Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BC5471

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
14-02-2008
Datum publicatie
29-02-2008
Zaaknummer
04-01299
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rioolrechten

Eigenaar van bungalowpark met 177 bungalows is gebruiker van die bungalows.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2008/3493
Belastingblad 2008/593
V-N 2008/25.26 met annotatie van Redactie
FutD 2008-0489
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

eerste meervoudige belastingkamer

nummer 04/01299

U i t s p r a a k

op het beroep van X B.V. te Z (hierna te noemen: belanghebbende) tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar van de gemeente P (hierna: de verweerder) op het bezwaar-schrift van belanghebbende tegen de haar voor het jaar 2004 opgelegde aanslag in de rioolrechten van die gemeente.

1. Aanslag en bezwaar

1.1. De aanslag bedraagt € 45 999,70, berekend naar 281× € 163,70.

1.2. Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de verweerder bij uitspraak van 5 juli 2004, verzonden op 6 juli 2004, de aanslag gehandhaafd.

2. Geding voor het Hof

2.1. Het beroepschrift met bijlagen is ter griffie ontvangen op 22 juli 2004 en aange-vuld op 1 november 2004.

2.2. Tot de stukken van het geding behoren het verweerschrift en de daarin genoemde bijlagen.

2.3. Bij het onderzoek ter zitting op 14 december 2006 te Arnhem zijn gehoord de ge-machtigde van belanghebbende, alsmede de verweerder.

2.4. Van de zitting is het proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2.5. Na de zitting zijn van de gemachtigde van belanghebbende schriftelijke inlichtingen ingewonnen. De schriftelijke reactie daarop van de verweerder is op 3 juli 2007 in afschrift doorgezonden aan die gemachtigde.

2.6. Met toestemming van beide partijen heeft het Hof op de voet van artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaald dat de nadere zitting achterwege blijft.

3. De vaststaande feiten

3.1. Belanghebbende is eigenaar van het recreatiepark met centrumvoorzieningen, plaatselijk bekend a-straat 1, en 177 van de zich daarop bevindende bungalows, plaatse-lijk bekend a-straat 1-001 tot en met 1-177 en kadastraal bekend gemeente P, sectie A, nummers 1, groot 3.27.45 ha, en 2, groot 17.59.59 ha.

3.2. Belanghebbende verhuurt de bungalows telkens voor een korte periode aan haar gasten.

3.3. Bij raadsbesluit van 19 december 2003 is de Verordening rioolrechten 2004 van de gemeente P (hierna: de Verordening) vastgesteld. Daarvan luiden de artikelen 1, 2 en 3, voor zover hier van belang:

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze verordening wordt:

a. (…);

b. (…);

c. onder eigendom verstaan een roerende of een onroerende zaak;

d. (…).

Artikel 2. Belastbaar feit en belastingplicht

1. Onder de naam “rioolrechten” wordt geheven een recht van de gebruiker van een ei-gendom van waaruit afvalwater direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd.

2. Met betrekking tot het recht als bedoeld in lid 1 wordt als gebruiker aangemerkt:

a. degene die naar de omstandigheden beoordeeld het eigendom al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt;

b. ingeval een gedeelte van een eigendom – niet een gedeelte als bedoeld in artikel 3 – ten gebruike is afgestaan: degene die dat gedeelte in gebruik heeft afgestaan.

Artikel 3. Zelfstandige gedeelten

Indien gedeelten van een in artikel 2 bedoeld eigendom blijkens hun indeling bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, worden de rechten geheven ter zake van elk als zodanig bestemd gedeelte, met dien verstande dat indien 2 of meer van die gedeelten tezamen als een geheel worden gebruikt, deze als 1 eigendom worden aan-gemerkt.

Artikel 8. Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

1. Het recht als bedoeld in artikel 2, lid, 1, is verschuldigd bij het begin van het belas-tingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.

2. Indien de belastingplicht met betrekking tot het eigendom voor het recht als bedoeld in artikel 2, lid 1, in de loop van het jaar aanvangt, is het recht verschuldigd voor zoveel 12e gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde recht als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

3. Indien de belastingplicht met betrekking tot het eigendom voor het recht als bedoeld in artikel 2, lid 1, in de loop van het jaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel 12e gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde recht als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

4. (…)

3.4. De aanslag is niet in geschil voor zover deze is opgelegd voor de meergenoemde centrumvoorzieningen, aangeduid als a-straat 1, en ook niet voor de (281–178=) 103 als a-straat 1-200 tot en met 1-225, 1-300 tot en met 1-361 en 1-400 tot en met 1-414 aange-duide eigendommen.

4. Het geschil, de standpunten en de conclusies van partijen

4.1. Partijen houdt verdeeld,

4.1.1. of voor de 177 voormelde bungalows terecht evenzovele malen het tarief van € 163,70 voor een afgevoerde hoeveelheid van 500 kubieke meter water of minder is geheven, en, zo ja,

4.1.2. of belanghebbende gebruikster was van de 177 bungalows.

