Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BC6205

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
10-03-2008
Datum publicatie
10-03-2008
Zaaknummer
21-0001473-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitspraak van hof in de PEEN-zaak:

Verdachte heeft zich meermalen samen met anderen schuldig gemaakt aan het door middel van een internationaal transport, waarbij voor het eigenlijke vervoer telkens gebruik is gemaakt van een andere persoon, importeren en exporteren vanuit en naar het buitenland van softdrugs. Voorts heeft verdachte getracht om samen met een ander een cocaïnelijn van Zuid-Amerika naar Nederland op te zetten.

Mede door dit handelen van verdachte wordt de (groot)handel in softdrugs en harddrugs in stand gehou¬den. Verdachte heeft aldus een bijdrage geleverd aan de instandhouding van een markt voor softdrugs en harddrugs. De gezondheidsbelangen van anderen worden daardoor op het spel gezet en de maatschappij lijdt schade onder de door de gebruikers gepleegde criminele feiten.

Verdachte heeft voorts een vervalste identiteitskaart voorhanden gehad. Hij heeft aldus het vertrouwen geschonden dat in het maatschappelijk en internationaal personenverkeer in de juistheid van dergelijke documenten moet kunnen worden gesteld.

Vonnis van rechtbank Arnhem eerder gepubliceerd onder nummer: LJN BA2360

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 21-001473-07

Uitspraak d.d.: 10 maart 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Arnhem

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Arnhem van

3 april 2007 in de strafzaak tegen

verdachte,

geboren te *,

wonende te *,

thans verblijvende in PI Veenhuizen, gevangenis Bankenbosch BB te Veenhuizen.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 14 september 2007, 26 november 2007 en 25 februari 2008 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman, mr M.K. Rack, advocaat te Arnhem naar voren is gebracht.

Omvang van het hoger beroep

Door en namens verdachte is ter terechtzitting van 26 november 2007 verklaard dat hij geen rechtsmiddel heeft willen instellen tegen dat deel van het vonnis waarvan beroep waarbij hij van het onder 4 en 6a tenlastegelegde werd vrijgesproken. Het hoger beroep van verdachte blijft daarom beperkt tot dat deel van het vonnis waarvan beroep waarbij verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3, 5, 6b en 6c tenlastegelegde werd veroordeeld.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd, zoals dit in de vordering nadere omschrijving tenlastelegging is omschreven, dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2005 tot en met 9 juli 2005 te

Arnhem, Elst, gemeente Overbetuwe, Barneveld en/of (elders) in Nederland

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, althans opzettelijk

buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht als bedoeld in artikel 1

lid 5 van de Opiumwet, (ongeveer) 320 kilogram, in elk geval een grote

hoeveelheid, van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige

elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn

toegevoegd, en/of van een materiaal bevattende hennep, zijnde hasjiesj en/of

hennep, (een) middelen) als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, dan

wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

immers medeverdachte 1 heeft die hasjiesj en/of hennep in een vrachtauto (truck

met oplegger) vanuit Nederland (Arnhem) naar het buitenland (Finland)

gebracht/vervoerd,

en welk medeplegen van verdachte en/of verdachtes mededader(s) -onder meer-

hierin heeft bestaan dat verdachte en/of verdachtes mededader(s) het transport

van die hasjiesj en/of hennep hebben/heeft geregeld (-onder meer- het

benaderen/regelen van een vrachtwagenchauffeur (medeverdachte 1) en/of het

huren/aanschaffen van een truck en/of een oplegger en/of het verzorgen van een

-legale- deklading) en/of die hasjiesj en/of hennep hebben/heeft opgeslagen

en/of in die vrachtauto hebben/heeft geladen/verborgen en/of die hasjiesj

en/of hennep met bestemming naar Finland, althans naar het buitenland,

hebben/heeft vervoerd en/of ten vervoer hebben/heeft aangenomen en/of ten

vervoer hebben/heeft aangeboden;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 1 maart 2006 te

