Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BC8275

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
25-03-2008
Datum publicatie
01-04-2008
Zaaknummer
0700017
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aan de vordering ligt de stelling ten grondslag dat de curatoren de uit de bewaarneming voortvloeiende verplichting hebben miskend door niet zorg te dragen voor het behoud (en uiteindelijk ook: de teruggave) van de door Iberia aan Flevosped in bewaring gegeven wijn. Het hof kan Iberia daarin niet volgen. Weliswaar waren de curatoren in beginsel gehouden tot het in goede staat houden en aan Iberia terugbezorgen van de wijn, maar dat neemt niet weg dat Traffic ten tijde van het faillissement uit hoofde van de onderbewaarneming een opeisbare vordering op Flevosped had van fl. 12.697,66. Zij beriep zich op haar retentierecht en was daartoe (naar niet in geschil is) ook gerechtigd. Vanaf het moment dat zij van de onderbewaring op de hoogte raakten (of konden raken) hadden de curatoren de wijn dan ook slechts in hun macht kunnen krijgen indien zij de vordering van Traffic hadden voldaan. Die betaling zou ten laste zijn gekomen van het boedelactief en zou dus niet in het belang van de boedel zijn geweest, te meer omdat de curatoren dan slechts de feitelijke beschikking zouden hebben verkregen over een grote hoeveelheid wijn die zij niet te gelde konden maken. Integendeel, indien en zolang de eigenaar van de wijn de curatoren niet bekend was, zouden zij ten laste van de boedel (opnieuw) kosten hebben moeten maken teneinde de wijn te behouden. Het hof is van oordeel dat zulks geenszins van de curatoren kon worden verlangd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrest d.d. 25 maart 2008

Rolnummer 0700017

HET GERECHTSHOF TE ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

Spaans Restaurant "Iberia" B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: Iberia,

procureur: mr. N.L.J.M. Rijssenbeek,

voor wie gepleit heeft mr. P.H. van der Vleuten, advocaat te Utrecht,

tegen

1. mr. W.H.M. Cnossen,

wonende te Zwolle,

2. mr. J.B.A. Jansen,

wonende te Apeldoorn,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: de curatoren,

procureur: mr. A.J.B. Ross,

voor wie gepleit heeft mr. C. Borstlap, advocaat te Zwolle.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 16 augustus 2006 door de rechtbank Zwolle-Lelystad.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 15 november 2006 is door Iberia hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van de curatoren tegen de zitting van 9 januari 2007.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"dat het uw Gerechtshof behage om het vonnis van de Rechtbank Zwolle-Lelystad van 16 augustus 2006 met zaaknummer: 108715/ HA ZA 05-611, gewezen tussen appellante als eiseres en geïntimeerden als gedaagden, te vernietigen en alsnog geïntimeerden voor zoveel als mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijk te veroordelen, des dat de één presterende de ander zal zijn bevrijd, tot een aan appellante te betalen schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van 15 oktober 2002, althans de dag der dagvaarding in eerste aanleg; één en ander voor zoveel als mogelijk uitvoerbaar bij voorraad met veroordeling van geïntimeerden in de proceskosten zowel in eerste aanleg als in hoger beroep en met veroordeling van geïntimeerden, des dat de één presterende de ander zal zijn bevrijd, tot terugbetaling aan appellante van al datgene dat door appellante aan geïntimeerde(n) naar aanleiding van het vernietigde vonnis."

Bij memorie van antwoord is door de curatoren verweer gevoerd met als conclusie:

"met een uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest om de vorderingen van Iberia af te wijzen en het bestreden vonnis van de rechtbank Zwolle te bekrachtigen met veroordeling van Iberia in de kosten van dit geding."

Vervolgens hebben partijen hun zaak doen bepleiten onder overlegging van pleitnota's door hun advocaten. Aan de pleitnota van de curatoren is een productie gehecht.

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

Iberia heeft zes grieven opgeworpen.

De beoordeling

De feiten

1. Tegen de weergave van de vaststaande feiten in overweging 2 (2.1 tot en met 2.8) van het bestreden vonnis is geen grief ontwikkeld. Evenmin is daartegen anderszins een bezwaar aangevoerd, zodat van die feiten ook in hoger beroep zal worden uitgegaan.