4.2. Elk van de partijen heeft voor haar standpunt aangevoerd hetgeen is vermeld in de van haar afkomstige stukken.

4.3. Daaraan is mondeling toegevoegd wat is vermeld in het onder ?2.4 vermelde pro-ces-verbaal.

4.4. Belanghebbende verzoekt in beroep – naar het Hof verstaat – de aanslag te ver-minderen tot € (45 999,70 – 28 974,90 =) 17 024,80.

4.5. De verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Bij de beoordeling van het onder ?4.1.1 geformuleerde geschilpunt moet het vol-gende worden vooropgesteld.

5.1.1. In de in zoverre eensluidende stellingname van partijen ligt het uitgangspunt be-sloten dat gedurende het jaar 2004 vanuit de bungalows van belanghebbende afvalwater direct of indirect op de gemeentelijke riolering is afgevoerd.

5.1.2. De Verordening bevat geen bepaling als die welke sedert 2005 voorkomt in artikel 16, onderdeel e, van de Wet waardering onroerende zaken, volgens welke een geheel van twee of meer eigendommen, van zelfstandige gedeelten daarvan of van samenstellen van een en ander, welk geheel naar de omstandigheden beoordeeld één terrein bestemd voor verblijfsrecreatie vormt of als zodanig wordt geëxploiteerd, als één onroerende zaak wordt aangemerkt.

5.2. De verweerder verdedigt dat elke bungalow een onroerende zaak in de zin van artikel 1, onderdeel c, van de Verordening is. De verweerder gaat er (blijkens het gestelde onderaan bladzijde 2 van het verweerschrift) terecht van uit, dat het begrip ‘zaak’ moet worden opgevat onafhankelijk van de objectafbakening volgens de Wet waardering on-roerende zaken. De Verordening omschrijft niet nader wat onder een onroerende zaak wordt verstaan. Daarom moet de term ‘zaak’, nu aanwijzingen voor een andere welbe-paalde betekenis ontbreken, worden verstaan in de civielrechtelijke betekenis. Aldus is geoordeeld in de arresten van de Hoge Raad van 30 september 2005, nr. 40 315 (Belas-tingblad 2005, blz. 1204, en BNB 2006/22*), en van 17 november 2006, nr. 41 485 (BNB 2007/48* en Belastingblad 2007, blz. 227).

5.3. Een zaak is volgens artikel 3:2 van het Burgerlijk Wetboek een voor menselijke beheersing vatbaar stoffelijk object. In de wederzijdse stellingen ligt besloten dat de bun-galows bouwwerken zijn die onafhankelijk van elkaar en van de centrale voorzieningen op het park te gebruiken zijn. De bungalows moeten daarom worden aangemerkt als zelf-standige zaken. Hieraan doet niet af dat zij op één park en op twee kadastrale percelen staan. Dit wordt voorts, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 22 december 1976, nr. 18 068, BNB 1977/23, niet anders indien de bungalows door middel van één gemeen-schappelijke buis in het park indirect op de gemeentelijke riolering zouden zijn aangeslo-ten, wat overigens is gesteld noch gebleken.

5.4. Nu de bungalows elk voor zich een eigendom vormen en telkens afzonderlijk worden verhuurd, zijn zij niet aan te merken als onzelfstandige gedeelten als bedoeld in artikel 2, lid 2, onderdeel b, van de Verordening en evenmin als gedeelten die in de zin van artikel 3 van de Verordening tezamen als een geheel worden gebruikt.

5.5. Aan het vorenstaande doet niet af dat het tarief van € 163,70 per huisje niet in verhouding staat tot de hoeveelheid afgevoerd afvalwater, zoals belanghebbende ter zit-ting nog heeft aangevoerd. Voor zover belanghebbende zich hiermee beoogt te beroepen op het evenredigheidsbeginsel baat haar dit niet, nu gegevens over de hoeveelheden af-gevoerd afvalwater zijn gesteld noch gebleken.

5.6. Vraag ?4.1.1 wordt derhalve bevestigend beantwoord.

5.7. Bij de beantwoording van vraag ?4.1.2 moet worden vooropgesteld dat de Veror-dening geen bepaling kent als die welke de Gemeentewet voor de onroerendezaakbelas-tingen bevat in artikel 220b, lid 1, onderdeel b, volgens welke het ter beschikking stellen van een eigendom voor volgtijdig gebruik wordt aangemerkt als gebruik door degene die het eigendom ter beschikking heeft gesteld.

5.8. Daarom en mede gelet op wat omtrent geschilpunt ?4.1.1 is geoordeeld, moet de belastingplicht voor elke bungalow afzonderlijk worden beoordeeld, in voorkomende gevallen met inachtneming van artikel 8 van de Verordening.

