Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BC7519

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
08-01-2008
Datum publicatie
25-03-2008
Zaaknummer
2007/325
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naar het voorlopig oordeel van het hof strekte het onder 2.7.1 onder 4 weergegeven vergunningsvoorschrift mede ter voorkoming van het risico van zettingschade aan in de omgeving gelegen panden ten gevolge van verlaging van de ondiepe grondwaterstand door de bemaling. Het hof vindt voor dat oordeel steun in de brief van Grontmij van 10 september 1990 die, met betrekking tot de ondiepe grondwaterstand en het belang daarvan voor het optreden van zettingen en mogelijke schade aan de aanwezige bebouwing, vermeldt dat belangrijk is dat de ondiepe grondwaterstand boven een niveau van NAP – 1,50m moet blijven en dat, afhankelijk van de actuele grondwaterstand, het onttrekkingsregime moet worden aangepast. Bij dat oordeel weegt mee dat het Grontmij is die als adviesbureau betrokken is geweest bij de uitwerking van het grondwatersaneringplan en bij de aanvraag voor de grondwateronttrekkingsvergunning (zie rapport Grontmij, maart 1987 en Aanvraag voor grondwateronttrekkingsvergunning ten behoeve van sanering voormalig gasfabrieksterrein te Heerenveen, Grontmij, augustus 1987). Alvorens op dit punt verder te beslissen wenst het hof kennis te nemen van de onder 2.14 nader te noemen bescheiden, opgesteld door Grontmij.

Uit de stukken komt niet voldoende naar voren wanneer en in welke mate onderschrijdingen van het voorgeschreven minimale grondwaterpeil van – 1,5m NAP in welke peilbuizen is geconstateerd (de conclusie van dupliek, pag. 13, noemt de peilbuizen 5 en 13). Volgens het rapport Boorsma, pag. 12, zou dat in november 1988 zijn geweest, waarna de grondwateronttrekking tijdelijk zou zijn stilgelegd. Het Grontmij-rapport van mei 1990 noch het TCGB-rapport maakt daar melding van en het spoort ook niet met de cijfers in bijlage 2 bij het TCGB-rapport, die slechts stopzetting wegens laag water vermelden op drie dagen in 1989. Dit laatste gegeven sluit wel aan op de vermelding in het rapport-Boorsma, pag. 12 en 13, van “overschrijdingen” van het voorgeschreven minimale grondwaterpeil in de maanden september 1989 tot februari 1990. Het ligt op de weg van de Provincie die over de betreffende gegevens dient te beschikken, het hof in te lichten wanneer en in welke mate en in welke peilbuizen onderschrijdingen van het voorgeschreven grondwaterpeil hebben plaatsgehad.

Blijft zij daarmee in gebreke, dan kan dat bijdragen aan het oordeel dat de bewijslast verlegd dient te worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

8 januari 2008

derde civiele kamer

rolnummer 2007/325

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

A r r e s t n a v e r w i j z i n g

in de zaken van:

1. [appellant sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. de vennootschap onder firma

[appellante sub 2],

gevestigd te [vestigingsplaats],

en haar vennoten:

[vennoot sub 1] en [vennoot sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],

3. [appellant sub 3],

wonende te [woonplaats],

4. [appellant sub 4],

wonende te [woonplaats],

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[appellant sub 5],

gevestigd te Heerenveen,

6. [appellant sub 6],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

procureur: mr. H. van Ravenhorst,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

Provincie Friesland,

geïntimeerde,

procureur: mr. F.J. Boom.

1 Het procesverloop

1.1 Voor het procesverloop tot aan het arrest van de Hoge Raad van 7 mei 2004 wordt verwezen naar dat arrest. Bij dat arrest heeft de Hoge Raad het arrest van het gerechtshof te Leeuwarden van 23 oktober 2002 vernietigd, het geding ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar het gerechtshof te Arnhem en verweerders in cassatie veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

1.2 Bij dagvaarding na verwijzing van 8 februari 2007 hebben appellanten (hierna te noemen: [appellanten]) geïntimeerde (hierna te noemen: de Provincie) voor dit hof gedagvaard en gevorderd dat het hof:

- het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 9 februari 2000 zal vernietigen, de Provincie zal belasten met het bewijs van haar standpunt dat de onderhavige schade aan de opstallen van [appellanten] niet is veroorzaakt door de ten processe bedoelde grondwateronttrekking en

- de Provincie zal veroordelen tot betaling aan [appellanten] van schadevergoeding ter zake van de schade als omschreven in het lichaam van de inleidende dagvaarding welke schade, per onderscheiden perceel, is op te maken bij staat en

- voorts de Provincie zal veroordelen tot betaling aan elk van de onderscheiden appellanten van een bedrag groot € 523,55, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding in eerste aanleg tot aan die der algehele voldoening en

- de Provincie zal veroordelen in de kosten van (bedoeld zal zijn:) de eerste aanleg en het hoger beroep.

