Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BC6676

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
28-01-2008
Datum publicatie
13-03-2008
Zaaknummer
2007/1397 en 2007/1398
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging afwijzing verzoek toepassing schuldsaneringsregeling. Art. 288 lid 2 onder d Fw. vormt ten aanzien van de man dwingende afwijzingsgrond. Voorts is niet aannemelijk geworden dat de vrouw ten aanzien van de genoemde schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest (art. 288 lid 1 sub b Fw.).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

28 januari 2008

eerste civiele kamer

rekestnummer 2007/1397 en 2007/1398

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellant sub 1],

en

[appellante sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,

procureur: mr. B.J. Schadd.

1 Het geding in eerste aanleg

Bij vonnissen van de rechtbank Almelo van 6 november 2007 zijn de verzoeken van appellanten (hierna te noemen: [appellanten]) tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen. Het hof verwijst naar voornoemde vonnissen, die in fotokopie aan dit arrest zijn gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij ter griffie van het hof op 14 november 2007 ingekomen verzoekschriften zijn [appellanten] in hoger beroep gekomen van voornoemde vonnissen en hebben zij het hof verzocht deze vonnissen te vernietigen en ten aanzien van hen de schuldsaneringsregeling van toepassing te verklaren.

2.2 Het hof heeft kennisgenomen van de verzoekschriften en de daarbij behorende stukken, alsmede van de brieven met bijlagen van 20 november 2007 van de advocaat van [appellante sub 2], mr. M.P. Smit te Almelo.

2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 januari 2008, waarbij [appellanten], vergezeld door hun meerderjarige dochter, zijn verschenen in persoon, bijgestaan door mr. Smit voornoemd.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1 Uit de stukken en het verhoor ter zitting is gebleken dat [appellanten] met elkaar gehuwd zijn geweest, in augustus 2000 zijn gescheiden en na circa vier jaar weer (ongehuwd) zijn gaan samenwonen en samen met twee van hun vier kinderen weer een gezin vormen. Hun gezamenlijke schuldenlast bedraagt € 6.704,29 en bestaat uit een schuld aan Morres Meubelbedrijven van € 6.422,29 en een schuld aan Cogas van € 282,-. Daarnaast heeft [appellant sub 1] onder meer nog een schuld aan de Finata bank van € 29.744,82 en aan Tarkett Benelux van € 8.658,24 en heeft [appellante sub 2] nog schulden aan onder meer ABN AMRO van in totaal € 6.051,73, aan Menzis van € 1.287,89, aan Wehkamp van € 4.000,12, aan IDM/Interbank Desk van € 5.154,85 en aan Laser Services van € 2.168,02. Tevens is gebleken dat het gezinsinkomen bestaat uit een WAO-uitkering van [appellante sub 2], die exclusief vakantiegeld ongeveer € 1.100,- netto per maand bedraagt, te vermeerderen met heffingskortingen van ongeveer € 170,- per maand.

3.2 De rechtbank heeft het verzoek van [appellant sub 1] afgewezen omdat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die maken dat de afwijzingsgrond als gevolg van het feit dat in de tien jaar voorafgaand aan het onderhavige verzoek al eerder een schuldsaneringsregeling (en een faillissement) op [appellant sub 1] van toepassing is geweest, gepasseerd kan worden. De rechtbank heeft hierbij - kort samengevat - overwogen dat [appellant sub 1] niet alleen de uit de eerdere schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren is nagekomen, maar ook dat hij zijn schuldenlast tijdens zijn faillissement heeft laten oplopen door andermaal een lening ten behoeve van zijn zwager af te sluiten. De zwager was al eerder in gebreke gebleven met de terugbetaling van een eerder door [appellant sub 1] ten behoeve van die zwager aangegane geldlening, als gevolg waarvan [appellant sub 1] zelf in financiële problemen was geraakt. Voorts verwijt de rechtbank [appellant sub 1] dat hij samen met [appellante sub 2] in 2005, toen hij na de opheffing van zijn faillissement nog altijd in een uitzichtloze schuldensituatie verkeerde, op afbetaling meubelen heeft gekocht bij Morres Meubelen, terwijl hij wist, althans had behoren te beseffen, dat hij deze niet zou kunnen terugbetalen.

De rechtbank heeft het verzoek van [appellante sub 2] afgewezen omdat zij ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van een deel van haar schuldenlast niet te goeder trouw is geweest, nu zij goederen op afbetaling heeft gekocht en geld heeft geleend op een moment waarop zij bij ABN AMRO al aanzienlijke verplichtingen had en weer was gaan samenwonen met [appellant sub 1], die ook een aanzienlijke schuldenlast had en zelf geen inkomen had.

