Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BC8046

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
15-01-2008
Datum publicatie
28-03-2008
Zaaknummer
2006/926
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van het hof blijkt uit de tekst van het artikel en de plaats in titel III, afdeling II, hoofdstuk III van de Wvo dat het doel en de strekking van artikel 96 o Wvo zich bevinden binnen de kaders van de financiering van onderwijsinstellingen. Bescherming van werkloos geworden onderwijspersoneel valt buiten dat kader en van schending van een in bedoeld artikel opgenomen norm die strekt tot bescherming van de positie van [geïntimeerde] als werkloos geworden functionaris in het onderwijs, is derhalve geen sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 januari 2008

vijfde civiele kamer

rolnummer 2006/926

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

de stichting Stichting Scholengroep Rijk van Nijmegen,

gevestigd te Nijmegen,

appellante in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

procureur: mr. H.R.T.M. van Ojen,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal appel,

appellant in het incidenteel appel,

procureur: mr. L. Hartogs.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van de vonnissen van 30 juli 2004, 6 januari 2006 en 9 juni 2006 die de kantonrechter (rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Nijmegen) tussen principaal appellante, geïntimeerde in het incidenteel appel (hierna ook te noemen: de Stichting) als gedaagde en principaal geïntimeerde, appellant in het incidenteel appel (hierna ook te noemen: [geïntimeerde]) als eiser heeft gewezen; van die vonnissen is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 De Stichting heeft bij exploot van 1 september 2006 [geïntimeerde] aangezegd van die vonnissen in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft de Stichting zestien grieven tegen het vonnis van 30 juli 2004, één grief tegen het vonnis van 6 januari 2006 en drie grieven tegen het vonnis van 9 juni 2006 aangevoerd en toegelicht, heeft zij bewijs aangeboden en een nieuwe productie in het geding gebracht. Zij heeft geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij arrest, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [geïntimeerde] niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vorderingen, althans hem deze zal ontzeggen en [geïntimeerde] zal veroordelen in de kosten van beide instanties.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden en bewijs aangeboden.

2.4 Bij dezelfde memorie heeft [geïntimeerde] incidenteel beroep ingesteld tegen de vonnissen van 30 juli 2004 en 9 juni 2006. Hij heeft één grief tegen het vonnis van 30 juli 2004 en één grief tegen het vonnis van 9 juni 2006 aangevoerd. Hij heeft deze grieven toegelicht en bewijs aangeboden.

2.5 [geïntimeerde] heeft geconcludeerd dat het hof de grieven in het principaal appel zal verwerpen en in het incidenteel appel gegrond zal verklaren en opnieuw rechtdoende de Stichting tevens zal veroordelen tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 47.552,- inzake loonschade, zal bepalen dat de wettelijke rente over de te betalen bedragen verschuldigd is met ingang van 17 april 2003 en de proceskostenveroordeling (bedoeld zal zijn: in eerste aanleg) zal verhogen tot een bedrag van € 3.250,- , alles met veroordeling van de Stichting in de kosten van het hoger beroep.

2.6 Bij memorie van antwoord in het incidenteel appel heeft de Stichting verweer gevoerd en geconcludeerd dat het hof (bedoeld zal zijn:) bij arrest, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [geïntimeerde] niet-ontvankelijk zal verklaren in het incidenteel appel, althans de grieven in het incidenteel appel zal verwerpen en [geïntimeerde] zal veroordelen in de kosten van het incidenteel appel.

2.7 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3 De grieven

3.1 De Stichting heeft in het principaal appel de volgende grieven aangevoerd.

Tegen het vonnis van 30 juli 2004

Grief I

Ten onrechte heeft de kantonrechter overwogen dat ondanks het feit dat de grondslag van het Canisius College na de besturenfusie rooms-katholiek is gebleven, de Scholengroep ten aanzien van de zogenaamde eigen wachtgelders -opnieuw- gebonden was aan de artikelen 96o en 96q van de Wet op het voortgezet onderwijs (Wvo).

Grief II

Ten onrechte heeft de kantonrechter geoordeeld dat de Scholengroep jegens [geïntimeerde] ten aanzien van de vacature locatiedirecteur Internationale schakelklassen (ISK) van het Canisius College een herbenoemingsverplichting had.