1.3 De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Incor Investments B.V. , gevestigd te Franeker, die gelijk met (de rechtsvoorgangers van) [appellanten] hoger beroep heeft ingesteld tegen voormeld vonnis en ook in het beroep in cassatie was betrokken, heeft zich niet in dit geding na verwijzing gesteld.

1.4 Bij memorie na verwijzing hebben [appellanten] geconcludeerd overeenkomstig hun onder 1.2 weergegeven vorderingen.

1.5 Bij memorie van antwoord na verwijzing heeft de Provincie geconcludeerd dat het hof [appellanten] niet-ontvankelijk zal verklaren in het door hen ingestelde appel, althans dat ongegrond zal verklaren onder gelijktijdige bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 9 februari 2000, zo nodig met verbetering van gronden, en met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten van (bedoeld zal zijn:) de eerste aanleg en het hoger beroep.

1.6 Partijen hebben ter terechtzitting van dit hof van 21 november 2007 hun standpunten doen bepleiten, [appellanten] door mr. J.H. van der Meulen, advocaat te Joure, en de Provincie door mr. M. Bauman, advocaat te Leeuwarden, aan de hand van pleitnotities die, tezamen met de overige gedingstukken, aan het hof zijn overgelegd.

2 De motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1 Onweersproken is [appellant sub 1] rechtsopvolger onder algemene titel van zijn overleden vader, de oorspronkelijk eigenaar van het winkelpand [a-straat] 17 te [plaatsnaam]. Ook is onweersproken dat [...] in rechte is opgevolgd door [appellant sub 4] , naar het hof begrijpt als cessionaris, in de onderhavige (schade)vordering tegen de Provincie. Het hof verstaat dat zij thans in het hoger beroep partij zijn en oordeelt dat zij als zodanig ontvangen kunnen worden en dat hun rechtsvoorgangers buiten het geding zijn gesteld.

2.2 Het gaat bij de door [appellanten] tegen de Provincie aangespannen zaken om het volgende.

[appellanten] zijn eigenaren van opstallen gelegen aan de [a-straat] in het centrum van [plaatsnaam], een gebied dat door de bodemopbouw uit onder meer een veenlaag zettinggevoelig is. Het betreft [a-straat] 17 ([appellant sub 1]), [a-straat] 27 (v.o.f [appellant sub 2]), [a-straat] 74 ([appellant sub 3]), [a-straat] 60 ([appellant sub 4]), [a-straat] 93-95-97 ([appellant sub 5]) en [a-straat] 8 ([appellant sub 6]). In het kader van een bodemsanering van het nabijgelegen terrein van de voormalige gasfabriek aan de Sieversstraat heeft de Provincie, met een op 22 januari 1988 door Gedeputeerde Staten verleende vergunning op grond van art. 14 lid 1 van de Grondwaterwet, vanaf april 1988 grondwater onttrokken aan de bodem in het centrum van Heerenveen. Doel daarvan was de verwijdering van het tot een diepte van meer dan 15 meter –mv verontreinigde grondwater. Die onttrekking vond plaats vanaf 18 april 1988, werd onderbroken van februari 1990 tot september 1990 en is vanaf september 1990 voortgezet. Aan de opstallen van [appellanten] is zettingschade opgetreden. Deze is volgens de niet betwiste inhoud van het rapport van de Technische Commissie Grondwaterbeheer (TCGB) van juli 1990, pag. 1, geconstateerd vóór de tijdelijke stopzetting van de bronbemaling door de Provincie op 22 februari 1990. De eerste zettingschade is gemeld op 6 juli 1989 (zie het rapport van de door de rechtbank benoemde deskundigen, pag. 11 onderaan).

2.3 Partijen zijn het erover eens dat volgens de hoofdregel van art. 150 Rv. de bewijslast van het causaal verband in de zin van het condicio sine qua non-verband op [appellanten] rust, zowel indien hun vorderingen hun grondslag vinden in art. 35 van de Grondwaterwet als wanneer een in de wijze van uitvoering van die onttrekking gelegen onrechtmatige daad van de Provincie jegens [appellanten] daarvan de grondslag vormt.

