Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BC8035

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
15-01-2008
Datum publicatie
28-03-2008
Zaaknummer
2006/779
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Het hof is van oordeel dat met het verlopen van de geldigheid van het non-concurrentie beding in ieder geval het spoedeisend belang van TiP bij de door haar gevorderde verboden ten opzichte van [geïntimeerde] is komen te vervallen. TiP heeft daarnaast weliswaar een belang bij de vaststelling of het non-concurrentiebeding door [geïntimeerde] is overtreden, maar het hof acht dit belang niet spoedeisend. Feiten of omstandigheden die leiden tot het oordeel dat TiP een spoedeisend belang heeft bij een dergelijke vaststelling met betrekking tot het verleden, zijn gesteld noch gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2008-0218
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 januari 2008

vijfde civiele kamer

rolnummer 2006/779 KG

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Maintec Contracting B.V.,

tevens handelend onder de naam TiP personeelsdiensten,

gevestigd te Vlissingen,

appellante,

procureur: mr. H. van Ravenhorst,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende [woonplaats],

geïntimeerde,

procureur: mr. C.W. Langereis, voorheen mr. F.A.J.M. Peeters.

1 Het verdere verloop van het geding

1.1 Het hof verwijst naar zijn tussenarrest van 29 augustus 2006. Bij dat tussenarrest is een comparitie van partijen gelast. Partijen hebben het hof medegedeeld geen behoefte te hebben aan een comparitie van partijen.

1.2 Het hof heeft in dit tussenarrest tevens overwogen dat het ambtshalve bekend is met het verzoek van TiP tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor en dat, indien [geïntimeerde] geen bezwaar heeft tegen het verzoek, het hof voornemens is getuigen te gaan horen. [geïntimeerde] heeft te kennen gegeven geen bezwaar te hebben tegen een voorlopig getuigenverhoor. De getuigenverhoren hebben plaatsgevonden op 24 oktober 2006, 26 maart 2007 en 24 april 2007. De daarvan opgemaakte processen-verbaal bevinden zich bij de stukken.

1.3 Bij memorie van grieven heeft TiP vier grieven tegen het bestreden vonnis van 30 juni 2006 aangevoerd en toegelicht, heeft zij producties in het geding gebracht en heeft zij geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, de vordering van TiP alsnog zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties. TiP heeft voorts bij memorie van grieven haar vordering als volgt gewijzigd. Zij vordert thans dat het hof in kort geding [geïntimeerde]:

- zal verbieden op enigerlei wijze voor Selectin Personeelsdiensten B.V. te Apeldoorn dan wel te Arnhem, of enig andere vennootschap of onderneming die met Selectin Personeelsdiensten B.V. te Apeldoorn dan wel te Arnhem verbonden is, werkzaam te zijn op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 10.000,- alsmede een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat [geïntimeerde] in strijd met dit verbod handelt;

- zal verbieden om direct of indirect, in eigen naam of in naam van derden, te benaderen of contact te onderhouden met enige natuurlijke persoon, rechtspersoon en/of in het algemeen onderneming, die op (of gedurende een periode van 1 jaar voorafgaande aan) 1 september 2005 een (potentiële) cliënt/opdrachtgever is/was van TiP en waarmee [geïntimeerde] in het kader van zijn dienstverband met TiP contact heeft gehad, met oogmerk de cliënten te bewegen opdrachten te verstrekken aan [geïntimeerde] en/of aan een derde, voor zover de werkzaamheden krachtens die opdrachten hebben te gelden als concurrerend met de activiteiten die TiP gebruikelijk uitvoert, op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 10.000,- alsmede een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat [geïntimeerde] in strijd met dit verbod handelt;

- zal verbieden om direct of indirect, voor zichzelf en/of in dienst van derden, diensten te verlenen aan cliënten, voor zover die diensten hebben te gelden als concurrerend met de diensten die TiP gebruikelijk op de markt aanbiedt, op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 10.000,- alsmede een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat [geïntimeerde] in strijd met dit verbod handelt;

- zal verbieden direct of indirect, in eigen naam of in naam van derden, te benaderen en/of zakelijk contact te onderhouden met enige natuurlijke persoon die op (of gedurende een periode van 1 jaar voorafgaande aan) 1 september 2005 een werknemer of sollicitantwerknemer (inclusief natuurlijke personen die zich bij TiP hebben doen inschrijven met het oogmerk uitzendkracht van TiP te worden) van TiP is/was, met het oogmerk om die uitzendkracht te bewegen een arbeidsovereenkomst aan te gaan met [geïntimeerde] of een derde, op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 10.000,- alsmede een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat [geïntimeerde] in strijd met dit verbod handelt;

