Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BC7361

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
28-02-2008
Datum publicatie
21-03-2008
Zaaknummer
06/00428
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2009:BG6464, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2009:BG6464
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting.

Onttrekking perceel voor bouw tweede bedrijfswoning valt niet onder de landbouwvrijstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2008-0690
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belasting

nummer 06/00428

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X, gevestigd te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 25 september 2006, nummer AWB 06/2509, in het geding tussen belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/P (hierna: de Inspecteur)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende is voor het jaar 2003 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 75.843.

1.2 Bij uitspraak van de Inspecteur van 15 maart 2006 is het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 25 september 2006 ongegrond verklaard.

1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Het beroepschrift is ter griffie ontvangen op 31 oktober 2006 en aangevuld op 19 december 2006. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5 Bij brief van 26 november 2007 heeft belanghebbende nadere stukken ingezonden aan het Hof. Afschriften daarvan zijn aan de Inspecteur gezonden.

1.6 De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 6 december 2007 te Arnhem. Daarbij is de Inspecteur verschenen en gehoord. Belanghebbende is met kennisgeving aan het Hof niet verschenen.

1.7 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. De vaststaande feiten

Het Hof stelt de volgende feiten vast.

2.1 Belanghebbende drijft in het jaar 2003 als zelfstandig ondernemer in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) een agrarische onderneming.

2.2 Per 1 oktober 2003 heeft belanghebbende een perceel grond ter grootte van 0.14.00 hectare (hierna: de grond) overgebracht van het ondernemingsvermogen naar zijn privévermogen met het oogmerk deze grond te gebruiken voor de bouw van een tweede bedrijfswoning.

2.3 In oktober 2003 heeft een minnelijke taxatie van de grond plaatsgevonden door de heer A, taxateur van de Belastingdienst/P en de heer B, makelaar-taxateur CRMT en gecertificeerd WOZ-taxateur.

In het taxatierapport is onder meer vermeld:

"(…)

Gevraagd wordt:

? waarde van het getaxeerde in vrij opleverbare staat, per 1 oktober 2003;

? de WEVAB van getaxeerd ondergrond/tuin per gelijke datum;

Taxatie:

Rekening houdende met het vorenstaande en verder met alle voor de waardebepaling van belang zijnde factoren, wordt de vrije waarde in het economisch verkeer, bij voortgezet agrarisch gebruik, van de vooromschreven onroerende zaak door ondergetekenden als volgt vastgesteld:

? Als grasland op postzegel, ca. 1400 m2 € 9.000,00

? Als ondergrond tuin/bedrijfswoning, ca. 1.400 m2 € 80.000,00

Met betrekking tot voormelde ondergrond/tuin, ca. 1.400 m2, wordt door ondergetekenden geen verschil geconstateerd in de Waarde Economisch Verkeer (WEV) ten opzichte van de Waarde Economisch Verkeer Agrarische Bestemming (WEVAB).

De waarde WEV is gelijk aan de WEVAB.

(...)"

2.4 Belanghebbende heeft aangifte gedaan voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2003 van een inkomen uit werk en woning van € 20.085. Bij de aangifte heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld dat bij de overbrenging van de grond geen belastbare winst is ontstaan.

2.5 In afwijking van de aangifte heeft de Inspecteur op 24 november 2005 een definitieve aanslag inkomstenbelasting/premievolksverzekeringen 2003 opgelegd waarbij het inkomen uit werk en woning is verhoogd met een bedrag van € 71.000. Rekening houdend met verliesverrekening tot een bedrag van € 15.242, heeft dit geleid tot een aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 75.843.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 Tussen partijen is in geschil of het verschil tussen de getaxeerde waarde van de grond als grasland en de waarde als ondergrond/tuin voor een bedrijfswoning, zijnde € 71.000, onder de werking van de landbouwvrijstelling als bedoeld in artikel 3.12, eerste lid, van de Wet IB 2001 valt. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend.

3.2 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan is namens de Inspecteur ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.3 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot vermindering van de aanslag tot een aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (na verliesverrekening) van, naar het Hof begrijpt, € 4.843.