[appellanten] hebben zich voor het bewijs van dat causaal verband beroepen op een rapport van Ingenieursbureau Boorsma B.V. van 20 september 1991 alsmede op een rapport van de Technische Commissie Grondwaterbeheer (TCGB) van juli 1990 (producties bij conclusie van eis), de Provincie voor het tegendeel op een rapport van Grontmij van mei 1990, een brief van Grontmij van 10 september 1990, het genoemde rapport van de TCGB, een brief van de TCGB van 11 september 1990 en een tekening van Grontmij no. N 730-706-89, no.6, met daarop aangegeven de beïnvloedingsgebieden bij onttrekkingen van respectievelijk 25m3/uur en 10m3/uur. Daaraan is in eerste aanleg het rapport van 19 december 1996 van de door de rechtbank benoemde deskundigen (de Commissie Posthumus) toegevoegd.

Die deskundigen hebben gerapporteerd dat zij op basis van de hen ter beschikking gestelde meetgegevens geen uitspraak kunnen doen over het causaal verband, waarna de rechtbank de vorderingen heeft afgewezen omdat niet was komen vast te staan dat er causaal verband bestond tussen de grondwateronttrekking door de Provincie en de geclaimde schade. In hoger beroep is daarna gedebatteerd over de bewijslastverdeling met betrekking tot het causaal verband.

Het gerechtshof te Leeuwarden heeft in rov. 9, eerste zin, van zijn arrest van 23 oktober 2002, beslist dat de stukken geen toereikende grondslag bieden voor het oordeel dat [appellanten]reeds genoegzaam het bestaan van het causale verband hebben bewezen, zulks behoudens door de Provincie te leveren bewijs van het tegendeel. Dit oordeel is niet in het beroep in cassatie betrokken, zodat dit in deze instantie in het vervolg als uitgangspunt heeft te gelden.

2.4 [appellanten] hebben zich op het standpunt gesteld dat de bewijslast van dit causaal verband op de Provincie moet worden gelegd, allereerst omdat dat uit de eisen van redelijkheid en de billijkheid voortvloeit, ten tweede omdat de kans op zettingschade door de grondwateronttrekking aanzienlijk is, zodat de zogenaamde “omkeringsregel” dient te worden toegepast en ten slotte op grond van de regel van art. 6:99 BW.

2.5 Het betoog dat de bewijslast moet worden omgekeerd op grond van de regel van art. 6:99 BW is door het gerechtshof te Leeuwarden in zijn arrest in rechtsoverweging 9 verworpen en die beslissing is niet in het beroep in cassatie betrokken, zodat dat betoog geen beoordeling meer behoeft.

Het betoog dat de zogenaamde “omkeringsregel” hier toepassing dient te vinden, heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 7 mei 2004 verworpen.

Ter beoordeling door dit hof blijft dus nog slechts de vraag over of in dit geval uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat de bewijslast van het (ontbreken van het) bedoelde causaal verband op de Provincie wordt gelegd.

2.6 [appellanten] hebben in dat kader, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd:

2.6.1 De grondwateronttrekking vond plaats in een zettinggevoelig gebied met veel waardevolle opstallen, die door daling van de grondwaterstand zettingschade zouden kunnen lijden. De Provincie was daarmee bekend.

2.6.2 De Provincie, die bij de uitoefening van haar taak werd bijgestaan door een groot aantal deskundigen op het gebied van grondwaterstanden, had bij de grondwateronttrekking conform de eisen van de haar verleende vergunning:

a. moeten voorkomen dat de grondwaterstand zou dalen beneden 1,50 m –NAP en

b. op zodanige wijze gegevens moeten verzamelen en vastleggen dat achteraf zou zijn vast te stellen of er oorzakelijk verband bestaat tussen zettingschade aan de opstallen van [appellanten] en de grondwateronttrekking.

Beide heeft de Provincie nagelaten.

2.6.3 Zij heeft niet voorkomen dat de ondiepe grondwaterstand enige tijd beneden het genoemde peil is gedaald.

2.6.4 Ook heeft de Provincie de op de waarneming en vastlegging van de grondwaterstanden betrekking hebbende vergunningsvoorwaarden blijkens het rapport van de door de rechtbank benoemde deskundigen (de commissie Posthumus) niet ten volle nageleefd. Immers heeft de Provincie niet voor de aanvang van de grondwateronttrekking de “nulsituatie” vastgesteld zoals in de vergunningsvoorwaarden voorgeschreven, zijn er niet toegelichte onderbrekingen in de meetreeks van de zakbouten, zijn de voor de vaststelling van het oorzakelijk verband nodige waarnemingen van de grondwaterstanden incompleet en was de meetfrequentie van de onttrokken hoeveelheden te laag.