Korte omschrijving van het geschil

1.1. Iberia heeft in 1996 50.000 flessen wijn gekocht voor een bedrag van fl. 110.313,84. Zij heeft de wijn in bewaring gegeven aan VGI Logistics BV, die deze partij op haar beurt in onderbewaring gaf aan Traffic BV (kortweg: Traffic). De activiteiten van VGI Logistics BV zijn in 1997 overgenomen door Flevosped BV (hierna Flevosped te noemen). Deze laatste vennootschap is op 6 mei 1998 gefailleerd, met benoeming van Cnossen en Jansen tot curatoren.

1.2. In oktober 1998 zijn de curatoren door Traffic benaderd met de mededeling dat bij haar een partij wijn stond opgeslagen waarvan de eigenaar onbekend was. Die mededeling had - naar thans kan worden aangenomen - betrekking op de wijn van Iberia.

1.3. Op 26 april 2000 zijn de curatoren benaderd door de accountant van Iberia met de mededeling dat Iberia het restant van de wijn (ruim 49.000 flessen) wilde ophalen. Traffic had die voorraad echter al in november 1999 voor fl. 2.250,= verkocht.

1.4. Het faillissement van Flevosped is opgeheven wegens gebrek aan baten.

1.5. Iberia heeft gevorderd dat de curatoren (hoofdelijk) worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding, op te maken bij staat, op grond dat de wijn is verkocht door het handelen en door nalatigheid van de curatoren. De vordering is door de rechtbank afgewezen.

De grieven

2. Met de grieven wordt betwist wat de rechtbank ter motivering van haar afwijzing heeft overwogen. Het hof stelt bij de beoordeling van deze grieven voorop dat voor het antwoord op de vraag of de curatoren persoonlijk aansprakelijk zijn, bepalend is of zij hebben gehandeld zoals in redelijkheid mag worden verlangd van over voldoende inzicht en ervaring beschikkende curatoren die hun taak met nauwgezetheid en inzet verrichten. Daarbij dient onder meer te worden bedacht dat zij bij de uitoefening van hun taak uiteenlopende, soms tegenstrijdige belangen moeten behartigen (HR 19 april 1996, NJ 1996, 727).

3. Aan de vordering ligt de stelling ten grondslag dat de curatoren de uit de bewaarneming voortvloeiende verplichting hebben miskend door niet zorg te dragen voor het behoud (en uiteindelijk ook: de teruggave) van de door Iberia aan Flevosped in bewaring gegeven wijn. Het hof kan Iberia daarin niet volgen. Weliswaar waren de curatoren in beginsel gehouden tot het in goede staat houden en aan Iberia terugbezorgen van de wijn, maar dat neemt niet weg dat Traffic ten tijde van het faillissement uit hoofde van de onderbewaarneming een opeisbare vordering op Flevosped had van fl. 12.697,66. Zij beriep zich op haar retentierecht en was daartoe (naar niet in geschil is) ook gerechtigd. Vanaf het moment dat zij van de onderbewaring op de hoogte raakten (of konden raken) hadden de curatoren de wijn dan ook slechts in hun macht kunnen krijgen indien zij de vordering van Traffic hadden voldaan. Die betaling zou ten laste zijn gekomen van het boedelactief en zou dus niet in het belang van de boedel zijn geweest, te meer omdat de curatoren dan slechts de feitelijke beschikking zouden hebben verkregen over een grote hoeveelheid wijn die zij niet te gelde konden maken. Integendeel, indien en zolang de eigenaar van de wijn de curatoren niet bekend was, zouden zij ten laste van de boedel (opnieuw) kosten hebben moeten maken teneinde de wijn te behouden. Het hof is van oordeel dat zulks geenszins van de curatoren kon worden verlangd.

