Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BC5494

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
29-01-2008
Datum publicatie
03-03-2008
Zaaknummer
2007/990
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overgangsrecht; niet-ontvankelijkheid.

Art. 9, 36 en 58 Pachtwet; art. 7:368 e.v. BW; art. 74 Overgangswet Nieuw BW.

De pachtkamer in eerste aanleg heeft geoordeeld dat opzegging van de pachtovereenkomsten kan geschieden in de periode van 30 oktober 2006 tot en met 30 oktober 2008. Nu de door verpachter gedane opzegging bij brief van 23 oktober 2005 buiten die periode valt is die opzegging niet rechtsgeldig. De pachtkamer in eerste aanleg heeft de pachter niet-ontvankelijk verklaard in zijn verlengingsverzoek.

Volgens verpachter is de pachtkamer in eerste aanleg uitgegaan van een kennelijke rekenfout, zodat het oordeel dat sprake is van een niet rechtsgeldige pachtopzegging onjuist is. Verpachter verwijst voorts naar een eerder tussen partijen gewezen vonnis waarin onder de vaststaande feiten is opgenomen ‘de pachtovereenkomst duurt thans voort tot 30 september 2008’.

Het hof stelt voorop dat laatstgenoemd vonnis waarop verpachter zich beroept niet ziet op de rechtsbetrekking die thans in geschil is (althans: betrekking heeft op een andere rechtsvraag), zodat aan de in dat vonnis onder de vaststaande feiten opgenomen einddatum van de pachtovereenkomst in het onderhavige geding geen bindende kracht tussen partijen toekomt.

Er is evenmin sprake van een kennelijke misslag.

De pachtovereenkomsten zijn ingegaan op 1 oktober 1978. Hoewel twee van de vier pachtovereenkomsten betrekking hebben op los land, niet groter dan 1 hectare, mist artikel 58 Pachtwet in het onderhavige geschil toepassing nu de desbetreffende pachtovereenkomsten zijn aangegaan onder het vóór de inwerkingtreding op 31 oktober 1995 van de Wet van 12 oktober 1995 tot wijziging van de Pachtwet (Stb. 504) geldende en door deze wet (blijkens artikel II lid 1) geëerbiedigde recht, waarbij toepassing van de artikelen 9 en 36 Pachtwet werd uitgesloten voor pachtovereenkomsten die minder dan 0,25 hectare los land betroffen. Als gevolg daarvan blijven de artikelen 9 en 36 Pachtwet in het onderhavige geval van toepassing (waarvan partijen ook steeds zijn uitgegaan).

Op grond van artikel 9 Pachtwet gaat de duur van de pachtovereenkomst pas in bij de aanvang van het pachtjaar volgende op dat waarin de overeenkomst is ingezonden, indien de pachtovereenkomst niet binnen twee maanden nadat zij is aangegaan aan de grondkamer ter goedkeuring is toegezonden. Het moment van het aangaan van de pachtovereenkomsten moet worden gelijkgesteld met het moment waarop de pachtovereenkomsten feitelijk zijn ingegaan, derhalve op 1 oktober 1978. Aldus moet worden geoordeeld dat de pachtovereenkomsten niet binnen twee maanden nadat zij zijn aangegaan aan de grondkamer ter goedkeuring zijn toegezonden, zodat de duur van de pachtovereenkomsten eerst is ingegaan bij de aanvang van het pachtjaar volgend op het pachtjaar waarin de overeenkomsten zijn ingezonden, te weten op 1 oktober 1979.

Nu partijen in artikel 2 van de pachtovereenkomsten, in afwijking van de in artikel 1 genoemde duur van zes jaar, uitdrukkelijk als einddatum van de eerste pachttermijn 1 november 1984 zijn overeengekomen (welke einddatum in verband met de oogst van de op het land geteelde gewassen - die niet altijd vóór 1 oktober kan plaatsvinden, maar wel vóór 1 november - ook voor de hand lijkt te liggen), eindigen met inachtneming van het voorgaande de huidige pachtovereenkomsten op 31 oktober 2009. De pachtopzegging van 23 oktober 2005 is, nu die opzegging niet eerder kan geschieden dan drie jaren voor het einde van de lopende pachtovereenkomsten, gelegen buiten de termijn waarbinnen de opzegging rechtsgeldig kan worden gedaan en heeft aldus geen rechtsgevolgen.