Arnhem en/of in de gemeente Montferland (grensovergang Bergh autoweg A12)

en/of te Utrecht en/of (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van

Nederland heeft gebracht, althans opzettelijk binnen het grondgebied van

Nederland heeft gebracht als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet,

(ongeveer) 86 kilogram, in elk geval een grote hoeveelheid, van een

gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep

(hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, en/of van een

materiaal bevattende hennep, zijnde hasjiesj en/of hennep, (een) middel(en)

als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens

het vijfde lid van artikel 3a van die wet, -onder meer- hierin bestaande dat

verdachte en/of verdachtes mededader(s) contact hebben/heeft gelegd en/of

onderhouden met (de) leverancier(s) van die hasjiesj en/of hennep en/of het

transport van die hasjiesj en/of hennep hebben/heeft geregeld (het

benaderen/regelen van een chauffeur (medeverdachte 2) en/of het huren/aanschaffen van

een auto en/of een bestelbus) en/of in bezit zijn/is gekomen van die hasjiesj

en/of hennep en/of die hasjiesj en/of hennep vanuit Zwitserland, Frankrijk

en/of Duitsland, althans vanuit het buitenland, in een auto (Toyota) naar

Nederland hebben/heeft vervoerd en/of (daarbij) -steeds- hebben/heeft

gecontroleerd/gekeken of de route die moest worden afgelegd (met name bij het

passeren van een grensovergang) veilig was, en/of (vervolgens in Nederland)

die hasjiesj en/of hennep uit die auto hebben/heeft geladen en/of hebben/heeft

opgeslagen in een pand (woonwagen aan de adres 2) en/of

(vervolgens) die hasjiesj en/of hennep (weer) hebben/heeft ingeladen in een

bestelbus (Mercedes) en/of die hasjiesj en/of hennep verder hebben/heeft

vervoerd in de richting van Amsterdam en/of naar een plaats elders in

Nederland;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 01 maart 2006 te Arnhem en/of Utrecht en/of (elders) in

Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een

hoeveelheid van (ongeveer) 86 kilogram, in elk geval een hoeveelheid, van meer

dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige

elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn

toegevoegd, en/of van een materiaal bevattende hennep, zijnde hasjiesj en/of

hennep, (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II,

dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij in of omstreeks de periode van de maand augustus 2005 tot en met 1 maart

2006 te Arnhem, Apeldoorn, Haarlemmermeer (Schiphol) en/of (elders) in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen,

afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland

brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde

cocaïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, in ieder

geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende enig middel als bedoeld in

de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde

lid van artikel 3a van die wet, voor te bereiden en/of te bevorderen,

een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen,

te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te

zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen

en/of zich en/of een of meer anderen gelegenheid, middelen en/of inlichtingen

tot het plegen van die/dat feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of

voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen

voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had om te vermoeden

dat zij bestemd waren tot het plegen van die/dat feit(en),

-onder meer- hierin bestaande dat verdachte en/of verdachtes mededader(s) een

of meerdere malen een reis hebben/heeft geboekt naar Panama en/of Brazilië

en/of in verband daarmee (een) vliegticket(s) hebben/heeft besteld en/of

betaald en/of naar Schiphol zijn/is gereden en/of naar Panama en/of Brazilië

zijn/is gereisd en/of (vervolgens) Panama en Brazilië hebben/heeft bezocht

en/of (aldaar) contact hebben/heeft gelegd en/of onderhouden met een of meer

personen die betrokken waren bij de handel in verdovende middelen en/of

(aldaar) een of meerdere personen hebben/heeft benaderd om verdachte en/of

verdachtes mededader(s) in contact te brengen met een of meer personen die

betrokken waren bij de handel in verdovende middelen en/of in verband daarmee

instructies en/of aanwijzingen hebben/heeft gegeven en/of (via Western Union)

geld naar rekeningen in -onder meer- Panama en/of Brazilië hebben/heeft

gestort en/of aldaar geld hebben/heeft ontvangen;

