Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BC7420

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
21-02-2008
Datum publicatie
21-03-2008
Zaaknummer
104.007.974
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling ingevolge imperatieve afwijzingsgrond van art. 288 lid 2 onder de Fw. (nieuw).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Rechtsbijstand en schuldhulpverlening 2008/206
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

21 februari 2008

eerste civiele kamer

zaaknummer 104.007.974

rekestnummer (oud) 2007/1484

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

procureur: mr. P.M. Wilmink.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1 Bij vonnis van de rechtbank Almelo van 29 november 2006 is appellant (hierna te noemen: [appellant]) op eigen aangifte in staat van faillissement verklaard, waarbij tot rechter-commissaris is benoemd mr. A.E. Zweers en tot curator is aangesteld mr. H. Aarnink te Enschede.

1.2 Bij vonnis van de rechtbank Almelo van 4 december 2007 is het verzoek van [appellant] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling onder gelijktijdige opheffing van zijn faillissement afgewezen. Het hof verwijst naar dit vonnis, dat in fotokopie aan dit arrest is gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij ter griffie van het hof op 12 december 2007 per fax en op 13 december 2007 per gewone post ingekomen verzoekschrift is [appellant] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis van 4 december 2007 en heeft hij het hof verzocht dit vonnis te vernietigen en alsnog te bepalen dat zijn faillissement wordt opgeheven en hem alsnog toe te laten tot de schuldsaneringsregeling.

2.2 Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift en de daarbij behorende stukken, van de brief met bijlagen van 29 januari 2008 van de curator, alsmede van de brief met bijlagen van 5 februari 2008 van de procureur.

2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 februari 2008, waarbij [appellant], vergezeld door zijn ex-echtgenote [A.], is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. M. Wullink te, advocaat te Enschede. De curator is eveneens verschenen.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1 De rechtbank heeft het verzoek van [appellant] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling onder gelijktijdige opheffing van zijn faillissement afgewezen, omdat [appellant] op 12 april 2000 samen met zijn toenmalige echtgenote [A.] is toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, die bij vonnis van die rechtbank van 17 juni 2003 is beëindigd met een schone lei, hoewel volgens de rechtbank [appellant] en [A.] waren tekortgeschoten in de nakoming van een aantal verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling. De rechtbank acht het verloop van deze schuldsaneringsregeling reeds voldoende grond om het verzoek van [appellant] af te wijzen, maar is daarnaast van oordeel dat aan [appellant] een verwijt moet worden gemaakt van het ontstaan en onbetaald laten van zijn huidige schuldenlast.

3.2 [appellant] kan zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen en heeft in zijn beroepschrift enkele overwegingen uit het vonnis van de rechtbank van 17 juni 2003, waarin hem de schone lei werd verleend, bestreden en heeft voorts een voorlopig erkende schuld in zijn faillissement aan [...] van € 14.219,24 (gedeeltelijk) betwist. Hij wijst er op dat hij momenteel als timmerman in loondienst is en dat de curator heeft verklaard dat hij de curator in staat stelt de taak van curator op goede wijze uit te oefenen.

3.3 Het hof is van oordeel dat het verzoek van [appellant] reeds moet worden afgewezen op grond van artikel 288 lid 2 onder d van de Faillissementswet, zoals dit per 1 januari 2008 is komen te luiden. Het enkele feit dat minder dan tien jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend ten aanzien van [appellant] de schuldsaneringsregeling van toepassing is geweest en geen sprake is van de in dit artikel opgesomde uitzonderingsbepalingen, levert voor het hof immers een imperatieve afwijzingsgrond op.

3.4 Het hoger beroep faalt mitsdien en het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Almelo van 4 december 2007.

Dit arrest is gewezen door mrs. Knottnerus, Van der Pol en Van der Weij en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 februari 2008. Bij afwezigheid van de voorzitter is dit arrest ondertekend door mr. Van der Pol.