Conclusie: de bestreden beschikking wordt bekrachtigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

29 januari 2008

pachtkamer

rekestnummer: P 2007/990

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Beschikking

in de zaak van:

1. [appellante],

wonende te [woonplaats],

2. [appellante],

wonende te [woonplaats],

3. [appellant],

wonende te [woonplaats],

4. [appellante],

wonende te [woonplaats],

5. [appellante],

wonende te [woonplaats],

6. [appellant],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

procureur: mr. P.M. Wilmink,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

procureur: mr. P.C.M. Heinen.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van de beschikking van 25 juli 2007 die de pachtkamer van de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Sittard-Geleen, tussen appellanten (verder te noemen: [appellanten]) als verweerders en geïntimeerde (verder te noemen: [geïntimeerde]) als verzoeker heeft gegeven. Van die beschikking is een fotokopie aan deze beschikking gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2. 1 [appellanten] zijn bij op 22 augustus 2007 per fax en op 28 augustus 2007 per gewone post ter griffie van het hof ingekomen beroepschrift in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 25 juli 2007. Zij hebben daarbij drie grieven tegen die beschikking aangevoerd, producties overgelegd, bewijs aangeboden en het hof verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw recht doende, zonodig met verbetering of aanvulling van de gronden, te bepalen dat [geïntimeerde] in zijn verzoek tot verlenging van de pachtovereenkomsten niet-ontvankelijk wordt verklaard, althans zijn verzoek af te wijzen en/of hem dat te ontzeggen wegens strijd met artikel 36 lid 3 Pachtwet, althans wegens gegronde klachten en het (het hof begrijpt:) niet handelen van [geïntimeerde] zoals een goed pachter betaamt, althans wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid, met uitdrukkelijke veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

2. 2 Bij op 24 september 2007 ter griffie van het hof ingekomen verweerschrift heeft [geïntimeerde] verweer gevoerd tegen het door [appellanten] in het beroepschrift aangevoerde, producties overgelegd en het hof verzocht het beroep van [appellanten] niet-ontvankelijk dan wel ongegrond te verklaren met veroordeling van [appellanten] in de kosten van (het hof begrijpt:) het hoger beroep.

2. 3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 december 2007. [appellante sub 2] is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. R.P.H.W. Haas, advocaat te Heerlen. [geïntimeerde] is eveneens in persoon verschenen, bijgestaan door mr. C.T. de Weerdt, advocaat te Drachten. Bij die gelegenheid hebben partijen aan het hof inlichtingen verstrekt en hebben beide advocaten de wederzijdse standpunten toegelicht aan de hand van pleitnotities.

2. 4 Vervolgens heeft het hof de beschikking bepaald op heden.

3 De vaststaande feiten

3. 1 Tussen partijen staat op grond van hetgeen enerzijds is gesteld en anderzijds niet is betwist, alsmede op grond van de niet betwiste inhoud van de overgelegde stukken het navolgende vast.

3. 2 Tussen partijen is een viertal pachtovereenkomsten gesloten. Deze pachtovereenkomsten zijn op schrift gesteld op 15 en 21 maart 1979.

3. 3 In artikel 2 van de pachtovereenkomsten is bepaald dat de overeenkomsten ingaan op 1 oktober 1978 en dat bij beëindiging van de overeenkomsten het gepachte goed moet worden ontruimd en opgeleverd op 1 november 1984.

3. 4 Op 20 maart en 4 april 1979 zijn de desbetreffende pachtovereenkomsten ingekomen bij de grondkamer voor Limburg die ze op 28 maart en 9 mei 1979 heeft goedgekeurd.

3. 5 Bij aangetekende brief van 23 oktober 2005 hebben [appellanten] aan [geïntimeerde] te kennen gegeven geen verdere verlenging van de pachtovereenkomsten te wensen en beëindiging van de pachtovereenkomsten per 30 september 2008 na te streven.

3. 6 Op 12 december 2006 heeft [geïntimeerde] de pachtkamer van de rechtbank verzocht de pachtovereenkomsten te verlengen.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4. 1 Per 1 september 2007 is met de artikelen 7:311 e.v. Burgerlijk Wetboek een nieuwe wettelijke regeling van de pacht in werking getreden en is de Pachtwet vervallen. Aan de orde is de vraag of het geschil tussen partijen naar oud dan wel naar nieuw recht dient te worden beslist.

4. 2 Kenmerkend voor het onderhavige geval is dat voorafgaand aan de inwerkingtreding van het nieuwe recht door de verpachters een kennisgeving van niet-verlenging als bedoeld in het tweede lid van artikel 36 Pachtwet is uitgebracht en dat eveneens daaraan voorafgaand door de pachter om verlenging is verzocht als bedoeld in het derde lid van dat artikel.