5.

hij, op een of meerdere tijdstippen, op of omstreeks 27 december 2005,

althans in of omstreeks de periode van 27 december 2005 tot en met 3 januari

2006, te Arnhem en/of (elders) in Nederland, een formulier Verklaring

vermissing reisdocument (waarop de identiteitsgegevens van betrokkene 1 waren

vermeld) en/of een formulier Aanvraag reisdocument (waarop de

identiteitsgegevens van betrokkene 1 waren vermeld) en/of een

identiteitskaart (waarop de identiteitsgegevens van betrokkene 1 waren

vermeld en/of een pasfoto van verdachte was aangebracht), - (elk) zijnde een

geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -, (telkens)

valselijk heeft opgemaakt of vervalst, (telkens) met het oogmerk om die/dat

geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen

gebruiken, door (telkens) opzettelijk valselijk en/of in strijd met de

waarheid op die/dat formulier(en) en/of die identiteitskaart een handtekening

te zetten die (telkens) moest doorgaan voor de handtekening van betrokkene 1;

althans, indien het vorenstaande onder 5 niet tot een veroordeling leidt:

hij in of omstreeks de periode van 3 januari 2006 tot en met 1 maart 2006 te

Arnhem en/of (elders) in Nederland in het bezit was van een reisdocument, te

weten een identiteitskaart op naam van betrokkene 1, waarvan hij wist of

redelijkerwijs moest vermoeden dat het reisdocument vals of vervalst was,

bestaande de valsheid of vervalsing hieruit dat op die identiteitskaart een

pasfoto van (verdachte) was aangebracht en/of op die

identiteitskaart een handtekening was gezet die moest doorgaan voor de

handtekening van die betrokkene 1;

6.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met 1 maart 2006 te

Arnhem, Apeldoorn, Elst, gemeente Overbetuwe, Barneveld en/of (elders) in

Nederland, opzettelijk heeft deelgenomen aan een of meer organisaties, te

weten:

B) een organisatie die (in/omstreeks de periode van de maand mei 2005 tot en

met 31 juli 2005) werd gevormd door (onder meer) verdachte, medeverdachte 3, medeverdachte 4, medeverdachte 5, medeverdachte 6,

medeverdachte 7, medeverdachte 1, medeverdachte 8 en/of andere

personen, welke organisatie tot oogmerk had het bereiden, bewerken, verwerken,

verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of het binnen en/of buiten het

grondgebied van Nederland brengen van middelen vermeld op de bij de Opiumwet

behorende lijst II (handel in en/of in-/uitvoer van

hasjiesj/hennep/softdrugs), althans het plegen van misdrijven,

en/of

C) een organisatie die (in/omstreeks de periode van 1 augustus 2005 tot en met

1 maart 2006) werd gevormd door (onder meer) verdachte, medeverdachte 3, medeverdachte 9, medeverdachte 2 en/of andere personen, welke

organisatie tot oogmerk had het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen,

afleveren, verstrekken, vervoeren en/of het binnen en/of buiten het

grondgebied van Nederland brengen van middelen vermeld op de bij de Opiumwet

behorende lijst I en/of II, en/of het plegen van strafbare

voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet (handel

in en/of in-/uitvoer van hasjiesj/hennep/cocaïne/harddrugs/softdrugs), althans

het plegen van misdrijven;

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 5 primair en 6 tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Met betrekking tot de vrijspraak van het onder 5 primair tenlastegelegde overweegt het hof als volgt.