- zal veroordelen tot betaling van de overeengekomen boete, zijnde een bedrag van € 9.075,-, althans enig bedrag door het hof in goede justitie te bepalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 september 2005 althans vanaf de dag der dagvaarding tot en met de dag der algehele vergoeding;

- zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 454,- per overtreding voor elke dag dat de overtreding voortduurt, te rekenen vanaf de datum van de geconstateerde overtreding, 1 september 2005, althans vanaf de datum der dagvaarding, tot aan de dag waarop aan de overtreding een einde komt, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding tot en met de dag der algehele vergoeding;

- zal veroordelen tot betaling aan TiP van alle schade, door TiP geleden en nog te lijden als gevolg van het handelen van [geïntimeerde] in strijd met het relatiebeding, welke schade dient te worden vastgesteld bij staat en vereffend volgens de wet;

- zal veroordelen om binnen drie dagen na betekening van het in deze te wijzen arrest aan TiP ter hand te stellen een lijst met daarop vermeld de namen en adressen van al diegenen ten behoeve waarvan [geïntimeerde] bemiddeld heeft en/of heeft gepoogd te bemiddelen en/of zijn bemiddeling heeft aangeboden bij de totstandkoming van overeenkomsten tussen diegenen en Selectin en/of andere uitzendbureaus, zulks sedert 1 september 2005, zodat TiP deze lijst kan vergelijken met de lijst van haar relaties en uitzendkrachten, waarna aldus de omvang van de inbreuk van [geïntimeerde] op artikel 11.1, 11.2, 11.3 en 11.4 van de arbeidsovereenkomst kan worden vastgesteld en TiP aldus in de gelegenheid wordt gesteld om haar schadevergoedingsvordering nader te bepalen;

- zal veroordelen in de kosten van het geding.

1.4 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] verweer gevoerd, producties in het geding gebracht en heeft hij geconcludeerd dat het hof TiP in haar vorderingen niet-ontvankelijk zal verklaren althans de vorderingen van TiP af zal wijzen en eventueel onder aanvulling van rechtsgronden het vonnis van de kantonrechter zal bevestigen en TiP zal veroordelen in (bedoeld zal zijn:) de kosten van het hoger beroep.

1.5 Ter zitting van 23 november 2007 hebben partijen de zaak doen bepleiten, TiP door mr. E. A. Mulders, advocaat te Middelburg en [geïntimeerde] door mr. drs. F.A.J.M. Peeters, advocaat te Winterswijk; beiden hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht. Namens TiP is verschenen [A.], bedrijfsdirecteur werkmaatschappij TiP. [geïntimeerde] is verschenen in persoon.

1.6 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

2 De vaststaande feiten

De kantonrechter heeft in zijn vonnis van 30 juni 2006 onder “de vaststaande feiten” feiten vastgesteld. Aangezien daartegen geen grieven zijn aangevoerd of bezwaren zijn geuit, zal het hof in hoger beroep ook van die feiten uitgaan.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1 Het gaat in dit geding – kort gezegd – om het volgende. [geïntimeerde] is op 28 mei 2001 in dienst getreden van TiP in de functie van vestigingsmanager. Op 1 november 2004 hebben partijen een arbeidsovereenkomst getekend waarin een non-concurrentiebeding (artikel 11.1– 1.4) en een boetebeding (artikel 13.1–13.2) is opgenomen. [geïntimeerde] heeft op 18 juni 2005 schriftelijk zijn arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 1 september 2005. Bij brief van 10 augustus 2005 heeft TiP [geïntimeerde] toestemming verleend om in dienst te treden bij een uitzendorganisatie in Arnhem, met de kanttekening dat [geïntimeerde] ook niet vanuit Arnhem de relaties van TiP in Apeldoorn mag benaderen, hetgeen eveneens geldt voor de organisatie waarvoor [geïntimeerde] gaat werken en dat voor het overige het non-concurrentiebeding onverkort van kracht blijft. [geïntimeerde] is vervolgens in dienst getreden van Selectin Personeelsdiensten (hierna te noemen: Selectin). Selectin is gevestigd te Amsterdam en heeft een nevenvestiging in Apeldoorn. Daarnaast is er een kantoor in [plaatsnaam] op het woonadres van [geïntimeerde]. TiP heeft zich in rechte op het standpunt gesteld dat [geïntimeerde] het non-concurrentiebeding heeft geschonden en heeft nakoming van het non-concurrentiebeding gevorderd op straffe van verbeurte van een dwangsom bij niet-nakoming, evenals de overeengekomen en reeds verbeurde boetes en alle schade die uit de overtreding van het non-concurrentiebeding voortvloeit. [geïntimeerde] heeft betwist het non-concurrentiebeding te hebben geschonden en heeft in reconventie primair schorsing van het non-concurrentiebeding gevorderd, subsidiair een verbod voor TiP gevorderd om een beroep op het non-concurrentiebeding, althans het boetebeding te doen en meer subsidiair matiging van het boetebeding gevorderd. De rechtbank heeft zowel in conventie, als in reconventie de vorderingen van partijen afgewezen.