Grief III

Ten onrechte heeft de kantonrechter overwogen dat [geïntimeerde] was aan te merken als eigen wachtgelder.

Grief IV

Ten onrechte is de kantonrechter eraan voorbij gegaan dat indien zou moeten worden aangenomen dat er voor de Scholengroep ten aanzien van [geïntimeerde] een herbenoemingsverplichting bestond, deze niet voor een dienstverband met een omvang van 36,86 per week, maar voor een dienstverband met een omvang van 30,39 uur per week gold.

Grief V

Ten onrechte heeft de kantonrechter overwogen dat de bepalingen onder paragraaf 9 van de Wvo mede in de Wvo zijn opgenomen om de positie van werkloos onderwijspersoneel in benoemingsprocedures te verstevigen.

Grief VI

Ten onrechte heeft de kantonrechter overwogen dat de bepaling eigen wachtgelders voor de Scholengroep in het kader van de bekostigingsvoorwaarden een verplichting schiep om een vacature eerst aan een eigen wachtgelder die aan de eisen van benoembaarheid voldoet, aan te bieden.

Grief VII

Ten onrechte heeft de kantonrechter overwogen dat de versteviging van de positie van werkloos onderwijspersoneel in elk geval mede strekt tot bescherming van financiële schade zoals [geïntimeerde] die stelt te hebben geleden.

Grief VIII

Ten onrechte heeft de kantonrechter overwogen dat [geïntimeerde] erop had mogen rekenen dat de Scholengroep hem, als eigen wachtgelder, vanaf het moment dat de grondslag van de Scholengroep was gewijzigd in R.K./A.B., vacante functies zou aanbieden en zou zorgdragen voor een volwaardige positie in benoemingsprocedures.

Grief IX

Ten onrechte heeft de kantonrechter overwogen dat de wetenschap van [geïntimeerde] dat de bewuste vacature zich voordeed, niet relevant is, althans heeft zij daar een onjuiste gevolgtrekking aan verbonden.

Grief X

Ten onrechte heeft de kantonrechter overwogen dat door [geïntimeerde] niet de betreffende functie aan te bieden en hem niet de benoemingsprocedure daarvoor te laten doorlopen, de Scholengroep onrechtmatig jegens [geïntimeerde] heeft gehandeld en dit onder de gegeven omstandigheden de Scholengroep ten volle kan worden toegerekend.

Grief XI

Ten onrechte gaat de kantonrechter ervan uit dat er geen beletsel was om tot de benoeming van [geïntimeerde] tot directeur ISK over te gaan en dat [geïntimeerde]s schade de Scholengroep als gevolg van haar onrechtmatig nalaten kan worden toegerekend.

Grief XII

Ten onrechte is de kantonrechter ervan uitgegaan dat [geïntimeerde] na zijn ontslag en in 2002 talloze sollicitaties zou hebben verricht, die niet hebben geleid tot een functie waarin hij blijvend werkzaam zou kunnen zijn.

Grief XIII

Ten onrechte is de kantonrechter ervan uitgegaan dat de functie van interim-manager bij het Kandinsky College [geïntimeerde] niet meer is aangeboden omdat men een crisismanager van buiten zou hebben willen aantrekken.

Grief XIV

Ten onrechte heeft de kantonrechter geen gevolgen verbonden aan het feit dat [geïntimeerde] de functie van leraar maatschappijleer is aangeboden en [geïntimeerde] deze functie heeft afgewezen.

Grief XV

Ten onrechte heeft de kantonrechter geen gevolgen verbonden aan het feit dat [geïntimeerde] is verzocht deel te nemen aan de benoemingsprocedure voor de functie van locatiedirecteur van het Kandinsky College en [geïntimeerde] van deelname aan die procedure heeft afgezien.

Grief XVI

Ten onrechte heeft de kantonrechter overwogen dat niet gezegd kan worden dat [geïntimeerde] in het algemeen niet in voldoende mate zijn schade zou hebben beperkt.