3.4 De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 In zijn brief van 26 november 2007 heeft belanghebbende aangegeven vast te houden aan al hetgeen in de procedure tot nu toe naar voren is gebracht.

4.2 De Rechtbank heeft geoordeeld dat de grond ten tijde van de onttrekking bestemd was om te dienen als bouwperceel voor de tweede bedrijfswoning. Het arrest van de Hoge Raad van 7 mei 1997, nr. 32 097, BNB 1997/236, brengt mee, aldus de Rechtbank, dat de grond op dat moment niet meer wordt aangewend in het kader van een landbouwbedrijf en dat de waardeverandering van de grond die is toe te rekenen aan de bestemmingswijziging van grasland naar bouwland, niet onder de landbouwvrijstelling valt.

4.3 Het Hof sluit zich bij dit oordeel aan en maakt de daartoe door de Rechtbank gebezigde gronden tot de zijne. Het Hof voegt hieraan toe dat de Hoge Raad in de arresten van 7 mei 2004 met betrekking tot de toepassing van de landbouwvrijstelling, de in het arrest van 7 mei 1997 uitgezette lijn heeft bevestigd.

4.4 Belanghebbende beroept zich in hoger beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel dan wel enig ander beginsel van behoorlijk bestuur, doordat de Inspecteur het beleid zoals dat in het Besluit van 8 maart 2006, nr. CPP 2005/338M, BNB 2006/197, is neergelegd, niet heeft toegepast.

4.5 Naar het oordeel van het Hof is van schending van het gelijkheidsbeginsel geen sprake. In dat verband acht het Hof aannemelijk – hetgeen door de Inspecteur is gesteld en door belanghebbende ook niet is weersproken – dat na het hiervoor genoemde arrest van 7 mei 1997 door de Belastingdienst een beleid wordt gevoerd dat inhoudt, dat bij overbrenging van een bouwkavel van het ondernemingsvermogen naar het privé-vermogen, het verschil tussen de waarde in het economische verkeer en de waarde in het economische verkeer bij voortgezet gebruik voor agrarische doeleinden (WEVAB) als belaste bestemmings-wijzigingswinst moet worden aangemerkt. Voor de ondergrond van bestaande bedrijfswoningen gold dit beleid echter niet. Sinds de hiervoor bedoelde arresten van de Hoge Raad van 7 mei 2004 stelt de staatssecretaris zich op het standpunt dat ook ter zake van de ondergrond van bestaande woningen de landbouwvrijstelling slechts van toepassing is op het verschil tussen de boekwaarde en de WEVAB van de grond direct voorafgaand aan de bestemming tot ondergrond van de woning. Immers niet goed valt in te zien, aldus de staatssecretaris, waarom de ondergrond van een nog te bouwen woning anders zou moeten worden behandeld dan die van een bestaande woning. Om de gevolgen van deze standpuntwijziging te verzachten is de in het Besluit opgenomen overgangsregeling getroffen. Nu voor bouwkavels geen sprake was van een beleidswijziging, was er ook geen aanleiding om voor deze categorie een bijzondere regeling te treffen. Reeds hierom is naar het oordeel van het Hof geen sprake van feitelijk en rechtens gelijke gevallen.

4.6 Van schending van enig ander beginsel van behoorlijk bestuur is het Hof niet gebleken.

4.7 Voor zover belanghebbende zich ook in hoger beroep op het standpunt stelt dat sprake is geweest van ruiling van gronden, sluit het Hof zich aan bij het oordeel van de Rechtbank dat dit standpunt niet kan worden gevolgd nu dit op geen enkele wijze met bewijsstukken is onderbouwd.

4.8 Het hoger beroep is derhalve ongegrond.

5. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is op 28 februari 2008 gedaan door mrs. R.F.C. Spek, voorzitter, J.P.M. Kooijmans en J. van de Merwe, raadsheren. De beslissing is op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.

De griffier is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen.

De voorzitter,

(R.F.C. Spek)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 12 maart 2008.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.