Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BC6673

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
21-01-2008
Datum publicatie
13-03-2008
Zaaknummer
2007/1369
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling. Niet aannemelijk dat alimentatieschuld in de vijf jaar voorafgaand aan de dag van het toelatingsverzoek te goeder trouw is ontstaan en onbetaald gelaten (art. 288 lid 1 sub b Fw). Bovendien niet aannemelijk dat schuldenaar de verplichtingen naar behoren zal nakomen in verband met de lopende alimentatieverplichtingen (art. 288 lid 1 sub c Fw).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

21 januari 2008

eerste civiele kamer

rekestnummer 2007/1369

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

procureur: mr. P.A.C. de Vries.

1 Het geding in eerste aanleg

Bij vonnis van de rechtbank Almelo van 30 oktober 2007 is het verzoek van appellant (hierna te noemen: [appellant]) tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen. Het hof verwijst naar voornoemd vonnis, dat in fotokopie aan dit arrest is gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij ter griffie van het hof op 7 november 2007 ingekomen verzoekschrift is [appellant] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis en heeft hij het hof verzocht dit vonnis te vernietigen en hem alsnog toe te laten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.

2.2 Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift en de daarbij behorende stukken, alsmede van brieven met bijlagen van 8 en 10 januari 2008 van de procureur.

2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 januari 2008, waarbij [appellant] is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. L. de Widt, advocaat te Almelo.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1 Uit de stukken en het verhoor ter zitting is gebleken dat [appellant] een 30-jarige gescheiden man is die thans ongehuwd samenwoont met [A.], met wie hij samen met hun twee kinderen van respectievelijk circa 10 maanden en 3 jaar oud, een gezin vormt. Zijn schuldenlast bedraagt circa € 21.000,- en bestaat onder meer uit een schuld aan het LBIO van € 8.435,71 wegens achterstallige alimentatie voor zijn dochter uit zijn huwelijk met [B.], een schuld aan DMO Gemeente [woonplaats] van € 1.679,37 wegens ontvangen leenbijstand, schulden aan ABN AMRO van in totaal € 4.105,05, gemeentelijke belastingschulden over 2003 tot en met 2006 van in totaal € 1.592,03 en een schuld aan Laser Services van € 4.531,06. Voorts is gebleken dat [appellant] een inkomen uit dienstbetrekking heeft van ongeveer € 1.200,- netto per maand en dat hij daarnaast een bedrag van circa € 250,- per maand aan belastingteruggaven ontvangt. [appellant] en [A.] zijn sinds juni 2006 in budgetbeheer bij de Stadsbank Oost Nederland. Bij tussenvonnis van de rechtbank Arnhem van 30 oktober 2007 heeft de rechtbank overwogen dat [A.] wèl zal worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling als zij de rechtbank tijdig schriftelijk bericht dat zij haar verzoek handhaaft.

3.2 De rechtbank heeft het verzoek van [appellant] om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen, omdat, kort gezegd, gegronde vrees bestaat dat [appellant] zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zal nakomen en hij bovendien ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van zijn schuld aan het LBIO niet te goeder trouw is geweest. De rechtbank baseert de gegronde vrees op de vaststelling dat er een voortdurende verplichting tot het betalen van kinderalimentatie bestaat en [appellant] heeft verklaard dat hij de vastgestelde bijdrage niet kan betalen, zodat tijdens de schuldsaneringsregeling nieuwe schulden zullen ontstaan. Het opnemen van de kinderalimentatie in het budgetplan biedt evenmin een oplossing, nu het nog vrij beschikbare budget van € 150,- onvoldoende is om de kinderalimentatie van € 200,- per maand te kunnen voldoen. De rechtbank acht bovendien het handelen van [appellant], te weten het stoppen van [appellant] met de betaling van de kinderalimentatie omdat hij zijn dochter niet meer mocht zien, zeer verwijtbaar.

3.3 [appellant] kan zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen en stelt dat de reden dat hij de kinderalimentatie niet heeft voldaan in hoofdzaak te verklaren is uit het feit dat zijn draagkracht daartoe onvoldoende was en hij niet wist dat de mogelijkheid bestaat de rechtbank om nihilstelling van zijn alimentatieverplichting te verzoeken. Hij wijst er in dit verband op dat hij de eerste vier maanden na de echtscheiding in 2002, de alimentatie gewoon heeft voldaan, terwijl hij - conform afspraak - zijn dochter toen ook niet mocht zien omdat het gezin weer tot rust moest komen na alle verwikkelingen rond de echtscheiding. Ook heeft hij, nadat de omgangsregeling steeds moeizamer ging verlopen, een tijd lang de alimentatie gewoon doorbetaald. Pas nadat hij in 2004 werkloos was geworden en gedurende een periode geen uitkering ontving en daardoor de kinderalimentatie helemaal niet meer kon voldoen, heeft zijn ex-echtgenote de omgangsregeling stopgezet. [appellant] stelt dat hij na zijn ontslagname in 2004 geen uitkering heeft aangevraagd omdat het CWI hem toen meedeelde dat de beslissing op een dergelijke aanvraag zeker drie maanden op zich zou laten wachten. [appellant] heeft, om te kunnen rondkomen, steeds zo nu en dan wat losse werkzaamheden verricht en kreeg daarnaast ook hulp van zijn moeder. Hij heeft er niet bij stilgestaan dat hij eventueel recht zou kunnen hebben op een (aanvullende) WWB-uitkering. Zijn advocaat heeft inmiddels een verzoekschrift voorbereid om de alimentatie met terugwerkende kracht op nihil te stellen dan wel te verminderen. Dit verzoekschrift zal deze week bij de rechtbank worden ingediend . Bij de beoordeling van dat verzoek zal, naast het relatief bescheiden inkomen van [appellant], ook een rol spelen dat hij thans zorg dient te dragen voor zijn twee kinderen uit de relatie met [A.], zodat aannemelijk is dat zijn verzoek door de rechtbank zal worden toegewezen. In dat geval zullen er geen nieuwe schulden ontstaan. Mocht bij [appellant] wel enige draagkracht mocht worden vastgesteld, dan zal deze gelijkelijk verdeeld moeten worden over de drie kinderen en zal hij ook overgaan tot betaling van de kinderalimentatie.

3.4 Het hof is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de alimentatieschuld aan het LBIO in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop hij bij de rechtbank het toelatingsverzoek heeft ingediend (20 augustus 2007) te goeder trouw is geweest. [appellant] heeft immers, nadat hij in 2004 werkloos was geworden, hoewel hij een alimentatieverplichting had, volgens zijn verklaring ter zitting geen uitkering aangevraagd en heeft evenmin stappen ondernomen om zijn alimentatieverplichting door de rechtbank op grond van een nieuwe inkomenssituatie opnieuw tegen het licht te laten houden. Bovendien is niet aannemelijk geworden dat [appellant] zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen, nu zijn huidige beschikbare budget onvoldoende is om aan de lopende alimentatieverplichtingen te voldoen, zodat direct na aanvang van de schuldsaneringsregeling nieuwe schulden zullen ontstaan. De alimentatieverplichting van [appellant] zal derhalve dan ook eerst verminderd of op nihil gesteld moeten worden, voordat toepassing tot de wettelijke schuldsaneringsregeling enige kans van slagen heeft.

3.5 Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het verzoek desondanks zou moeten worden toegewezen, is onvoldoende gebleken. Alles overziende is het hof van oordeel dat het hoger beroep faalt. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Almelo van 30 oktober 2007.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Rossum, Smeeïng-van Hees en Mannoury en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 januari 2008.