Tegen het vonnis van 6 januari 2006

Grief XVII

Ten onrechte heeft de kantonrechter het vonnis van 6 januari 2006 gewezen zoals het is gewezen.

Tegen het vonnis van 9 juni 2006

Grief XVIII

Ten onrechte heeft de kantonrechter de Scholengroep veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 51.901,- te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 september 2004 tot aan de dag der voldoening.

Grief XIX

Ten onrechte heeft de kantonrechter de Scholengroep veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde].

Grief XX

Ten onrechte heeft de kantonrechter niet [geïntimeerde] veroordeeld in de kosten van deze procedure.

3.2 [geïntimeerde] heeft in het incidenteel beroep de volgende grieven aangevoerd.

Tegen het vonnis van 30 juli 2004

Grief 1

Ten onrechte heeft de kantonrechter overwogen dat [geïntimeerde] door niet in te gaan op die uitnodiging (een gesprek met de benoemingsadviescommissie inzake de functie locatie-directeur van het Kandinskycollege) een kans op benoeming in die functie voorbij heeft laten gaan en daarmee een mogelijkheid om zijn financiële schade te beperken.

Tegen het vonnis van 9 juni 2006

Grief 2

Ten onrechte heeft de kantonrechter alleen maar de vordering inzake de pensioenschade toegekend en niet de vordering inzake de loonschade. Voorts heeft de kantonrechter ten onrechte de wettelijke rente niet doen ingaan (het hof leest:) op de dag der dagvaarding.

4 De vaststaande feiten

De kantonrechter heeft in het vonnis van 30 juli 2004 onder 2.1 tot en met 2.6 feiten vastgesteld. Aangezien daartegen geen grieven zijn aangevoerd of bezwaren zijn geuit, zal het hof in hoger beroep ook van die feiten uitgaan.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

5.1 in het principaal appel

5.1.1 De grondslag van de vordering van [geïntimeerde] wordt gevormd door zijn stelling dat de Stichting jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld door hem -zakelijk weergegeven- in strijd met artikel 96o Wet op het voortgezet onderwijs (Wvo) en de beleidsregel van de minister van onderwijs, cultuur en wetenschappen van 1 november 1995 kenmerk CFI/FPV-95/168 (verder te noemen de beleidsregel):

- niet als eigen wachtgelder te aan te merken;

- hem als eigen wachtgelder niet bepaalde functies aan te bieden, als gevolg waarvan hij schade heeft geleden ten aanzien van zijn inkomen uit arbeid en schade heeft geleden en nog zal lijden ten aanzien van zijn inkomen uit pensioen.

5.1.2 De kantonrechter heeft in het vonnis van 30 juli 2004 -kort weergegeven- geoordeeld:

a. dat [geïntimeerde] eigen wachtgelder was;

b. dat de bepalingen van de beleidsregel ertoe strekken om de positie van [geïntimeerde] als eigen wachtgelder te beschermen en te voorkomen dat hij schade lijdt;

c. dat [geïntimeerde] schade heeft geleden (inkomens- en pensioenschade) doordat de Stichting hem in strijd met de beleidsregel bepaalde functies niet heeft aangeboden.

5.1.3 De kantonrechter heeft bij het eindvonnis van 9 juni 2006 geen beslissing gegeven over de gevorderde inkomensschade en de vordering met betrekking tot de pensioenschade toegewezen.

5.1.4 Naar het oordeel van het hof is het, nu de schending van de norm van artikel 96o Wvo en de beleidsregel de grondslag van de vordering van [geïntimeerde]d vormt, voor het antwoord op de vraag of de Stichting jegens [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld en gehouden is de schade die door dat onrechtmatig handelen is veroorzaakt te vergoeden, doorslaggevend welk doel en welke strekking artikel 96o Wvo en de daarop gebaseerde beleidsregel hebben. Vervolgens zal aan de hand daarvan moeten worden beoordeeld of de bescherming die bedoeld artikel en bedoelde beleidsregel bieden, zich uitstrekt tot [geïntimeerde] en ook tot de door hem, naar hij stelt, geleden schade.

5.1.5 Tegen het oordeel van de kantonrechter die deze vraag bevestigend heeft beantwoord, richten zich de grieven V, VI, VII en VIII. Deze grieven zullen gezamenlijk worden behandeld.

