Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BC5470

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
31-01-2008
Datum publicatie
29-02-2008
Zaaknummer
07/00123
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Loonbelasting.

Bij vaststelling omvang verzwegen loon is terecht rekening gehouden met reisuren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008/445
FutD 2008-0474
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belasting

nummer 07/00123

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem (verder: de Rechtbank) van 1 maart 2007, nummer AWB 05/5260, in het geding tussen belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P (hierna: de Inspecteur)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Op 26 augustus 2003 heeft de Inspecteur aan belanghebbende over het tijdvak 1 juni 2002 tot en met 31 december 2002 een naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen met nummer 01.A.01. opgelegd ten bedrage van € 6.176. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag bij uitspraak op bezwaar van 26 oktober 2005 gehandhaafd.

1.2 Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank, die het beroep ongegrond heeft verklaard.

1.3 Tegen die uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep aangetekend. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2007 te Arnhem. Namens belanghebbende zijn verschenen A en B als gemachtigde van belanghebbende. Namens de Inspecteur zijn verschenen C en D. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Een afschrift hiervan is aan deze uitspraak gehecht.

1.5 Gelijktijdig met de onderhavige zaak zijn met instemming van partijen ter zitting behandeld de zaken met rolnummers 07/00122, 07/00124 en 07/00125.

2. De feiten

Het Hof verwijst naar de door de Rechtbank vastgestelde feiten. Voorts stelt het Hof de volgende feiten vast.

2.1 Op 18 januari 2007 heeft de rechtbank Zutphen in een procedure tussen belanghebbende en de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te Q (hierna: het UWV) uitspraak gedaan op een beroep van belanghebbende tegen een besluit van het UWV. In dat besluit heeft het UWV de bezwaren van belanghebbende tegen twee besluiten van 31 juli 2003 (een navordering sociale premies en correctienota’s over de jaren 1998 tot en met 2002) ongegrond verklaard en de besluiten gehandhaafd. De Rechtbank heeft geoordeeld dat het besluit van het UWV wegens strijd met het in artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) neergelegde motiveringsbeginsel, niet in stand kon blijven. De rechtbank Zutphen heeft daartoe het volgende overwogen:

‘Verweerder [Hof: het UWV] heeft in het thans bestreden besluit echter niet gemotiveerd waarom de besluiten van 31 juli 2003, ondanks de onderbouwde betwisting daarvan namens eiseres [Hof: belanghebbende], wat het aantal reis- en rij-uren en het aantal gewerkte zaterdagen betreft, zijn gehandhaafd. Ook het verweerschrift, waarin slechts is verwezen naar de beslissing op bezwaar en de overige gedingstukken, heeft hierover geen uitsluitsel kunnen bieden. Nu verweerder, hoewel opgeroepen, ook tijdens de zitting van 16 januari 2007 geen nadere toelichting heeft gegeven, is de rechtbank van oordeel dat de gevolgen van het bestreden besluit wegens strijd met het in artikel 7:12 Awb neergelegde motiveringsbeginsel, niet in stand kan blijven.’

2.2 Het UWV heeft vervolgens op 1 maart 2007 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Deze beslissing luidt als volgt:

‘Wij hebben (…) besloten uw bezwaar gegrond te verklaren in die zin dat het aantal reisuren waarover een correctie dient plaats te vinden wordt vastgesteld op 368,5 per jaar over de jaren 1998, 1999 en 2000, 437 over 2001 en 300 over 2002. Het aantal gewerkte uren op de zaterdag wordt vastgesteld op 85 per maand over een periode van 8 maanden. Uw overige bezwaren worden ongegrond verklaard.’