4. Voor zover de grieven van een andere opvatting uitgaan, stranden zij.

5. Het voorgaande laat onverlet dat het de curatoren op enig moment bekend was dat Flevosped aan Traffic opdracht had gegeven tot bewaring van een grote hoeveelheid wijn. Gegeven dat feit kon van hen worden verlangd dat zij vanaf het moment dat zij daarvan op de hoogte waren of hoorden te zijn (volgens de curatoren: na 30 oktober 1998), nauwgezet onderzoek deden naar de eigendom van de wijn teneinde de eigenaar in de gelegenheid te stellen deze bij Traffic af te halen. Dat geldt temeer nu Traffic op 6 november 1998 aankondigde de wijn te zullen vernietigen.

6. De curatoren hebben gemotiveerd betoogd dat zij - ook op verzoek van Traffic - dergelijk onderzoek hebben verricht; toen een doorstart niet tot de mogelijkheden bleek te behoren, zijn de curatoren tot liquidatie van de boedel overgegaan. Tot de desbetreffende activiteiten behoorde het opsporen van de eigenaren van een groot aantal roerende zaken die in de loods van de gefailleerde onderneming stonden opgesteld. Slechts van een klein gedeelte van die zaken kon de eigenaar niet worden achterhaald. Ondanks door de curatoren verrichte naspeuringen in de administratie van Flevosped, en ondanks de navraag die zij bij de werknemers en directie van de failliet hebben gedaan, zijn zij er ook niet in geslaagd de eigenaar op te sporen van de wijn die in de loods van Traffic bleek te staan. Weliswaar zijn facturen ter zake van loodshuur aan Iberia verzonden, maar die facturen konden zowel betrekking hebben op de loods van Flevosped zelf als op de diverse externe loodsen waarvan zij gebruik maakte. Omtrent de huur van de loods van Traffic door Iberia blijkt uit die facturen niets, en de bijbehorende dossiers bleken in de administratie van Flevosped te ontbreken. De eigenaar werd pas bekend toen de accountant van Iberia zich op 26 april 2000 meldde, aldus nog steeds de curatoren. Onbetwist is dat zij vervolgens direct aan Traffic (die omtrent de eigendom ook geen informatie aan hen had kunnen verstrekken) hebben bericht dat deze diende af te zien van de aangekondigde vernietiging van de wijn.

7. Het had op de weg van Iberia gelegen feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen die in weerwil van het voorgaande de conclusie rechtvaardigen dat de curatoren in de hiervoor behandelde onderzoeksplicht zijn tekortgeschoten en dientengevolge tegenover Iberia persoonlijk aansprakelijk zijn. Doordat de administratie van Flevosped in augustus 2001 geheel door brand is verwoest, kon van de curatoren geen nadere onderbouwing van hun verweer worden verlangd. Iberia heeft aan deze stelplicht niet voldaan, laat staan dat zij in dit verband een (voldoende gespecificeerd) bewijsaanbod heeft gedaan.

8. Voor zover met de grieven wordt betoogd dat de curatoren in hun onderzoeksplicht zijn tekortgeschoten (waarbij in het bijzonder moet worden gedacht aan grief III), falen zij dus evenzeer. Aan die conclusie kan niet afdoen dat op enig moment van de zijde van de curatoren is ingestemd met de aangekondigde vernietiging van de wijn, reeds omdat de bedoelde 'instemming' jegens Iberia geen relevant juridisch gevolg heeft gehad nu vaststaat, dat de partij wijn niet is vernietigd. Niet is gesteld of gebleken dat de curatoren ten aanzien van de (later plaatsgevonden hebbende) verkoop zijn geconsulteerd. Voor de beoordeling van de onderzoeksplicht van de curatoren is niet van belang of de wijn nog drinkbaar was en/of voor welke prijs de wijn uiteindelijk door Traffic is verkocht. Voor zover een en ander in de grieven wordt miskend, falen zij eveneens.

9. Nu de vordering reeds op grond van het voorgaande strandt, behoeven de grieven bij gebrek aan belang geen bespreking meer voor zover de inhoud ervan hiervoor niet al aan de orde is geweest.

De slotsom

10. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd met veroordeling van Iberia als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep (tarief IV, 3 punten).

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt Iberia in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van de curatoren tot aan deze uitspraak op € 296,= aan verschotten en € 4.893,= aan salaris voor de procureur;

verklaart dit arrest ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. Zandbergen, voorzitter, Telman en Voorink, raden,

en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 25 maart 2008 in bijzijn van de griffier.