5.1.6 De tekst van artikel 96o Wvo, in de desbetreffende wet opgenomen in titel III (Aanvang, grondslagen, wijze en beëindiging der bekostiging), afdeling II (Grondslagen en wijze der bekostiging), hoofdstuk III (Wijze van bekostiging) luidde met ingang van 11 mei 2001 als volgt:

“Op het bedrag, bedoeld in artikel 96m, eerste lid, worden voor zover het betreft scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor algemeen voortgezet onderwijs en voor voorbereidend beroepsonderwijs in mindering gebracht de salarissen, toelagen, uitkeringen of andere bijdragen waarop aanspraak wordt gemaakt door personeel dat is benoemd met voorbijgaan aan personeel dat een gelijksoortige functie uitoefent of heeft uitgeoefend aan een school van het bevoegd gezag, voorzover laatstbedoeld personeel in het genot is van wachtgeld of een andere ontslaguitkering en direct aan die ontslaguitkering voorafgaand langer dan een jaar onafgebroken in dienst is geweest van het bevoegd gezag”.

5.1.7 De beleidsregel van 1 november 1995 (inwerkingtreding 8 november 1995), kenmerk CFI/FPV-95/1680, van de minister van onderwijs, cultuur en wetenschappen “Toepassing bepaling eigen wachtgelders”, luidt, voor zover van belang, als volgt:

“ Hoofdstuk 1. Inleiding

§ 1.1 Wet- en regelgeving

In de onderwijswetten zijn bepalingen opgenomen die bedoeld zijn om te bevorderen dat onderwijsinstellingen werkloos geworden personeelsleden zoveel mogelijk weer in dienst nemen. Daarmee wordt beoogd de positie van werkloos onderwijs personeel in benoemingsprocedures te verstevigen en tegelijkertijd de uitgaven als gevolg van werkloosheidsuitkeringen te beperken. De bepalingen in de onderwijswetten zijn zo vormgegeven dat ik verplicht ben om in bepaalde gevallen op het bedrag van de vergoeding van een instelling de salarissen, toelagen, uitkeringen of andere bedragen waarop door personeel aanspraak wordt gemaakt, in mindering te brengen. Het gaat om bedragen bestemd voor personeel dat is benoemd in een functie met voorbijgaan van (gewezen) personeel dat een gelijksoortige functie uitoefent of heeft uitgeoefend aan een (gelijksoortige) instelling van het bevoegd gezag voor zover laatstbedoeld personeel in het genot is van wachtgeld of van een andere ontslaguitkering en direct aan die ontslaguitkering voorafgaand langer dan een jaar onafgebroken in dienst is geweest van het bevoegd gezag. Voor de leesbaarheid van deze publicatie zal het in de vorige zin genoemde (gewezen) personeel in het vervolg van deze tekst worden aangeduid als eigen wachtgelder.

§ 1.2 Achtergrond bij deze publikatie

Uit ambtelijk onderzoek en uit onderzoek van de Algemene Rekenkamer is gebleken dat de uitvoering van de wettelijke bepalingen door school- en instellingbesturen in een aantal gevallen te wensen overlaat. Dit heeft in een aantal gevallen geleid tot een inhouding op de bekostiging.

Inmiddels zijn de controles op de naleving van de eigen wachtgelder-bepaling en overigens ook die op andere wachtgeldgevoelige elementen in de wet- en regelgeving, geïntensiveerd. Als gevolg daarvan zal in een aantal gevallen met concrete inhouding op de bekostiging rekening moeten worden gehouden. Daarnaast hoop ik, mede op aangeven van de Algemene Rekenkamer, een verbeterde uitvoering te bereiken door bij deze gelegenheid scholen en instellingen nog eens nadrukkelijk te wijzen op hun verplichtingen en nogmaals toelichting te verschaffen op het bestaande wettelijke kader.