4. 3 Het nieuwe recht met betrekking tot de verlenging van een pachtovereenkomst verschilt wezenlijk van het oude, niet alleen wat betreft de toepasselijke regels van procesrechtelijke aard, maar ook wat betreft de materiële regels aan de hand waarvan het geschil dient te worden beslist. Artikel 7:367 Burgerlijk Wetboek voorziet in opzegging door de verpachter, welke opzegging volgens artikel 7:368 Burgerlijk Wetboek – anders dan de kennisgeving van niet-verlenging van artikel 36 Pachtwet – op straffe van nietigheid gronden dient te vermelden. Artikel 7:369 Burgerlijk Wetboek houdt in dat, indien de pachter zich binnen zes weken met opgave van redenen tegen de opzegging verzet, het aan de verpachter is om – op de gronden vermeld in de opzegging – te vorderen (het gaat hier dus om een dagvaardingsprocedure) dat de rechter het tijdstip zal vaststellen waarop de overeenkomst zal eindigen. De artikelen 7:370 e.v. Burgerlijk Wetboek voorzien vervolgens in een beoordeling van deze vordering op basis van regels die niet alleen wat betreft hun systematiek maar deels ook inhoudelijk belangrijk verschillen van de regeling van de artikelen 38 e.v. Pachtwet.

4. 4 Volgens het eerste lid van artikel 74 Overgangswet Nieuw BW heeft de inwerkingtreding van het nieuwe recht geen gevolgen voor de aard van een lopende procedure, zodat in zoverre oud recht van toepassing blijft. De verzoekschriftprocedure van artikel 36 e.v. Pachtwet is een bijzondere procedure, gericht op de beoordeling van de vraag of – niettegenstaande de kennisgeving van niet-verlenging van de verpachter – verlenging van de pachtovereenkomst dient plaats te vinden, en die procedure kan naar zijn aard niet op iets anders worden gericht. In verband met het hiervoor bedoelde wezenlijke verschil tussen oud en nieuw recht ook wat betreft de materiële regels aan de hand waarvan het geschil dient te worden beslist en tegen de achtergrond van het beginsel van rechtszekerheid, dat het overgangsrecht mede beheerst, moet worden aangenomen dat die materiële regels de aard van de procedure mede bepalen en dat gelet daarop ook wat betreft die materiële regels in beginsel het oude recht van toepassing blijft. Een en ander stemt overeen met de uitleg die door de Minister van Justitie, alsmede door de regeringscommissaris Nieuw Burgerlijk Wetboek, tijdens de behandeling van het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de art. 7:311 e.v. Burgerlijk Wetboek in de Eerste Kamer der Staten-Generaal is gegeven.

4. 5 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof oud recht toepassen.

4. 6 De pachtkamer in eerste aanleg heeft in haar bestreden beschikking geoordeeld dat de pachtovereenkomsten eindigen op 31 oktober 2009 en dat opzegging van die overeenkomsten dus kan geschieden in de periode van 30 oktober 2006 tot en met 30 oktober 2008. Nu de door [appellanten] gedane opzegging bij brief van 23 oktober 2005 buiten die periode valt brengt dat, aldus de pachtkamer in eerste aanleg, met zich dat die opzegging niet rechtsgeldig is geschied en derhalve geen rechtsgevolg heeft. De pachtkamer in eerste aanleg heeft [geïntimeerde] daarop niet-ontvankelijk verklaard in zijn verlengingsverzoek.

4. 7 Voor zover thans van belang hebben [appellanten] daartegen - kort samengevat - aangevoerd dat de opzegging van de overeenkomsten tijdig is geschied nu de huidige pachttermijn duurt tot 30 september 2008. De pachtkamer in eerste aanleg is volgens hen bij haar beslissing uitgegaan van een kennelijke rekenfout, door de kantonrechter te Sittard bij beschikking van 3 juli 1997 gemaakt, zodat het oordeel van de pachtkamer in eerste aanleg dat sprake is van een niet rechtsgeldige pachtopzegging onjuist is. [appellanten] hebben tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep ter ondersteuning van hun betoog verwezen naar een vonnis van 20 augustus 2003 van de pachtkamer van de rechtbank Maastricht sector kanton lokatie Sittard-Geleen waarin onder de vaststaande feiten is opgenomen ‘de pachtovereenkomst duurt thans voort tot 30 september 2008’.

4. 8 [geïntimeerde] heeft dat betoog van [appellanten] gemotiveerd weersproken.