Ter gelegenheid van een doorzoeking op 1 maart 2006 is in de woning van verdachte, in een vaas in de woonkamer, een identiteitskaart aangetroffen waarop de identiteitsgegevens van ene betrokkene 1 waren vermeld doch waarop een pasfoto van verdachte was aangebracht. Verdachte wordt onder het 5 primair tenlastegelegde – kort gezegd – verweten dit aangetroffen reisdocument alsmede na te melden vermissingsformulier en aanvraagformulier valselijk te hebben opgemaakt of te hebben vervalst. Naar het oordeel van het hof ontbreekt in de stukken echter het concrete bewijs voor het antwoord op de vragen wie het ‘formulier Verklaring vermissing reisdocument’ en/of het ‘formulier Aanvraag reisdocument’ heeft opgemaakt, zodat vrijspraak moet volgen, terwijl voor het opmaken van de valse identiteitskaart hooguit sprake is van doen plegen door verdachte.

Met betrekking tot de vrijspraak van het onder 6 tenlastegelegde overweegt het hof als volgt.

De vraag ligt voor of het medeplegen van verdachte aan – kort gezegd – de Finlandzaak (feit 1), de Zwitserlandzaak (feit 2) en de Zuid-Amerikazaak (feit 3) tevens diens deelname aan een tweetal criminele organisaties die tot oogmerk hebben het plegen van misdrijven oplevert.

Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend. Verdachte heeft weliswaar met meerdere personen in verschillende verbanden enkele redelijk tot goed georganiseerde feiten begaan, doch zulks levert niet a priori de deelname aan één of twee criminele organisaties op. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen, dat uit de stukken niet is gebleken dat de vermeende criminele organisaties uit de onderscheiden drie zaken tevens het oogmerk hebben gehad op het plegen van andere misdrijven.

Ten aanzien van het onder 6b tenlastegelegde zij nog opgemerkt, dat het er voorts veeleer de schijn van heeft gehad dat verdachte en enkele van zijn mededaders incidenteel hebben meegewerkt aan een bestaand verband, anders dan dat zij deel uit maakten van een criminele organisatie.

Ten aanzien van het onder 6c tenlastegelegde, wordt overwogen dat er weliswaar sprake is geweest van een medeplegen door verdachte en zijn mededader, doch dat het geheel van handelingen dermate knullig was en te weinig getuigde van een professionele georganiseerde aanpak en reeds daarom niet als een criminele organisatie kan worden aangemerkt.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt voorts in het bijzonder als volgt.

Ten aanzien van feit 1

De raadsman heeft, zakelijk weergegeven, betoogd – althans zo begrijpt het hof het verweer van de raadsman – dat het proces-verbaal van observeren van verbalisant 789 niet mag bijdragen aan het bewijs van dit feit. In het proces-verbaal zijn immers allerlei belastende zaken opgenomen, waarvan de observant stelt dat hij ze gezien heeft, doch die niet zichtbaar zijn op de bij dit proces-verbaal gevoegde DVD.

Het hof verwerpt dit verweer.

Het verweer van de raadsman lijkt uit te gaan van de veronderstelling dat proces-verbaal van observeren is opgemaakt naar aanleiding van het bekijken van de betreffende DVD door observant 789. Dit is een misvatting. Van de observatieactie op 5 juli 2005 waaraan een zevental observanten, onder wie observant 789, hebben deelgenomen, is een proces-verbaal opgemaakt van hetgeen de onderscheiden observanten ieder voor zich hebben waargenomen. Daarnaast heeft er een gedurende enkele tijd een camera meegelopen bij een deel van de observatie, welke beelden op een DVD zijn gezet die aan het procesdossier is toegevoegd. De beelden op deze DVD komen vanzelfsprekend niet één-op-één overeen met de (visuele) waarnemingen van de observanten. Het proces-verbaal van observatie zèlf kan meer (of minder) bevindingen bevatten. De impliciete bewering / beschuldiging van de raadsman dat observant 789 bepaalde zaken heeft verzonnen, mist iedere onderbouwing. Het hof geen enkele reden om aan de betrouwbaarheid en juistheid van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van observatie te twijfelen.