2.6.5 Van de op dit terrein niet deskundige [appellanten] kon niet verwacht worden dat zij ten tijde van de grondwateronttrekking gegevens verzamelden en vastlegden ter bepaling van het oorzakelijk verband tussen de grondwateronttrekking en de zettingschade aan hun opstallen.

2.7 Voor de beantwoording van de vraag of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat de bewijslast van het causaal verband tussen de grondwateronttrekking en de zettingschade aan de opstallen van [appellanten] op de Provincie wordt gelegd, acht het hof het volgende van belang.

2.7.1 De door Gedeputeerde Staten op grond van art. 14 lid 1 van de Grondwaterwet verleende vergunning van 22 januari 1988 betrof een vergunningsaanvrage voor de onttrekking van grondwater ten behoeve van de genoemde bodemsanering voor:

1 een drainage/infiltratiesysteem t.b.v. de sanering van het ondiepe grondwater;

2. een deepwellbemaling t.b.v. de sanering van het diepe (dieper dan 8 m) grondwater.

Die vergunning is verleend voor het onttrekken van grondwater tot een hoeveelheid van 240 m3/etmaal via een drainage/infiltratiesysteem t.b.v. de sanering van het ondiepe grondwater en 600 m3/etmaal via een deepwellbemaling t.b.v. de sanering van het diepe grondwater en wel onder de volgende voorwaarden:

1. Door de vergunninghouder dient een grondwatermeetnet als aangegeven in bijlage 1 te worden ingericht en onderhouden. Inrichting (exacte lokatiekeuze, filterstelling etc.) dient in overleg plaats te vinden met de afdeling Water van de provincie Friesland.

2. De vergunninghouder dient zorg te dragen voor het wekelijks, op dezelfde dag, waarnemen van alle op bijlage 1 aangegeven waarnemingsputten en hiervan op zodanige wijze aantekening te houden dat er continu inzicht bestaat in het verloop van de grondwaterstanden.

3. De vergunninghouder dient wekelijks aantekening te houden van het onttrekkings/infiltratieverloop en van alle factoren die op de grondwaterstanden van invloed zouden kunnen zijn.

4. Indien de ondiepe grondwaterstand (in de 2 m filters) daalt beneden de 1.50 m – n.a.p. dient iedere grondwateronttrekking te worden beëindigd. Afhankelijk van de verzamelde meetgegevens kan deze grenswaarde door de afdeling Water worden aangepast.

5. De metingen dienen 3 weken voor de bemaling aan te vangen en te worden voortgezet tot 3 weken na de bemaling. Na belangrijke wijzigingen in het onttrekkingsdebiet dienen de meetpunten gedurende 1 week dagelijks op dezelfde tijd te worden waargenomen. Teneinde de invloed van drainage/infiltratiesysteem in voldoende mate vast te leggen dienen bij de aanvang hiervan de meetpunten gedurende 1 maand dagelijks op dezelfde tijd te worden waargenomen.

6. Binnen een straal van 150 m van de deepwell dienen aan alle gebouwen waarvan niet zeker is dat zij op palen zijn gefundeerd op zodanige wijze hoogtemetingen plaats te vinden dat eventuele zakking als gevolg van de bemaling kan worden geregistreerd.

7. Na beëindiging van de bemaling dienen alle verzamelde gegevens in rapportvorm aan ons college te worden toegezonden.

2.7.2 Bijlage 1 bij de vergunning is een kaart van het gebied van de Sieversstraat en omgeving, waarop is ingetekend het grondwatermeetnet, samengesteld uit de bestaande en te plaatsen grondwatermeetpunten (peilbuizen) voor diep grondwater en ondiep grondwater. Voor het diepe grondwater betreft dit, voor zover gelegen in de richting van de onttrekkingspunten naar de opstallen van [appellanten], een bestaande peilbuis (3) in de Sieversstraat en te plaatsen peilbuizen (A en B) in de [a-straat] en (D en F) in de Sieversstraat alsmede een peilbuis (E) daartussen. Voor het ondiepe grondwater betreft dit twee bestaande peilbuizen (10 en 11) in de Sieversstraat en drie te plaatsen peilbuizen in de [a-straat] (17, 18 en 19). De meetpunten voor het diepe grondwater dienden voorzien te zijn van filter op 8m, 4m en 2m –mv. De kaart geeft in het betrokken gebied 17 peilbuizen aan plus een peilbuis op 50 m zuidelijker.

