Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BC7516

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
14-03-2008
Datum publicatie
25-03-2008
Zaaknummer
TBS 2007\040
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het is van evident belang dat het hof, de advocaat-generaal en de verdediging tijdig kunnen beschikken over recente en volledige informatie met betrekking tot de behandeling van de terbeschikkinggestelde. Duidelijk is dat er tussen betrokkene en de kliniek reeds geruime tijd een impasse bestaat in het bereiken van een overeenkomst met betrekking tot de voortgang. Betrokkene wordt thans geruime tijd niet meer behandeld. Het hof is van oordeel dat een resocialisatietraject voor betrokkene nog steeds als een reële optie moet worden gezien. Gezien het feit dat de kliniek niets ziet in een tweede resocialisatiepoging acht het hof het zeer aangewezen dat betrokkene zo spoedig mogelijk door overplaatsing of ruiling naar een andere kliniek gaat teneinde opnieuw een resocialisatietraject te (kunnen) starten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

TBS 2007\040

Beslissing d.d. 14 maart 2008

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[Terbeschikkinggestelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

verblijvende in [verblijfplaats].

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank te Arnhem van 6 oktober 2006, houdende verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar.

Overwegingen:

• Het hof zal de beslissing van de rechtbank dienen te vernietigen, daar het recht doet mede op grond van nieuwe stukken en hetgeen de getuige-deskundige ter terechtzitting heeft verklaard.

• Het hof is van oordeel dat in casu van een spoedige behandeling van het beroep in de zin van artikel 5, vierde lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden geen sprake is geweest. Immers wordt op het beroep ruim zestien maanden na het instellen van het hoger beroep beslist. In de voorliggende zaak oordeelt het hof dat de beslissing om een verdragsrechtelijke schending aan te nemen in zichzelf voldoende bevrediging van het geschonden rechtsgevoel inhoudt. Het hof heeft daarbij tevens rekening gehouden met het feit dat de zaak eerder door het hof is behandeld op 28 juni 2007, 26 november 2007 en 21 januari 2007. Tijdens de eerste zitting is betrokkene, wegens gestelde gezondheidsproblemen, niet verschenen. De daarop volgende zittingen was het hof, ondanks herhaald en dringend verzoek aan de kliniek om recente informatie, onvoldoende voorgelicht om op de verlengingsvordering te kunnen beslissen.

• Het hof acht onderzoek van betrokkene in het Pieter Baan Centrum niet noodzakelijk, daar het thans voldoende is voorgelicht om op de verlengingsvordering te beslissen.

• In het bijzonder gelet op de advisering is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de verlenging van de terbeschikkingstelling eist als in de hierna te vermelden beslissing vervat. Uit het verlengingsadvies en de adviezen van de externe deskundigen volgt dat betrokkene een man is bij wie sprake is van complexe problematiek. Er is zowel sprake van pedofilie, het niet exclusieve type, als van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Daarnaast was in het verleden sprake van alcoholproblematiek. Naar voren is gekomen dat bij betrokkene sprake is van ernstige psychopathie. Ook kent betrokkene ernstige gezondheidsproblemen. Betrokkene is bekend met ernstig vaatlijden aan de benen en lijdt hij aan diabetes. Daarnaast heeft betrokkene een ernstig overgewicht.

Het lukt betrokkene slechts ten dele de verantwoordelijkheid ten aanzien van de indexdelicten op zich te nemen. Hij externaliseert en bagatelliseert zijn aandeel. Betrokkene ontkent niet dat hij pedofiel is en evenmin dat hij is gericht op prepuberale jongens. Hij ontkent evenwel dat hij geweld heeft gebruikt en daarmee gedreigd heeft. De verklaringen van de slachtoffers zijn echter consistent hierin. Uit de risicotaxatie volgt dat betrokkene slechts een beperkt probleeminzicht heeft, dat zijn empathisch vermogen zeer gering is, alsmede dat er sprake is van geringe sociale en relationele vaardigheden, een beperkte zelfredzaamheid en gebrekkige copingvaardigheden. De risicotaxatie-instrumenten wijzen op een onverminderd hoog recidiverisico.

Gelet op het thans aanwezige delictgevaar en het gegeven dat betrokkene nog gedurende een lange tijd structuur, zorg en begeleiding nodig heeft, is het hof van oordeel dat de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar dient te worden verlengd.

• Het hof merkt daarbij nog het volgende op:

Allereerst wordt nogmaals benadrukt dat in zaken als de onderhavige op de kliniek de verplichting rust om het hof adequaat, tijdig en volledig te informeren. De inrichting van de interne administratieve organisatie van een kliniek doet niet af aan het zwaarwegende belang van een terbeschikkinggestelde bij de mogelijkheid tot een goede beoordeling van de zaak door de verlengingsrechter. In dat kader is het van evident belang dat het hof, de advocaat-generaal en de verdediging tijdig kunnen beschikken over recente en volledige informatie met betrekking tot de behandeling van de terbeschikkinggestelde. Het hof gaat er van uit dat de kliniek daarbij het belang van de betrokkene, die wacht op een voor hem zeer belangrijke beslissing door de hoogste rechterlijke instantie, voorop stelt en niet feitelijk ondergeschikt maakt aan een intern administratief werkproces van de kliniek.