De raadsman heeft voorts, zakelijk weergegeven, betoogd, dat uit niets is gebleken dat de oplegger welke is gezien tijdens de observatieactie op 5 juli 2005 bij de woonwagen van medeverdachte 3, dezelfde oplegger is als de oplegger die is inbeslaggenomen en onderzocht op 9 juli 2005 door de Finse autoriteiten en waarin de softdrugs zijn aangetroffen en dat voorts de rol van verdachte beperkt is gebleven en dat zijn handelen niet als medeplegen kan worden gekwalificeerd, doch slechts als medeplichtigheid

Het hof overweegt hiertoe als volgt. Naar het oordeel van het hof is volstrekt duidelijk dat de oplegger die werd geladen dezelfde is als die werd aangehouden in Finland. Zo heeft de in Finland aangehouden chauffeur van de vrachtwagen en de oplegger medeverdachte 1, zakelijk weergegeven, verklaard (op pagina 315 e.v., zakendossier 49) dat de oplegger op 5 juli 2005 op een industrieterreintje door een vulploeg is geladen met hasjiesj en dat hij vervolgens naar Helsinki is gereden, alwaar hij is aangehouden. Voorts is op de voornoemde DVD waar te nemen dat de hasjiesj in de buurt van de koelinstallatie van de oplegger wordt geladen. In Finland wordt precies op die plek enkele dagen later de hasjiesj aangetroffen (pagina 220, zakendossier 49).

Het hof acht bewezen dat verdachte in bewuste, nauwe en volledige samenwerking met anderen zich heeft schuldig gemaakt aan – kort gezegd – de uitvoer uit Nederland van een grote hoeveelheid softdrugs naar Finland. Het hof hierbij onder meer acht geslagen op het feit dat op de voornoemde DVD tevens valt waar te nemen dat verdachte tezamen met zijn vader medeverdachte 3 en medeverdachte 1 bezig is bij het koelsysteem van de oplegger. Tevens heeft het hof acht geslagen op enkele opgenomen en afgeluisterde telefoongesprekken voorafgaand aan het laden door de vulploeg tussen verdachte en medeverdachte 1 waarin, zakelijk weergegeven, wordt gesproken over laden voor Finland en over het voor het laden benodigde referentienummer. Voorts is gebleken dat verdachte vele pogingen heeft ondernomen tot het leggen van contact met medeverdachte 1 als eenmaal onderweg is gegaan naar Finland.

De (verregaande) betrokkenheid van verdachte bij dit feit kan bezwaarlijk anders dan als medeplegen worden gekwalificeerd.

Ten aanzien van feit 2

De raadsman heeft ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde, zakelijk weergegeven, betoogd, dat de rol van verdachte beperkt is gebleven en dat zijn handelen niet als medeplegen kan worden gekwalificeerd, doch slechts als medeplichtigheid.

Het hof acht bewezen dat verdachte in bewuste, nauwe en volledige samenwerking met medeverdachte 9, medeverdachte 3 en medeverdachte 2 zich heeft schuldig gemaakt aan – kort gezegd – de import uit Zwitserland van een hoeveelheid softdrugs naar Nederland. Het hof heeft hierbij in bijzonder acht geslagen op de verklaring van de medeverdachte 2, die samengevat heeft verklaard (op pagina 459 e.v. van zakendossier 68) dat hij zich op verzoek van verdachte bereid heeft verklaard om tegen betaling (naar hij begreep) marihuana in een auto te transporteren van Zwitserland naar Nederland. In de twee dagen voorafgaande aan de daadwerkelijke reis naar Zwitserland is verdachte ook telkens bij hem geweest in verband met het op te zetten transport. In een plaatsje in de buurt van Basel zijn in aanwezigheid van medeverdachte 9 en medeverdachte 3 dozen met gesealde pakketten marihuana in een door hem gehuurde auto geladen. Daarna zijn ze in de nacht van 27 op 28 februari 2006 rechtstreeks naar Nederland gereden, alwaar de dozen zijn overgeladen in de woonwagen van medeverdachte 3. Bij dit overladen was verdachte ook aanwezig. Uit afgeluisterde telefoongesprekken tussen verdachte en medeverdachte 9 blijkt dat verdachte vooruit is gereden en tijdens het vervoer door medeverdachte 2 naar Nederland, in de gaten heeft gehouden of ‘het veilig was’ bij de grensovergang tussen Duitsland en Nederland. De volgende ochtend op 1 maart 2006 is de partij vanuit de woonwagen van medeverdachte 3 in een Mercedesbus geladen en kort daarop zijn verdachte en zijn mededaders aangehouden, waarbij in de door verdachte bestuurde Mercedesbus 86 kilo hennep is aangetroffen.