2.7.3 Ten opzichte van de oorspronkelijk vergunde wijze en plaatsen van grondwateronttrekking heeft een wijziging plaatsgevonden. Blijkens het TCGB-rapport, pag. 4, van juli 1990 (productie bij de conclusie van eis) heeft de diepe grondwateronttrekking vanaf februari 1989 tevens plaatsgevonden met vacuümbemaling op een zevental diepe bronnen. Volgens de daarbij als bijlage 1 gevoegde kaart zijn die bronnen gelegen ten noordoosten van de deepwell in de nabijheid van de peilbuizen 5, 7 en 13. Blijkens het rapport van de Commissie Posthumus zijn de vergunningvoorwaarden in verband daarmee bij brief van 29 september 1989 aangepast (Die brief bevindt zich niet bij de stukken).

Deze wijziging in de wijze van grondwateronttrekking vindt bevestiging in het rapport-Grontmij van mei 1990, pag. 4, zij het dat volgens dat rapport de vacuümbronnering negen verticale bronnen omvat met filters tussen -6m en -11m –mv.

2.7.4 Blijkens het TCGB-rapport, pag. 3, heeft de onttrekking van het ondiepe grondwater plaatsgevonden in de periode van april 1988 tot en met september 1988, in welke periode ook infiltratie heeft plaatsgehad. Volgens dit rapport heeft de diepe onttrekking plaatsgehad in de periode van april 1988 tot en met februari 1990, waarna deze tijdelijk is gestaakt.

2.7.5 Niet betwist is dat in strijd met vergunningsvoorschrift 4 de ondiepe grondwaterstand in de –2m filters enige keren is gedaald onder het bij dat voorschrift aangegeven peil van –1,50 m NAP.

2.7.6 Uit de overgelegde deskundigenrapporten blijkt dat de deskundigen niet beschikten over alle meetgegevens die volgens de vergunningsvoorschriften door de Provincie als vergunninghouder verzameld moesten worden.

Het rapport-Grontmij van mei 1990 stelt onder 3.2:

” - op een groot aantal data zijn niet voldoende peilbuizen waargenomen;

….

- niet altijd is een nauwkeurig onttrekkingsdebiet beschikbaar”.

Het TCGB-rapport vermeldt onder 3.2 “Onttrekking en infiltratie gasfabrieksterrein”:

” De hoeveelheden onttrokken en geïnfiltreerd (grond)water zijn periodiek gemeten. De van de provincie Friesland ontvangen gegevens hieromtrent zijn in bijlage 2 vermeld. Er zijn geen exacte dag-, week- of maandcijfers bekend.”

In het rapport van de Commissie Posthumus valt te lezen:

in hoofdstuk 2 Werkwijze:

” Meting van grondwaterstanden en zettingen kan (…) een nauwkeurig inzicht in de opgetreden effecten geven. Het onderzoek heeft zich derhalve toegespitst op de uitgevoerde metingen met betrekking tot de onttrokken hoeveelheden grondwater, het verloop van de grondwaterstand en de hoogtemetingen aan de op staal gefundeerde gebouwen.

(…)

Naar aanleiding van de bijeenkomst heeft de Provincie de beschikbare meetresultaten en overige projectgegevens verzameld en aan de commissie ter beschikking gesteld. In de aanbiedingsbrief van 2 oktober 1996 (lit 1), zie ook bijlage 1, zijn de verstrekte gegevens opgesomd.”

in hoofdstuk 3 Beschikbare gegevens:

”3.1 Meetgegevens

De navolgende meetgegevens zijn beoordeeld op volledigheid uitgaande van de vergunningsvoorwaarden in de grondwatervergunning van 22 januari 1988 (lit. 4).

Grondwaterstanden

Uit de verstrekte grondwaterstandsgegevens blijkt het volgende:

- Op 28 februari 1983, 22 maart 1983, 12 januari 1984 en 31 januari 1985 zijn op het terrein van de gasfabriek grondwaterstanden gemeten ([lit.1], de stukken 9 en 9a van bijlage 1).

- De eerste waarneming in de periode van saneren is verricht op 9 mei 1988, drie weken na aanvang van de grondwateronttrekking. Voor de peilbuizen 15 t/m 19 is de eerste waarneming verricht op 8 juli 1988 [lit 1], stuk 10 van bijlage 1). In het TCGB-rapport [lit 2] worden voor de laatstgenoemde peilbuizen wel waarnemingen in mei weergegeven in de grafieken.