4. 9 Het hof stelt voorop dat laatstgenoemd vonnis waarop [appellanten] zich beroepen niet ziet op de rechtsbetrekking die thans in geschil is (althans: betrekking heeft op een andere rechtsvraag), zodat aan de in dat vonnis onder de vaststaande feiten opgenomen einddatum van de pachtovereenkomst in het onderhavige geding geen bindende kracht tussen partijen toekomt.

4. 10 Het betoog van [appellanten] dat de datum 1 november 1997, genoemd bij beschikking van de kantonrechter te Sittard van 3 juli 1997 als de datum tot welke de onderhavige pachtovereenkomsten voortduurden, een kennelijke misslag betreft gaat naar het oordeel van het hof evenmin op. Daartoe overweegt het hof het volgende. De pachtovereenkomsten zijn ingegaan op 1 oktober 1978. Hoewel twee van de vier pachtovereenkomsten betrekking hebben op los land, niet groter dan 1 hectare, mist artikel 58 Pachtwet in het onderhavige geschil toepassing nu de desbetreffende pachtovereenkomsten zijn aangegaan onder het vóór de inwerkingtreding op 31 oktober 1995 van de Wet van 12 oktober 1995 tot wijziging van de Pachtwet (Stb. 504) geldende en door deze wet (blijkens artikel II lid 1) geëerbiedigde recht, waarbij toepassing van de artikelen 9 en 36 Pachtwet werd uitgesloten voor pachtovereenkomsten die minder dan 0,25 hectare los land betroffen. Als gevolg daarvan blijven de artikelen 9 en 36 Pachtwet in het onderhavige geval van toepassing (waarvan partijen ook steeds zijn uitgegaan).

4. 11 Op grond van artikel 9 Pachtwet gaat de duur van de pachtovereenkomst pas in bij de aanvang van het pachtjaar volgende op dat waarin de overeenkomst is ingezonden, indien de pachtovereenkomst niet binnen twee maanden nadat zij is aangegaan aan de grondkamer ter goedkeuring is toegezonden. Hoewel [appellanten] tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben betoogd dat de pachtovereenkomsten pas zijn aangegaan op het moment waarop zij op schrift zijn gesteld, moet het moment van het aangaan van de pachtovereenkomsten worden gelijkgesteld met het moment waarop de pachtovereenkomsten feitelijk zijn ingegaan, derhalve op 1 oktober 1978. Ter terechtzitting heeft [appellante sub 2] desgevraagd bevestigd dat het feitelijk gebruik van de pachtobjecten door [geïntimeerde] al vóór 1 oktober 1978 is aangevangen. Aldus moet worden geoordeeld dat de pachtovereenkomsten niet binnen twee maanden nadat zij zijn aangegaan aan de grondkamer ter goedkeuring zijn toegezonden, zodat de duur van de pachtovereenkomsten eerst is ingegaan bij de aanvang van het pachtjaar volgend op het pachtjaar waarin de overeenkomsten zijn ingezonden, te weten op 1 oktober 1979.

Nu partijen in artikel 2 van de pachtovereenkomsten, in afwijking van de in artikel 1 genoemde duur van zes jaar, uitdrukkelijk als einddatum van de eerste pachttermijn 1 november 1984 zijn overeengekomen (welke einddatum in verband met de oogst van de op het land geteelde gewassen - die niet altijd vóór 1 oktober kan plaatsvinden, maar wel vóór 1 november - ook voor de hand lijkt te liggen), eindigen met inachtneming van het voorgaande de huidige pachtovereenkomsten op 31 oktober 2009. De pachtopzegging van 23 oktober 2005 is, nu die opzegging niet eerder kan geschieden dan drie jaren voor het einde van de lopende pachtovereenkomsten, gelegen buiten de termijn waarbinnen de opzegging rechtsgeldig kan worden gedaan en heeft aldus geen rechtsgevolgen.

4. 12 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de bestreden beschikking, waarbij [geïntimeerde] niet-ontvankelijk is verklaard in zijn verzoek tot verlenging van de pachtovereenkomsten, moet worden bekrachtigd. [appellanten] zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

5 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de bestreden beschikking van de pachtkamer van de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Sittard-Geleen van 25 juli 2007;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 1.788,00 voor salaris van de procureur en op € 251,00 voor griffierecht;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Valk, Van der Beek en Van Ditzhuijzen

en de raden ing. De Lorijn en ir. Rogaar en in tegenwoordigheid van de griffier

uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 januari 2008.