Voorts blijkt uit de stukken en uit hetgeen de getuige-deskundige daarover ter zitting heeft gezegd dat reeds in juni 2005, na het aanvragen van een second opinion aan de Dr Henri van der Hoeven Kliniek, stilstand in de behandeling van betrokkene is ontstaan. Voorafgaand aan de aanvraag bestond er een overeenstemming tussen betrokkene en de kliniek over het streven naar een transmurale woonvoorziening en had betrokkene zich bereid verklaard om eventueel libidoremmende medicatie te gebruiken tijdens het verdere resocialisatietraject. In het rapport van de Dr Henri van der Hoeven Kliniek van 12 april 2006, wordt gesteld dat betrokkene slechts onder bepaalde voorwaarden voor zeer beperkte onbegeleide activiteiten in aanmerking komt. Hierop is het trajectplan van betrokkene aangepast en aan betrokkene aangeboden. Libidoremmende medicatie werd een dwingend onderdeel van dit aanbod. Betrokkene is het niet eens met het nieuwe trajectplan en weigert de hormonale libidoremmende medicatie te slikken, omdat hij bang is voor de gezondheidsrisico’s. Op grond daarvan heeft de kliniek geconcludeerd dat over het trajectplan derhalve tussen kliniek en betrokkene geen overeenstemming te bereiken is. Hierop werd betrokkene overgeplaatst naar de afdeling langdurige forensische psychiatrische zorg en werd een longstay-plaatsing door de kliniek aangevraagd. Deze aanvraag is door de staatssecretaris van justitie niet verder in behandeling genomen, op grond van bovenvermelde onafhankelijke rapportage, opgemaakt door P. Onkenhout en B. van Giessen. De kliniek heeft echter besloten, gezien de weigerachtige houding van betrokkene ten opzichte van het aangeboden traject, de aanvraag voor een long-stay plaatsing vooralsnog te handhaven.

Duidelijk is, uit het vorenstaande en uit hetgeen de getuige-deskundige daarover ter zitting heeft gezegd, dat er tussen betrokkene en de kliniek reeds geruime tijd een impasse bestaat in het bereiken van een overeenkomst met betrekking tot de voortgang. Betrokkene wordt thans geruime tijd niet meer behandeld. Zijn enige keus is het accepteren van het door de kliniek aangeboden trajectplan, mede inhoudende (levenslang) gebruik van libidoremmende medicatie.

Uit de stukken blijkt dat gebruik van dergelijke hormonale medicatie, gezien de diabetes waar betrokkene aan lijdt, grote gezondheidsrisico’s met zich mee kan brengen. Opmerkelijk is dat de kliniek in haar bovenvermelde brief aan het hof van 21 februari 2008 deze gezondheidsrisico’s voor het eerst erkent en benoemt als een feitelijk beletsel voor deze optie, terwijl in de achterliggende jaren het niet tot stand komen van een overeenkomst tot resocialisatie werd verweten aan betrokkene die steeds grote aversie had tegen hormonale libidoremmers vanwege de in zijn geval grote gezondheidsrisico’s. Niet onbegrijpelijk is dat betrokkene ervaart dat aan hem voorwaarden worden gesteld waaraan hij redelijkerwijs niet kan voldoen.

Op de vooromschreven wijze is er, ook naar het oordeel van de kliniek, een patstelling ontstaan tussen betrokkene en de kliniek.

Mede op basis van de eerdergenoemde rapportage van de psychiater Onkenhout en de psycholoog van Giessen moet een resocialisatietraject voor betrokkene nog steeds als een reële optie worden gezien. Gezien het feit dat de kliniek niets ziet in een tweede resocialisatiepoging acht het hof het zeer aangewezen dat betrokkene zo spoedig mogelijk door overplaatsing of ruiling naar een andere kliniek gaat teneinde opnieuw een resocialisatietraject te (kunnen) starten. Gelet op de onaanvaardbaar grote vertraging die inmiddels in de behandeling van betrokkene is ontstaan gaat het hof ervan uit dat de kliniek met zeer grote voortvarendheid plaatsing van betrokkene in een andere kliniek zal initiëren.

Beslissing:

Het hof:

Vernietigt de beslissing van de rechtbank te Arnhem van 6 oktober 2006 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde.

Verlengt de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar.

Aldus gedaan door

mr Stikkelbroeck als voorzitter,

mrs Bartelds en Besier als raadsheren,

en drs Poll en dr Van Kordelaar als raden,

in tegenwoordigheid van mr Janssen als griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2008.

Mrs Bartelds en Besier en de raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.