- In de periode van 17 augustus 1988 tot 10 februari 1989 zijn slechts enkele peilbuizen opgenomen.

- De laatste verstrekte meting dateert van 12 mei 1989.

Debieten

De beschikbare gegevens over de onttrokken hoeveelheden grondwater betreffen enerzijds de uit het opvangbassin afgevoerde hoeveelheden, en anderzijds de standen van de watermeter. Meettijdstippen en meetintervallen zijn onregelmatig verdeeld, waardoor de toegankelijkheid van deze gegevens beperkt is. De onttrekking is gestart op 18 april 1988

[lit 5]. De meetcijfers hebben betrekking op de periode van 14 maart 1988 t/m 14 april 1989

[lit 5]. Gegevens over de onttrekking door middel van de vacuümbemaling zijn beschikbaar tot het einde van de onttrekkingsperiode op 22 februari 1990 [lit 2].

Hoogtecijfers

In de gevels van panden in de omgeving van de gasfabriek is een groot aantal zakbouten geplaatst, genummerd 1 tot en met 92. De locaties zijn weergegeven op tekening N730-706-89 [lit 6]. De eerste hoogtemeting (nulsituatie) dateert van 8 maart 1988. Verder zijn metingen verricht op 24 oktober 1989, 12 oktober 1990, 25 november 1991, 1 februari 1993, 10 januari 1994, 22 februari 1995 en 25 april 1996 [lit 1], stuk 12 van bijlage 1).

3.3 Overige gegevens

Fundatiegegevens

Uit … kan worden afgeleid dat ten zuidwesten van de te bemalen locatie de fundaties van panden tot en met de Sieversstraat zijn geïnventariseerd ([lit 1], stuk 5 van bijlage). De commissie beschikt niet over deze inventarisatie.

Op staal gefundeerde panden

Van de op staal gefundeerde panden zijn voor of tijdens de uitvoering van de grondwatersanering geen fotografische of beschrijvende opnamen van de bouwtechnische staat vastgelegd door de provincie of de eigenaren.

5 Conclusies

Na het beëindigen van een bemalingsperiode kan alleen een causaal verband tussen de bemaling en schade aan gebouwen worden gelegd indien over de volgende gegevens wordt beschikt:

a Een opnamerapport van de bouwkundige staat van gebouwen vóór de bemaling.

b Periodieke grondwaterstandswaarnemingen in en buiten het invloedsgebied van de onttrekking voorafgaande aan en tijdens de bemalingsperiode.

c Periodieke waarnemingen van de onttrekkingshoeveelheden.

d. Periodieke hoogtemetingen aan zakbouten voorafgaande aan en tijdens de bemalingsperiode.

e Een opnamerapport van de bouwkundige staat van gebouwen na de bemalingsperiode.

De opnamerapporten (ad a en e) ontbreken, de benodigde waarnemingen van de grondwaterstanden (ad b) zijn incompleet, en de meetfrequentie van de onttrekkingshoeveelheden en de hoogtemetingen (ad d) is gedurende de bemalingsperiode te laag. Derhalve is niet vast te stellen dat de schade aan het pand van de eisende partij ontstaan is als gevolg van de betreffende grondwateronttrekking van de provincie.

4. Indien thans niet meer is vast te stellen of (waarschijnlijk) ten gevolge van deze grondwateronttrekking aan het pand van de eisende partij schade is ontstaan, moet dat dan worden toegeschreven aan een gebrekkige registratie van grondwaterstanden gedurende de wateronttrekking?

Ja; het uitgevoerde meetprogramma vertoont zodanige gebreken wat betreft het vastleggen van de nulsituatie, de meetfrequentie van grondwaterstanden, grondwateronttrekkingen en hoogtemetingen aan zakbouten, dat op basis van de gegevens niet meer met zekerheid is vast te stellen of door de bemaling schade is ontstaan aan de betreffende panden.”