De (verregaande) betrokkenheid van verdachte bij dit feit kan bezwaarlijk anders dan als medeplegen worden gekwalificeerd.

Ten aanzien van feit 3

De raadsman heeft, zakelijk weergegeven, betoogd, dat verdachte een eerlijk proces is onthouden, omdat observant 789, die bepaalde zaken heeft gehoord tijdens een observatieactie op Schiphol op 1 december 2005, hetwelk hij in een proces-verbaal van observatie heeft vervat, zich ter gelegenheid van zijn verhoor als getuige bij de rechter-commissaris heeft verscholen achter zijn werkwijze en geen antwoorden heeft willen geven op bepaalde vragen.

Het hof verwerpt dit verweer.

Van een observatieactie op 1 december 2005 waaraan een achttal observanten, onder wie observant 789, hebben deelgenomen, is een proces-verbaal opgemaakt van hetgeen de onderscheiden observanten hebben waargenomen. Uit dit proces-verbaal blijkt dat met name observant 789 enkele voor verdachte en zijn mededaders belastende zaken heeft gehoord, welke door hem zijn gerelateerd. De raadsman is in eerste aanleg in de gelegenheid gesteld om deze observant en een tweetal andere observanten vragen te stellen over deze observatieactie. Vanwege de bescherming van hun werkwijze zijn echter verschillende vragen onbeantwoord gebleven door de observanten. Het hof acht het legitiem dat er op enkele vragen geen antwoord is gegeven. Dit raakt niet het recht van verdachte op een eerlijk proces, te meer nu de raadsman volstrekt niet heeft aangegeven waar die schending uit zou bestaan. Op de meest voor de hand liggende vraag of observant 789 de ‘gewraakte passages’, zoals die zijn opgenomen op pagina 298, bovenaan, van zakendossier 58 wel echt heeft gehoord, heeft hij gewoon antwoord gegeven. De impliciete bewering / beschuldiging van de raadsman dat observant 789 ook in dit proces-verbaal, net als in zakendossier 49, bepaalde zaken heeft verzonnen, mist iedere onderbouwing. Het hof geen enkele reden om aan de betrouwbaarheid en juistheid van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van observatie te twijfelen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1, 2 primair, 3 en 5 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij in de periode van 1 juni 2005 tot en met 9 juli 2005 in Nederland

tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk

buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, (ongeveer) 320 kilogram, van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige

elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn

toegevoegd, en/of van een materiaal bevattende hennep, zijnde hasjiesj en/of

hennep, (een) middelen) als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, ¬immers medeverdachte 1 heeft die hasjiesj en/of hennep in een vrachtauto (truck

met oplegger) vanuit Nederland (Arnhem) naar het buitenland (Finland)

vervoerd, en welk medeplegen van verdachte -onder meer-

hierin heeft bestaan dat verdachte en verdachtes mededader(s) het transport

van die hasjiesj en/of hennep hebben geregeld (-onder meer- het

benaderen/regelen van een vrachtwagenchauffeur (medeverdachte 1) en het

huren/aanschaffen van een truck en een oplegger en het verzorgen van een

-legale- deklading) en die hasjiesj en/of hennep hebben opgeslagen

en in die vrachtauto hebben geladen/verborgen en die hasjiesj

en/of hennep met bestemming naar Finland, hebben vervoerd.

