dat verweer reden gezien om de op te leggen gevangenisstraf met drie maanden te verminderen, omdat verdachte niet overeenkomstig de geldende regels bijstand van een tolk zou hebben genoten en omdat de termijnen niet in acht waren genomen.

Hieromtrent wordt ambtshalve het volgende overwogen.

Op 19 april 2005 blijkt uit verklaringen opgenomen door de (Nederlandse) politie dat verdachte als verdachte kan worden aangemerkt. Hij wordt daarop internationaal gesignaleerd door middel van een Europees Arrestatiebevel. Op 30 april 2005 wordt verdachte aangehouden in de internationale trein van München naar Rome. Verdachte is op 1 mei 2005 door de Ermittlungsrichter van het Amtsgericht Rosenheim gehoord met behulp van een tolk in de Engelse taal. Verdachte is voorgehouden dat hij zich op elk moment van de zaak kon laten bijstaan door een advocaat. Verdachte stemde in met de verkorte overleveringsprocedure. Op 11 mei 2005 heeft het Oberlandesgericht te München een Auslieferungshaftbefehl uitgevaardigd. Op 20 mei 2005 wordt verdachte gehoord, ditmaal door de Ermittlungsrichter van het Amtsgericht München, ditmaal met bijstand van een tolk in de Nederlandse taal. De reden voor dit verhoor was dat niet duidelijk was of verdachte wist waarmee hij eerder had ingestemd. Opnieuw stemde verdachte in met de verkorte overleveringsprocedure. Op 24 mei 2005 wordt door de Oberstaatsanwalt bij het Oberlandesgericht München een Ausweis afgegeven. Uiteindelijk is verdachte op 10 juni 2005 door de Duitse autoriteiten aan Nederland overgedragen.

Verdachte heeft tot tweemaal toestemming gegeven voor zijn onmiddellijke overlevering aan Nederland. Immers, uit het proces-verbaal van 1 mei 2005, dat in het kader van de procedure tot het geven van toestemming in de onmiddellijke uitlevering is opgemaakt, volgt dat verdachte tegenover de Ermittlungsrichter van het Amtsgericht Rosenheim toestemming heeft gegeven en daarna nogmaals, tegenover de Ermittlungsrichter van het Amtsgericht München heeft verklaard toe te stemmen in de verkorte uitleveringsprocedure. De stelling dat hij dat (toen) niet wilde of uiteindelijk niet heeft gewild, is in deze zaak niet betrokken.

Het is derhalve twijfelachtig of het verweer materiële inhoud heeft. Wat de formele kant van de overleveringsprocedure betreft is het hof in beginsel niet gehouden in volle omvang een onderzoek te doen naar de vraag of de overlevering heeft plaatsgevonden met inachtneming van de daarvoor in de Bondsrepubliek Duitsland, het overleverende land, geldende regels. Gelet op het in het internationale rechtshulpverkeer tussen de Bondsrepubliek Duitsland en Nederland geldende vertrouwensbeginsel, mag er immers op worden vertrouwd dat de in de Bondsrepubliek Duitsland gevolgde rechtsgang deugdelijk was. Pas als er sterke aanwijzingen zijn dat met betrekking tot de overleveringsprocedure evidente schendingen hebben plaatsgevonden, is dat anders. Het hof kan aan de stukken en het door de raadsman in eerste aanleg gestelde geen aanwijzingen ontlenen dat dit het geval is geweest. Het feit dat verdachte niet heeft aangevoerd, laat staan aannemelijk gemaakt, dat hij door de overlevering en de gang van zaken daaromheen wezenlijk in zijn rechten is tekort gedaan, wijst op het tegendeel.

Naar het oordeel van het hof is er daarom geen sprake geweest van schending van verdachtes rechten. Dan is er geen verzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering en derhalve ook geen aanleiding voor strafvermindering.

De periode gedurende welke verdachte in verband met zijn overlevering heeft vastgezeten in de Bondsrepubliek Duitsland zal in mindering worden gebracht op de op te leggen gevangenisstraf.

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ad € 3.810,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal tevens de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht worden opgelegd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24c, 36f, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) jaren.

Bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering, voorlopige hechtenis en detentie in Duitsland ingevolge een Nederlands verzoek om overlevering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde partij] te betalen een bedrag van

€ 3.810,00 (drieduizend achthonderdtien euro).

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [benadeelde partij], een bedrag te betalen van € 3.810,00 (drieduizend achthonderdtien euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 49 (negenenveertig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr B.P.J.A.M. van der Pol, voorzitter,

mr R.C. van Houten en mr H.W. Koksma, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr M. Vodegel-Irausquin, griffier,

en op 2 april 2008 ter openbare terechtzitting uitgesproken.