§ 1.3 overzichten

(…)

Hoofdstuk 2. Toepassing van de bepaling

§ 2.1 Hoofdregel

De personeelskostenvergoeding wordt verminderd indien personeel wordt benoemd met voorbijgaan van een eigen wachtgelder. Als zich omstandigheden voordoen waardoor het bevoegd gezag de benoeming van een eigen wachtgelder minder wenselijk acht, dan kan het een andere persoon benoemen, zij het in beginsel voor eigen rekening.

De bepalingen hebben een imperatief karakter. Dat houdt in dat ik verplicht ben om in het kader van een behoorlijk budgetbeheer de inhouding op de bekostiging daadwerkelijk uit te voeren, behalve in die gevallen waarin instellingen ontheffing hebben gevraagd en deze ook hebben gekregen.

§ 2.2 Uitzonderingen

(…) “

5.1.8 In de beleidsregel worden vervolgens de reikwijdte van de bepaling (hoofdstuk 3), de uitvoeringsvoorschriften (hoofdstuk 4), de overige aandachtspunten (hoofdstuk 5) en de administratieve procedure (hoofdstuk 6) besproken.

5.1.9 Naar het oordeel van het hof blijkt uit de tekst van het artikel en de plaats in titel III, afdeling II, hoofdstuk III van de Wvo dat het doel en de strekking van artikel 96 o Wvo zich bevinden binnen de kaders van de financiering van onderwijsinstellingen. Bescherming van werkloos geworden onderwijspersoneel valt buiten dat kader en van schending van een in bedoeld artikel opgenomen norm die strekt tot bescherming van de positie van [geïntimeerde] als werkloos geworden functionaris in het onderwijs, is derhalve geen sprake.

5.1.10 Ook de beleidsregel heeft naar het oordeel van het hof niet als doel en strekking om het belang waarin [geïntimeerde] stelt getroffen te zijn, te beschermen.

Deze beleidsregel vermeldt, voor zover in dit geval van belang, als juridische grondslag de artikelen 96o, 96p en 96q Wvo. Dat brengt met zich mee dat doel en strekking van deze beleidsregel evenzeer worden begrensd door bepalingen die betrekking hebben op de financiering van onderwijsinstellingen. De hoofdregel van de beleidsregel, weergegeven in paragraaf 2.1 maakt dit met zoveel woorden duidelijk. De beleidsregel bevat geen norm die strekt tot bescherming van de belangen van [geïntimeerde].

De inleidende opmerkingen in paragraaf 1.1 van de beleidsregel maken dit oordeel niet anders. Deze opmerkingen geven weer dat in de onderwijswetten bepalingen zijn opgenomen die bedoeld zijn om te bevorderen dat onderwijsinstellingen werkloos geworden personeelsleden zoveel mogelijk weer in dienst nemen, maar kunnen naar het oordeel van het hof niet aldus opgevat worden dat ook deze beleidsregel als een dergelijke bepaling te beschouwen zou zijn.

5.1.11 Het hiervoor overwogene leidt tot het oordeel, nu de norm waarop [geïntimeerde] zijn vordering baseert niet strekt tot bescherming van de schade welke hij stelt te hebben geleden, de Stichting niet verplicht is tot vergoeding van die schade. De grieven V, VI, VII en VIII slagen en de bestreden vonnissen moeten worden vernietigd.

De vordering van [geïntimeerde] zal worden afgewezen. De overige grieven behoeven geen bespreking.

5.2 in het incidenteel appel

Nu het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en de vordering van [geïntimeerde] zal afwijzen, worden de grieven in het incidenteel appel tevergeefs voorgesteld.

6 Slotsom

De bestreden vonnissen zullen worden vernietigd en de vordering van [geïntimeerde] zal worden afgewezen. [geïntimeerde] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van beide instanties.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt de vonnissen van de kantonrechter (rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Nijmegen) van 30 juli 2004, 6 januari 2006 en 9 juni 2006 en doet opnieuw recht:

wijst de vordering van [geïntimeerde] alsnog af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Stichting wat betreft eerste aanleg begroot op € 2.100,- voor salaris van de gemachtigde en € 243,16 voor verschotten en voor wat betreft het hoger beroep begroot op € 1.788,- voor salaris van de procureur en op € 319,32 voor verschotten;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Katz-Soeterboek, Fokker en Duitemeijer en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 januari 2008.