5.9. Daartoe heeft het Hof na sluiting van het onderzoek ter zitting bij brief van 23 april 2007 aan belanghebbende de volgende schriftelijke vragen gesteld:

[Op b]ladzijde 2 van uw aanvullende beroepschrift is vermeld, dat belanghebbende de bungalows op het park aan haar gasten verhuurt, telkens voor een korte periode. Over de inhoud van de huurovereenkomsten tussen belanghebbende en haar gasten hebben partijen in de stukken en ter zitting geen bijzonderheden verstrekt. Volgens de prijs¬informatie van X die momenteel op de internetwebsite te raadplegen is, zijn de daar ge-toonde prijzen inclusief eindschoonmaak en energiekosten en exclusief reserverings-kosten, bedlinnen (verplicht), toeristenbelasting, overige heffingen en eventuele voor-keurskosten. Onderdeel 9.7 van de Algemene voorwaarden spreekt over de verplichting voor de huurder, de accommodatie bezemschoon op te leveren.

Alvorens uitspraak te doen verneemt het hof gaarne uw antwoorden op de volgende vragen:

1. Gold de bedoelde passage uit de prijsinformatie en golden die Algemene voorwaar-den ook in 2004? Zo neen, hoe waren in de overeenkomsten de schoonmaak van de bungalows en de andere genoemde elementen dan wél geregeld?

2. Hadden de bungalows in 2004 een hemelwaterafvoer op de riolering?

5.10. Deze vragen zijn in de onder ?2.5 vermelde inlichtingen beantwoord als volgt:

1. De Kosten werden in 2004 op dezelfde wijze in rekening gebracht. In de prijsinfor-matie waren enigszins lagere bedragen opgenomen. De Algemene voorwaarden golden tevens in 2004.

2. Nee, de bungalows hadden in 2004 geen hemelwaterafvoer op de riolering. De ge-meente heeft lozen van hemelwater op de riolering expliciet verboden. Het hemelwater dat op de daken valt wordt in goten opgevangen en de regenpijpen leiden het hemel¬water in een grindbed. Vervolgens zakt het water in de grond. Uit informatie van het waterschap Q blijkt dat, indien dit water zou worden afgevoerd, het grondwater onvol-doende zou worden aangevuld. Tevens heeft de gemeentelijke riolering onvoldoende capaciteit om het hemelwater af te voeren.

5.11. De heffingsambtenaar heeft bij brief van 27 juni 2007, verzonden 28 juni 2007 en ter griffie ontvangen op 29 juni 2007, te kennen gegeven dat hij zich kan vinden in de zo-even bedoelde beantwoording. Volledigheidshalve heeft hij daaraan toegevoegd dat de parkeerterreinen van belanghebbende wel op de gemeentelijke riolering zijn aangesloten.

5.12. Uit het kennelijk in zoverre eensluidende uitgangspunt van partijen maakt het Hof op, dat belanghebbende de bungalows gemeubileerd verhuurt en zorgdraagt voor de eindschoonmaak alsmede voor schoon bedlinnen. Onder deze omstandigheden moet, mede gelet op de arresten van de Hoge Raad van 22 september 1982, nrs. 21 156 en 21 288 (Belastingblad 1982, blz. 509 resp. 512 en BNB 1983/1* resp. 1983/2*), worden geoordeeld dat belanghebbende in zodanige mate toezicht houdt op de bewoning van de bungalows en een zodanig doorlopende bemoeienis heeft met de zorg voor de gemeen-schappelijke en individuele voorzieningen ten behoeve van de bewoners, dat zij zelf als gebruikster in de zin van artikel 2 van de Verordening moet gelden. Naar in het voormel-de uitgangspunt besloten ligt, betreffen dat toezicht en die bemoeienis, behalve het ver-zorgen van de eindschoonmaak en het bedlinnen, de diensten waarop de genoemde ‘eventuele voorkeurskosten’ betrekking hebben. Deze laatste soort kosten is weliswaar niet nader benoemd, doch het ligt in de rede aan te nemen dat hiermee is gedoeld op kos-ten die worden opgeroepen door dienstverlening waarmee belanghebbende voldoet aan bijzondere wensen van bewoners, onder meer wat de inrichting en opstelling van het meubilair betreft.

5.13. Het vorenstaande wordt niet anders doordat, naar uit de ook in zoverre onweer-sproken inlichtingen volgt, van de bungalows geen hemelwater op de riolering wordt geloosd.

5.14. Ook vraag ?4.1.2 wordt bevestigend beantwoord.

6. Slotsom

Het beroep is ongegrond.

7. Kosten

Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuurs-recht vindt het Hof geen termen aanwezig.

8. Beslissing

Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan te Arnhem op 14 februari 2008 door mr. Monsma, voorzitter, mr.drs. Spek en mr. N.E. Haas. De beslissing is op dezelfde datum in het openbaar uitge-sproken in tegenwoordigheid van mr. Snoijink als griffier.

(W.J.N.M. Snoijink) (J.A. Monsma)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 14 februari 2008

Tegen deze uitspraak kunnen de belanghebbende en het college van burgemeester en wethouders binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

postbus 20 303, 2500 EH Den Haag

(bezoekadres: Kazernestraat 52).

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.