2 primair.

hij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 1 maart 2006 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van

Nederland heeft gebracht, (ongeveer) 86 kilogram, van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep

(hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, en/of van een

materiaal bevattende hennep, zijnde hasjiesj en/of hennep, (een) middel(en)

als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II,

-onder meer- hierin bestaande dat verdachte en verdachtes mededader(s) ¬contact hebben¬¬¬¬¬¬ gelegd en¬¬¬ onderhouden met (de) leverancier¬¬¬ van die

hasjiesj en/of hennep en¬¬¬ het transport van die hasjiesj en/of hennep

hebben¬¬¬¬¬¬ geregeld (het benaderen/regelen van een chauffeur (medeverdachte 2)

en¬¬¬ het huren/aanschaffen van een auto en/of een bestelbus) ¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬ en¬¬¬ die hasjiesj en/of hennep

vanuit Zwitserland, Frankrijk en¬¬¬ Duitsland, ¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬,

in een auto (Toyota) naar Nederland hebben¬¬¬¬¬¬ vervoerd en¬¬¬ (daarbij)

¬¬¬¬¬¬¬¬ hebben¬¬¬¬¬¬ gecontroleerd/gekeken of de route die moest worden

afgelegd (¬¬¬¬¬¬¬¬ bij het passeren van een grensovergang) veilig was, en¬¬¬

(vervolgens in Nederland) die hasjiesj en/of hennep uit die auto hebben¬¬¬¬¬¬

geladen en¬¬¬ hebben¬¬¬¬¬¬ opgeslagen in een pand (woonwagen aan de

adres 2) en¬¬¬ (vervolgens) die hasjiesj en/of hennep

(weer) hebben¬¬¬¬¬¬ ingeladen in een bestelbus (Mercedes) en¬¬¬ die hasjiesj

en/of hennep verder hebben¬¬¬¬¬¬ vervoerd in de richting van Amsterdam ¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬

3.

hij in ¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬ de periode van de maand augustus 2005 tot en met 1 maart

2006 ¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬ in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander ¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬, ¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬,

om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, te weten het opzettelijk ¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬ binnen het grondgebied van Nederland

brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde

cocaïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, ¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬, voor te bereiden en¬¬¬ te bevorderen,

¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬ anderen heeft getracht te bewegen ¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬ om daarbij behulpzaam te

zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen

en/of zich en/of ¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬ anderen gelegenheid, middelen en/of inlichtingen

tot het plegen van die/dat feit(en) heeft getracht te verschaffen, ¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬-onder meer- hierin bestaande dat verdachte en¬¬¬ verdachtes mededader¬¬) ¬¬¬¬¬¬¬ meerdere malen een reis hebben¬¬¬¬¬¬ geboekt naar Panama en¬¬¬ Brazilië

en¬¬¬ in verband daarmee ¬¬¬¬¬ vliegticket¬s¬ hebben¬¬¬¬¬¬ besteld en¬¬¬

betaald en¬¬¬ naar Schiphol zijn¬¬¬ gereden en¬¬¬ naar Panama en¬¬¬ Brazilië

zijn¬¬¬ gereisd ¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬en¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬ contact hebben¬¬¬¬¬¬ gelegd en¬¬¬ onderhouden met ¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬

personen die betrokken waren bij de handel in verdovende middelen en¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬ personen hebben¬¬¬¬¬¬ benaderd om verdachte en¬¬¬

verdachtes mededader¬¬¬ in contact te brengen met een of meer personen die

betrokken waren bij de handel in verdovende middelen en¬¬¬ in verband daarmee

instructies en/of aanwijzingen hebben¬¬¬¬¬¬ gegeven ¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬

5 subsidiair.

hij in ¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬ de periode van 3 januari 2006 tot en met 1 maart 2006 te

Arnhem ¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬ in het bezit was van een reisdocument, te

weten een identiteitskaart op naam van betrokkene 1, waarvan hij wist ¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬ dat het reisdocument vals of vervalst was,

bestaande de valsheid of vervalsing hieruit dat op die identiteitskaart een

pasfoto van (verdachte) was aangebracht en¬¬¬ op die

identiteitskaart een handtekening was gezet die moest doorgaan voor de

handtekening van die betrokkene 1;