3.3 [appellanten] kunnen zich met de vonnissen van de rechtbank niet verenigen. [appellant sub 1] stelt dat hij, toen hij in oktober 2001 werd toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, jarenlang erg veel financiële problemen had gekend die uiteindelijk, samen met het stuklopen van het huwelijk met [appellante sub 2], hebben geleid tot lichamelijke en psychische klachten. Hierdoor is hij thans volstrekt kansloos op de arbeidsmarkt, te meer nu hij nauwelijks een opleiding heeft genoten en analfabeet is. [appellant sub 1] is ernstig gedupeerd door zijn zwager en zuster, die, nadat zij hadden toegezegd de financiële zaken voor [appellant sub 1] recht te zetten, zelf failliet werden verklaard. Het grootste deel van de schuldenlast is ouder dan vijf jaar terwijl de recentere schulden zijn ontstaan door valse informatie van zijn zus en zwager. [appellant sub 1] meent dat hieraan geen zwaarwegende betekenis moet worden toegekend, omdat sprake is van een sterk verminderde verwijtbaarheid. [appellant sub 1] meent dat de rechtbank te weinig waarde heeft gehecht aan de positieve veranderingen in zijn omstandigheden.

[appellante sub 2] stelt dat door de lichamelijke en geestelijke achteruitgang van [appellant sub 1] haar huwelijk met [appellant sub 1] op de klippen is gelopen. [appellante sub 2] is daarnaast zelf ook door een diep dal gegaan, is voor 80-100% arbeidsongeschikt verklaard en moet al jarenlang van een minimuminkomen rondkomen. Zij heeft te gemakkelijk geld kunnen lenen voor noodzakelijke aanschaffingen. Aanvankelijk kon zij nog aan haar aflossingsverplichtingen voldoen maar uiteindelijk werd het ene gat met het andere gevuld. Toen het contact met [appellant sub 1] weer toenam en de ouders van [appellant sub 1] hadden aanboden financieel bij te springen, zagen [appellanten] licht aan het einde van de tunnel. Zij hebben na al die magere jaren met hulp van de ouders van [appellant sub 1] nieuw meubilair, een televisie en een wasmachine aangeschaft. In verband met het bereiken van de leeftijd van 65 jaar moesten de ouders van [appellant sub 1] rondkomen van een AOW-uitkering en konden zij niet langer meebetalen aan de maandelijkse termijnen bij Morres Meubelen en Laser Services, zodat deze verplichtingen daarna geheel voor rekening van [appellanten] kwamen.

Zonder toelating tot de schuldsaneringsregeling zullen [appellanten] nooit meer uit de schulden komen. Hoewel nog wat vroeg ziet [appellante sub 2] er naar uit om weer aan het werk te gaan en de schuldsaneringsregeling tot een goed einde te brengen. Naar haar mening heeft de rechtbank teveel gewicht gelegd op de laatstelijk ontstane schulden en te weinig aandacht besteed aan de positieve ontwikkelingen van de laatste tijd. [appellant sub 1] stelt dat hij de laatste tijd veel heeft gesolliciteerd en zich heeft laten inschrijven bij verschillende uitzendbureaus. [appellanten] zijn sinds januari 2007 in budgetbeheer bij de Stadsbank, waar inmiddels een bedrag van € 1.000,- is gereserveerd voor de voldoening van de schulden. Zij hopen dat zij, nadat zij beiden werk hebben gevonden, de betaling van hun schulden weer normaal kunnen hervatten totdat deze schulden volledig zijn voldaan. Zij zien de toelating tot de schuldsaneringsregeling daarom als een tijdelijke maatregel.

3.4 Het hof is van oordeel dat het verzoek van [appellant sub 1] op grond van het bepaalde in artikel 288 lid 2 onder d van de Faillissementswet (Fw.), zoals dat per 1 januari 2008 is gaan gelden, moet worden afgewezen. [appellant sub 1] is immers op 16 oktober 2001, derhalve minder dan tien jaar voorafgaand aan de dag dat zijn verzoek is ingediend (17 juli 2007), toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, die op 2 juli 2002 tussentijd is beëindigd en waarna [appellant sub 1] van rechtswege in staat van faillissement is komen te verkeren. Gelet op deze uit de wet voortvloeiende imperatieve afwijzingsgrond behoeft het ter zitting opgeworpen verweer, dat de schuld aan Morres Meubelen alleen op naam van [appellante sub 2] zou staan, geen nadere bespreking.

Ten aanzien van [appellante sub 2] is het hof van oordeel, dat niet aannemelijk is geworden dat zij ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van haar schuld aan Morres Meubelen en de in 2006 ontstane schuld aan Laser Services, in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoek om toelating tot de schuldsaneringsregeling is ingediend (17 juli 2007) te goeder trouw is geweest, zodat ook haar verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling moet worden afgewezen. Het verweer van [appellante sub 2] dat haar schoonouders door het bereiken van hun AOW-leeftijd niet langer in staat waren mee te betalen aan de maandelijks termijnen van deze schulden, gaat naar het oordeel van het hof niet op, nu het bereiken van de 65-jarige leeftijd van haar schoonouders en de daarmee gepaard gaande inkomensterugval een voor alle betrokken partijen voorzienbare omstandigheid was, waarmee bij het aangaan van de schulden aan Morres Meubelen en Laser Services rekening gehouden had moeten worden. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het verzoek van [appellante sub 2] desondanks zou moeten worden toegewezen, is onvoldoende gebleken.

3.5 Alles overziende is het hof van oordeel dat het hoger beroep faalt. De vonnissen waarvan beroep zullen worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank Almelo van 6 november 2007.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van der Pol, Smeeïng-van Hees en Van Rossum en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 januari 2008.