Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BC6283

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
28-02-2008
Datum publicatie
11-03-2008
Zaaknummer
06-00519
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Motorrijtuigenbelasting.

Belastingplichtige heeft geen recht op vrijstelling omdat registratie van voertuig in het buitenland niet aannemelijk is geworden en evenmin dat belastingplichtige zijn hoofdverblijf in het buitenland had.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belasting

nummer 06/00519

tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X (hierna: belanghebbende) te Z (Frankrijk)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank) van 14 november 2006, nummer AWB 06/2591, in het geding tussen belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratie/Autoheffingen (hierna: de Inspecteur)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is over het tijdvak 18 november 2001 tot en met 17 november 2002 een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting opgelegd ten bedrage van € 865 alsmede, bij beschikking, een boete van € 865.

1.2. Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar is belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaren tegen de naheffingsaanslag en de boeteschikking.

1.3. Bij haar uitspraak van 14 november 2006 heeft de Rechtbank het door belanghebbende inge-stelde beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd en de bezwaren ongegrond verklaard. Voorts heeft de Rechtbank gelast dat de Staat aan belanghebbende het door hem gestorte griffierecht van € 37 vergoedt.

1.4. Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. De In-specteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Ter zitting van 18 januari 2008 te Arnhem zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. Vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende was van 8 mei 2002 tot en met 30 juni 2003 in het Nederlandse bevol-kingsregister ingeschreven op het adres a-straat 1 te Q.

2.2. Op 18 november 2002 was belanghebbende betrokken bij een aanrijding op een voor het openbaar verkeer openstaande weg in R. Hij was toen bestuurder van een motorrijtuig, merk A, dat voorzien was van het Nederlandse kenteken AA-00-BB (verder: het motorrijtuig).

2.3. Blijkens het door een hoofdagent van politie opgemaakte proces-verbaal van aanrijding van 18 november 2002 beschikte belanghebbende over een Nederlands rijbewijs. Het proces-verbaal vermeldt als woonadres van belanghebbende a-straat 1, 1234 AB, Q, als verzekerings-maatschappij B Schadeverzekering NV en als eigenaar van het motorrijtuig C te R. De hoofd-agent heeft blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal deel I van het kentekenbewijs inge-vorderd en verzonden aan de RDW.

2.4. De registratie van het kenteken van het motorrijtuig bij de RDW is op 2 november 1995 wegens export beëindigd.

2.5. Blijkens de tot de stukken behorende opgave van D Assuradeuren (bijlage bij het verweer-schrift in eerste aanleg) is de aanvraag van de verzekering van het motorrijtuig op 16 april 1997 ondertekend door belanghebbende. Als aanvrager is opgegeven E te R. De verzekering is van kracht geweest van 16 april 1997 tot 19 november 2002. De verzekering is niet tussentijds onder-broken of geschorst.

2.6. De Inspecteur heeft op de voet van artikel 34 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hier en hierna: tekst 2002, hierna te noemen: de Wet) de belasting nageheven.

3. Geschil, standpunten en conclusies van partijen

3.1. In hoger beroep is in geschil of terecht motorrijtuigenbelasting is nageheven en in verband daarmee terecht een boete is opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil of belanghebbende terecht aanspraak maakt op de vrijstelling van artikel 73 van de Wet.

3.2. Elk van de partijen heeft voor haar standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van haar afkomstige stukken. Voor hetgeen partijen daaraan ter zitting hebben toegevoegd, verwijst het Hof naar het aangehechte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraken van de Inspecteur, ontvankelijkverklaring van zijn bezwaren en vernieti-ging van de naheffingsaanslag en boetebeschikking.

3.4. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Gelet op de onder 2. vermelde feiten en omstandigheden, heeft de Rechtbank naar het oordeel van het Hof terecht geoordeeld dat belanghebbende ten tijde van de constatering van het gebruik van de weg op 18 november 2002 op grond van het bepaalde in artikelen 7, eerste lid, onderdeel b, en 9 van de Wet kan worden aangemerkt als houder van het motorrijtuig en dat van hem in die hoedanigheid op grond van artikel 1, aanhef en onderdeel a, van de Wet belasting kan worden geheven.

4.2. Voor zover belanghebbende zich te dezen beroept op de vrijstelling van artikel 73 van de Wet, overweegt het Hof als volgt. Op grond van het bepaalde in artikel 73 van de Wet wordt, onder algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen, vrijstelling verleend wanneer het motorrijtuig in het buitenland is geregistreerd en in Nederland feitelijk ter beschikking staat van een natuurlijk persoon die zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft.

4.3. Belanghebbende maakt ook in hoger beroep niet aannemelijk dat het motorrijtuig ten tijde van de constatering van het gebruik van de weg in Nederland, in Frankrijk of in enig ander land buiten Nederland was geregistreerd. Dat belanghebbende, zoals hij stelt, ter verkrijging van een registratie in Frankrijk het motorrijtuig op dat moment reeds technisch had laten keuren maakt dit niet anders. Het verricht hebben van handelingen ter verkrijging van een registratie is niet gelijk te stellen met een registratie. Belanghebbendes beroep op de vrijstelling van artikel 73 van de Wet faalt reeds daarom.

4.4. Tegenover de betwisting door de Inspecteur maakt belanghebbende voorts onvoldoende omstandigheden aannemelijk op grond waarvan moet worden geoordeeld dat hij zijn hoofdver-blijfplaats op 18 november 2002 reeds in het buitenland had. Het enkel hebben van een geldige verblijfsvergunning voor Frankrijk brengt niet noodzakelijkerwijs mee dat belanghebbende eveneens aldaar hoofdverblijf had.

4.5. Nu belanghebbende de belasting niet heeft betaald en hij niet in aanmerking komt voor een vrijstelling, heeft de Inspecteur de belasting terecht op de voet van artikel 34 van de Wet nageheven. Op grond van het bepaalde in artikel 37 van de Wet kan in dat geval tevens een verzuimboete worden opgelegd. Het Hof is van oordeel dat in de omstandigheden van het geval, te weten het gebruikmaken van de weg met een motorrijtuig waarvoor geen geldige registratie in enig ander land dan Nederland kan worden getoond door een houder die zijn hoofdverblijf in Nederland had, de door de Inspecteur opgelegde boete passend en geboden is.

5. Slotsom

Het hoger beroep is ongegrond.

6. Kosten

Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht vindt het Hof geen termen aanwezig.

7. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan te Arnhem op 28 februari 2008 door mr. J.B.H. Röben, voorzitter, mr. N.E. Haas en mr. C.M. Ettema. De beslissing is op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken in tegenwoordig-heid van drs. V.F.R. Woeltjes als griffier.

De Griffier, De voorzitter,

(V.F.R. Woeltjes) (J.B.H. Röben)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 29 februari 2008.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

postbus 20303, 2500 EH Den Haag

(bezoekadres: Kazernestraat 52).

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassa-tie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.