3.2 Tussen partijen staat vast dat het in artikel 11 (11.1-11.4) van de arbeidsovereenkomst van 1 november 2004 genoemde non-concurrentiebeding gold tijdens de duur van de arbeidsovereenkomst, alsmede gedurende een periode van 24 maanden na beëindiging ervan. Nu de dienstbetrekking tussen TiP en [geïntimeerde] op 1 september 2005 is geëindigd, is het non-concurrentiebeding sinds 1 september 2007 niet meer geldig tussen partijen. Het hof dient ambtshalve te onderzoeken of TiP thans in hoger beroep nog immer een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. Hierbij is niet beslissend of in eerste aanleg als dan niet terecht een spoedeisend belang aanwezig is geacht, maar of in hoger beroep nog een spoedeisend belang bestaat (HR 30 juni 2000, NJ 2001, 389).

3.3 Desgevraagd heeft TiP ter zitting bij het hof toegelicht waarin volgens haar nu nog het spoedeisende belang bij haar vorderingen is gelegen. Volgens TiP heeft zij een spoedeisend belang bij de vaststelling dat er sprake is van een overtreding van het non-concurrentiebeding, met name omdat er van deze procedure een zekere precedentwerking uitgaat ten opzichte van haar overige werknemers. Deze procedure kan door andere werknemers als voorbeeld dienen om door middel van een stromanvestiging buiten het bereik van het non-concurrentiebeding te treden. TiP heeft er volgens haar een spoedeisend belang bij om zo spoedig mogelijk duidelijkheid te krijgen. Daarnaast heeft TiP naar haar zeggen spoedeisend belang bij het invorderen van de verbeurde boete. In eerste aanleg wordt dit spoedeisend belang kennelijk aanwezig geacht, zodra wordt geconstateerd dat het non-concurrentie beding is overtreden. [geïntimeerde] heeft hiertegen aangevoerd dat in kort geding boetes niet zomaar worden toegewezen, hooguit wordt een voorschot op de boete toegewezen.

3.4 Het hof is van oordeel dat met het verlopen van de geldigheid van het non-concurrentie beding in ieder geval het spoedeisend belang van TiP bij de door haar gevorderde verboden ten opzichte van [geïntimeerde] is komen te vervallen. TiP heeft daarnaast weliswaar een belang bij de vaststelling of het non-concurrentiebeding door [geïntimeerde] is overtreden, maar het hof acht dit belang niet spoedeisend. Feiten of omstandigheden die leiden tot het oordeel dat TiP een spoedeisend belang heeft bij een dergelijke vaststelling met betrekking tot het verleden, zijn gesteld noch gebleken.

3.5 Met betrekking tot de gevorderde betaling van de contractuele boete, alsmede de betaling van alle schade die door TiP zou zijn geleden, dient voorop te worden gesteld dat met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in een veroordeling tot betaling van een geldsom, terughoudendheid op zijn plaats is en dienaangaande naar behoren feiten en omstandigheden moeten worden aangewezen die meebrengen dat een zodanige voorziening uit hoofde van onverwijlde spoed geboden is (vgl. HR 14 april 2000, NJ 2000, 489). Het hof is van oordeel dat TiP dergelijke feiten en omstandigheden onvoldoende heeft gesteld en deze zijn ook niet gebleken.

3.6 Nu het spoedeisend belang van TiP bij de gevorderde voorzieningen in hoger beroep ontbreekt, dient de door TiP gevorderde voorziening te worden geweigerd. Het vonnis van de kantonrechter zal, onder wijziging van gronden, worden bekrachtigd. TiP zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt, onder wijziging van gronden, het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter (rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Arnhem) van 30 juni 2006;

veroordeelt TiP in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 2.682,- voor salaris van de procureur en op € 248,- voor griffierecht.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Loo, Prakke-Nieuwenhuizen en Bronzwaer en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 januari 2008.