2.8 Naar aanleiding van de vraag of in deze zaken wegens de eisen van redelijkheid en billijkheid de bewijslast op de Provincie moet worden gelegd, stelt het hof voorop dat de eigenaren van opstallen in de nabijheid van een door een vergunninghouder uitgevoerde grondwateronttrekking doorgaans voor een belangrijk deel van de gegevens waarmee het al dan niet bestaan van een verband tussen die grondwateronttrekking en zettingschade aan de opstallen kan worden beoordeeld, zoals meetgegevens van grondwaterstanden en onttrokken grondwaterhoeveelheden, aangewezen zijn op de vergunninghouder. Dat geldt ook wanneer dat verband door tussenkomst van de TCGB conform art. 37 lid 1 Grondwaterwet wordt beoordeeld. Die eigenaren zijn doorgaans niet bevoegd om de vereiste peilbuizen op andermans grond te plaatsen en hebben doorgaans geen toegang tot de peilbuizen van de vergunninghouder of derden teneinde de grondwaterstand te meten en evenmin tot de gegevens omtrent de onttrokken hoeveelheden of de daarvoor gebruikte meettoestellen. Die eigenaren mogen dan ook van de vergunninghouder verwachten dat deze de daaromtrent in de vergunning voorgeschreven gegevens zodanig frequent en zodanig nauwkeurig verzamelt en ter beschikking stelt dat deskundigen op geohydrologisch en bouwkundig terrein daarmee het verband tussen de grondwateronttrekking en de zettingschade aan de opstallen kunnen beoordelen. Wanneer dit belang van die eigenaren door de vergunninghouder wordt verwaarloosd en de vereiste gegevens ter beoordeling van dat verband niet op andere wijze kunnen worden verkregen, ligt het in de rede om de bewijslast op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid op de vergunninghouder te leggen.

2.9 Ter pleitzitting van dit hof heeft de advocaat van [appellanten] bevestigd dat het aan de Provincie gemaakte verwijt aangaande het verzamelen en bewaren van meetgegevens alleen de gegevens betreft die de Provincie ingevolge de vergunningsvoorschriften moest verzamelen en bewaren. Daarmee is niet meer aan de orde of het in de vergunning voorgeschreven meetprogramma als ontoereikend in verband met de zettinggevoeligheid van het gebied moet worden aangemerkt.

2.10 Naar het voorlopig oordeel van het hof strekte het onder 2.7.1 onder 4 weergegeven vergunningsvoorschrift mede ter voorkoming van het risico van zettingschade aan in de omgeving gelegen panden ten gevolge van verlaging van de ondiepe grondwaterstand door de bemaling. Het hof vindt voor dat oordeel steun in de brief van Grontmij van 10 september 1990 die, met betrekking tot de ondiepe grondwaterstand en het belang daarvan voor het optreden van zettingen en mogelijke schade aan de aanwezige bebouwing, vermeldt dat belangrijk is dat de ondiepe grondwaterstand boven een niveau van NAP – 1,50m moet blijven en dat, afhankelijk van de actuele grondwaterstand, het onttrekkingsregime moet worden aangepast. Bij dat oordeel weegt mee dat het Grontmij is die als adviesbureau betrokken is geweest bij de uitwerking van het grondwatersaneringplan en bij de aanvraag voor de grondwateronttrekkingsvergunning (zie rapport Grontmij, maart 1987 en Aanvraag voor grondwateronttrekkingsvergunning ten behoeve van sanering voormalig gasfabrieksterrein te Heerenveen, Grontmij, augustus 1987). Alvorens op dit punt verder te beslissen wenst het hof kennis te nemen van de onder 2.14 nader te noemen bescheiden, opgesteld door Grontmij.

Uit de stukken komt niet voldoende naar voren wanneer en in welke mate onderschrijdingen van het voorgeschreven minimale grondwaterpeil van – 1,5m NAP in welke peilbuizen is geconstateerd (de conclusie van dupliek, pag. 13, noemt de peilbuizen 5 en 13). Volgens het rapport Boorsma, pag. 12, zou dat in november 1988 zijn geweest, waarna de grondwateronttrekking tijdelijk zou zijn stilgelegd. Het Grontmij-rapport van mei 1990 noch het TCGB-rapport maakt daar melding van en het spoort ook niet met de cijfers in bijlage 2 bij het TCGB-rapport, die slechts stopzetting wegens laag water vermelden op drie dagen in 1989. Dit laatste gegeven sluit wel aan op de vermelding in het rapport-Boorsma, pag. 12 en 13, van “overschrijdingen” van het voorgeschreven minimale grondwaterpeil in de maanden september 1989 tot februari 1990. Het ligt op de weg van de Provincie die over de betreffende gegevens dient te beschikken, het hof in te lichten wanneer en in welke mate en in welke peilbuizen onderschrijdingen van het voorgeschreven grondwaterpeil hebben plaatsgehad.