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

ten aanzien van het onder 1 en 2 primair bewezenverklaarde:

telkens:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

Medeplegen van het misdrijf om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen:

- een ander tracht te bewegen om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen;

- zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit tracht te verschaffen.

ten aanzien van het onder 5 subsidiair bewezenverklaarde:

In het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij weet dat het vals of vervalst is.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte en zijn draagkracht, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen – en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf en een onvoorwaardelijke geldboete beide van de hierna aan te geven hoogte leiden – dat verdachte zich meermalen samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan het door middel van een internationaal transport, waarbij voor het eigenlijke vervoer telkens gebruik is gemaakt van een andere persoon, importeren en exporteren vanuit en naar het buitenland van softdrugs. Voorts heeft verdachte getracht om samen met een ander een cocaïnelijn van Zuid-Amerika naar Nederland op te zetten.

Mede door dit handelen van verdachte wordt de (groot)handel in softdrugs en harddrugs in stand gehou¬den. Verdachte heeft aldus een bijdrage geleverd aan de instandhouding van een markt voor softdrugs en harddrugs. De gezondheidsbelangen van anderen worden daardoor op het spel gezet en de maatschappij lijdt schade onder de door de gebruikers gepleegde criminele feiten.

Verdachte heeft voorts een vervalste identiteitskaart voorhanden gehad. Hij heeft aldus het vertrouwen geschonden dat in het maatschappelijk en internationaal personenverkeer in de juistheid van dergelijke documenten moet kunnen worden gesteld.

De drijfveer achter de feiten 1, 2 primair en 3 kan voor verdachte geen andere geweest zijn dan het verkrijgen van geldelijk gewin, reden waarom het hof tevens komt tot oplegging van een geldboete, waarbij om praktische redenen wordt aangesloten bij het bedrag dat onder conservatoir beslag ligt.

Het hof heeft acht geslagen op het de verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 28 januari 2008, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld tot onvoorwaardelijke vrijheidsstraffen. Het hof heeft voorts acht geslagen op het omtrent verdachte opgemaakte voorlichtingsrapport van de reclassering d.d. 13 november 2006.

Hoewel het hof tot een vrijspraak komt voor het onder 5 primair en 6 tenlastegelegde, ziet het hof gelet op de ernst van de feiten, geen aanleiding om te komen tot een lagere straf dan is opgelegd door de rechtbank en dan is gevorderd door de advocaat-generaal. Het komt in zoverre strikt genomen bezien tot een hogere straf.

De in beslag genomen voorwerpen

Het onder 2 primair respectievelijk onder 5 subsidiair tenlastegelegde is begaan met behulp van respectievelijk met betrekking tot de hierna te noemen inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen. Zij zullen aan het verkeer worden onttrokken aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met algemeen belang respectievelijk de wet.

De overige hierna te noemen inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zullen worden teruggegeven aan verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24, 24c, 36b, 36c, 47, 57 en 231 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3, 10a en 11 van de Opiumwet.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verstaat dat het door verdachte ingestelde rechtsmiddel niet is gericht tegen dat deel van het vonnis waarvan beroep waarbij verdachte terzake van het onder 4 en 6a tenlastegelegde werd vrijgesproken.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 5 primair en 6 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het onder 1, 2 primair, 3 en 5 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van EUR 5.674,77 (vijfduizend zeshonderdvierenzeventig euro en zevenenzeventig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 58 (achtenvijftig) dagen hechtenis.

De in beslag genomen voorwerpen

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

(enkele goederen)

Gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

(enkele goederen)

Aldus gewezen door

mr G. Mintjes, voorzitter,

mr H. Abbink en mr P.H.A.J. Cremers, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr M.J. Ouweneel, griffier,

en op 10 maart 2008 ter openbare terechtzitting uitgesproken.