3. Geschil

3.1 In geschil is of de Inspecteur het door belanghebbende verzwegen loon op het juiste bedrag heeft vastgesteld. In het bijzonder is in geschil of bij de berekening van het verzwegen loon rekening moet worden gehouden met een aftrek ter zake van niet-uitbetaalde reisuren (hierna: de reisuren). Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend. Voorts is in geschil het aantal maanden waarover het uitbetaalde loon voor het werken op zaterdag is berekend (hierna: de zaterdaguren). Belanghebbende bepleit een aantal van 8 maanden, de Inspecteur van 10 maanden. Tot slot is in geschil het aantal werkwerken per jaar waarvan voor de berekening van het aantal reisuren moet worden uitgegaan (hierna: het aantal werkbare weken per jaar). Volgens belanghebbende bedraagt dat aantal 30.

3.2 Subsidiair neemt belanghebbende het standpunt in dat de Inspecteur de in 2.2 bedoelde schatting van het UWV moet volgen. Belanghebbende beroept zich daarbij op het gelijkheidsbeginsel.

3.3 Indien het gelijk voor wat betreft de genoemde geschilpunten aan de Inspecteur is, is de hoogte van de over het verzwegen loon berekende belasting niet in geschil.

3.4 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de naheffingsaanslag . De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

3.5 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 De Rechtbank heeft geoordeeld dat in dezen de bewijslast moet worden omgekeerd. Belanghebbende heeft daartegen in hoger beroep niets ingebracht. Het Hof acht het oordeel van de Rechtbank en de daartoe gebezigde gronden juist en rekent die tot de zijne. Dit oordeel brengt mee dat het hoger beroep moet worden afgewezen, tenzij belanghebbende doet blijken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is.

4.2 De Rechtbank heeft in verband daarmee geoordeeld dat belanghebbende niet (overtuigend) heeft aangetoond dat de berekening van de Inspecteur met betrekking tot de reisuren, de zaterdaguren en het aantal werkbare weken per jaar onjuist is en geconcludeerd dat belanghebbende niet heeft doen blijken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. Het Hof sluit zich ook bij deze oordelen en de daartoe gebezigde gronden aan en rekent die tot de zijne.

4.3 De naheffingsaanslag mag niet naar willekeur worden vastgesteld, doch moet berusten op een redelijke schatting van het verzwegen loon. De bewijslast rust daarbij op de Inspecteur. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur – op de hiervoor bedoelde, door de Rechtbank gebezigde gronden – niet onredelijk gehandeld door de reisuren, de zaterdagen en het aantal werkbare weken per jaar op de door hem voorgestane aantallen te schatten. Belanghebbendes in hoger beroep ingenomen standpunt dat de schatting onzorgvuldig, onevenredig, onvoldoende gemotiveerd en derhalve onbruikbaar is, wordt daarom verworpen.

4.4 Op grond van het hiervoor overwogene concludeert het Hof dat de Inspecteur het door belanghebbende verzwegen loon op het juiste bedrag heeft vastgesteld.

4.5 Belanghebbende betoogt dat de hiervóór onder 2.2. bedoelde standpuntbepaling van het UWV ook bindend is voor de Inspecteur. Het Hof verwerpt dit standpunt. Hoewel in dezen sprake is geweest van een door de FIOD-ECD en het UWV gezamenlijk uitgevoerd strafrechtelijk onderzoek, heeft de Inspecteur ter zake van de heffing van loonbelasting en premies volksverzekering in het onderhavige tijdvak een eigen bevoegdheid en is hij naar het oordeel van het Hof niet gebonden aan beslissingen die door het UWV worden genomen. Dit geldt te meer nu de bedoelde beslissing van het UWV (mede) was ingegeven door de uitspraak van de rechtbank te Zutphen, sector bestuursrecht, welke rechtbank niet bevoegd is te oordelen over uitspraken op bezwaar inzake naheffingsaanslagen loonbelasting en premie volksverzekeringen.

4.6 De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende terecht ongegrond verklaard. Ook het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond.

5. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is op 31 januari 2008 gedaan door mr. C.M. Ettema, voorzitter, mr. J. van de Merwe en mr. P.M. van Schie, raadsheren.

De beslissing is op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. C.E. te Brake als griffier.

De griffier, De voorzitter,

(C.E. te Brake) (C.M. Ettema)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 1 februari 2008

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer)

Postbus 20303

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.