Blijft zij daarmee in gebreke, dan kan dat bijdragen aan het oordeel dat de bewijslast verlegd dient te worden.

2.11 De onder 2.7.1 weergegeven metingsvoorschriften onder 1 tot en met 3 en 5 tot en met 7 strekten er, naar het voorlopig oordeel van het hof, mede toe om bij het optreden van zettingen het causaal verband met de grondwateronttrekking te kunnen onderzoeken. Gelet op het voorschrift onder 6 mochten [appellanten] van de Provincie verwachten dat deze regelmatig hoogteonderzoek met betrekking tot de zakbouten zou verrichten en het resultaat daarvan aan [appellanten] op verzoek ter beschikking zou stellen, evenals de gegevens omtrent grondwaterstanden en onttrekkingshoeveelheden.

2.12 De Provincie heeft ter pleitzitting voor dit hof opgeworpen dat zij over méér meetgegevens beschikt dan die de Commissie Posthumus in beschouwing heeft genomen. Zij stelt zich zeer nauwkeurig aan het meetprogramma en de meetfrequentie te hebben gehouden. Zij zou deze gegevens ook aan de commissie hebben aangeboden, maar deze zou die gegevens niet hebben opgevraagd.

Omdat deze gegevens van belang kunnen zijn voor het oordeel of de Provincie overeenkomstig de vergunningsvoorwaarden voldoende gegevens heeft verzameld en bewaard om door deskundigen het verband tussen de grondwateronttrekking en de zettingschade aan de opstallen van [appellanten] te beoordelen, zal het hof de Provincie in de gelegenheid stellen te inventariseren over welke, niet aan de Commissie Posthumus ter beschikking gestelde meetgegevens zij nog beschikt. Te denken valt met name aan reeksen van metingen van grondwaterstanden per peilbuis en aan gespecificeerde onttrekkingshoeveelheden en aan hoogtemetingen aan de zakbouten.

2.13 Mocht de Provincie conform rov. 2.10 en 2.12 nadere gegevens ter beschikking stellen, dan is het hof voornemens deze voor te leggen aan deskundigen, bij voorkeur de leden van de Commissie Posthumus, ten einde te beoordelen of daarmee de eerder verstrekte gegevens voldoende gecompleteerd zijn om het omstreden verband tussen de grondwateronttrekking en de zettingschade aan de opstallen van [appellanten] vast te stellen.

Mogelijk zal daaruit voortkomen dat (de) deskundigen alsnog in staat zullen blijken een oordeel te geven over de partijen verdeeld houdende vraag naar het causaal verband tussen de grondwateronttrekking en de zettingschade.

Alsdan behoeft de vraag of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat de bewijslast van het (ontbreken van het) bedoelde causaal verband op de Provincie moet worden gelegd, niet beantwoord te worden.

2.14 De stukken zullen in handen van partijen worden gesteld in afwachting van een nadere uitlating bij akte door de provincie omtrent de gegevens bedoeld onder 2.10 en 2.12 hiervoor.

Het hof verzoekt de Provincie daarbij in het geding te brengen de Uitwerking plan grondwatersanering bodemverontreiniging voormalig gasfabrieksterrein Heerenveen, Grontmij, maart 1987, de Aanvraag grondwateronttrekkingsvergunning ten behoeve van sanering voormalig gasfabrieksterrein te Heerenveen, Grontmij, augustus 1987, de Evaluatie grondwatersanering voormalig gasfabrieksterrein Heerenveen (interimrapportage), Grontmij, april 1989, alsmede de brief van 29 september 1989 waarbij de vergunningsvoorwaarden zijn aangepast. Ook verzoekt het hof de Provincie de eventueel voorafgaand aan de onttrekking gemaakte foto’s van de panden van [appellanten] in het geding te brengen.

[appellanten] zullen bij akte daarop mogen reageren. Beide partijen wordt verzocht zich alsdan uit te laten over de persoon van de eventueel in te schakelen deskundige(n), de daaraan voor te leggen vragen en de vraag welke partij een eventueel voorschot zal dragen. Voorshands overweegt het hof die kosten gelijkelijk over [appellanten] en de Provincie te verdelen.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

Beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep na verwijzing:

stelt de stukken in handen van partijen met het onder 2.14 omschreven doel;

bepaalt dat de zaak wederom ter rolle zal worden uitgeroepen op 5 februari 2008 voor een akte aan de zijde van de Provincie;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Makkink, Vaessen en Strens-Meulemeester en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 januari 2008.