Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BC4899

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
31-01-2008
Datum publicatie
22-02-2008
Zaaknummer
07-00074
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wet WOZ.

Vaststelling waarde van woning. Klacht over onjuiste toepassing van de zogenoemde weegschaalmethode wordt verworpen omdat die klacht ziet op het vaststellen van de heffingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008, 425
FutD 2008-0435
Belastingblad 2008/1425
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belasting

nummer 07/00074

Tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de Rechtbank) van 23 februari 2007, nummer AWB 06/416, in het geding tussen belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Almere (hierna: de Ambtenaar).

1. De beschikking, het bezwaar en het geding voor de Rechtbank

1.1. Ten aanzien van belanghebbende is bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak a-straat 1 te Z voor het tijdvak 1 januari 2005 tot en met 31 december 2006 naar de waardepeildatum 1 januari 2003 vastgesteld op € 535.000.

1.2. Op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de vastgestelde waarde heeft de Ambte-naar bij uitspraak op bezwaar de beschikking gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank Zwolle-Lelystad. De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard.

2. Loop van het geding

2.1. Tot de stukken van het geding behoren het beroep- en verweerschrift in hoger beroep en de daarin genoemde bijlagen. Op 25 oktober 2007 is van de zijde van belanghebbende een nader stuk ingekomen.

2.2. Bij het onderzoek ter zitting op 8 november 2007 te Arnhem zijn belanghebbende en de Ambtenaar, bijgestaan door een taxateur in dienst van de gemeente Almere, gehoord.

2.3. Van de zitting is het proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2.4. Direct na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft belanghebbende een kopie van de uitspraak van dit Hof van 19 februari 2004, kenmerk 03/00602, overgelegd. Ter zitting had de Ambtenaar reeds op voorhand ingestemd met de overlegging van deze uitspraak en afgezien van de mogelijkheid hierop te reageren, nu hem de inhoud van deze uitspraak bekend is. Op de na-dien door belanghebbende aan het Hof verzonden brieven met de dagtekeningen 9 en 10 novem-ber 2007 slaat het Hof geen acht, nu de wet niet voorziet in het indienen van stukken na sluiting van het onderzoek ter zitting en het Hof geen aanleiding heeft gevonden de zaak met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht te heropenen.

3. Vaststaande feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door de ene partij gesteld en door de wederpartij niet of onvol-doende weersproken, de volgende feiten vast.

Belanghebbende is eigenaar en bewoner van de tot woning dienende onroerende zaak gelegen aan de a-straat 1 te Z (hierna: de woning). Het betreft een vrijstaande woning met een inhoud van 591 m3. Het perceel waarop de woning is gelegen heeft een oppervlakte van circa 940 m2. De woning is voorzien van een garage. Naast de gebruikelijke vertrekken is op de begane grond ook een slaapkamer gesitueerd. Het schuine dak van de woning begint vanaf de eerste verdieping. De woning is gelegen in een villawijk die eind jaren negentig van de vorige eeuw tot stand is geko-men. De woning is gebouwd in 1998. Het erf van de woning grenst deels aan een straat met soortgelijke, maar onder architectuur gebouwde villa's, deels aan de uitvalsweg van de villawijk en deels aan tuinen al dan niet gescheiden door een watergang.

4. Geschil, standpunten en conclusies van partijen

4.1. Partijen houdt verdeeld, of de Ambtenaar terecht de waarde van de woning op € 535.000 heeft vastgesteld.

4.2. Elk van de partijen heeft voor haar standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van haar afkomstige stukken.

4.3. Daaraan is mondeling toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

4.4. Belanghebbende verzoekt in hoger beroep de waarde van de woning vast te stellen op € 420.000.

4.5. De Ambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ moet de waarde van de woning worden bepaald op de waarde die aan deze onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Naar de bedoeling van de wetgever is deze waarde "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding" (Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 44). In het onderwerpelijke geval geldt daarbij als waardepeildatum 1 januari 2003.

5.2. Ingevolge artikel 4 van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken, die berust op artikel 20, lid 2, van de Wet WOZ en het bijbehorende Uitvoe-ringsbesluit onderbouwing en uitvoering waardebepaling Wet waardering onroerende zaken, wordt de waarde als bedoeld in voornoemd artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ voor wonin-gen bepaald door middel van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn.

5.3. De in de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken neergelegde regels voor de onderbouwing en de uitvoering van de waardebepaling bevatten hulpmiddelen om te bereiken dat dit wettelijke waardebegrip inderdaad wordt gehanteerd. De toetssteen blijft evenwel uiteindelijk de waarde zoals omschreven in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ, en die waarde kan ook op andere manieren worden bepaald (HR 29 november 2000, nr. 35 797, gepubliceerd in BNB 2001/52c).

5.4. Nu belanghebbende de door de Ambtenaar vastgestelde waarde van de woning per 1 januari 2003 op € 535.000 gemotiveerd betwist, rust op de Ambtenaar de last deze vastgestelde waarde aannemelijk te maken.

5.5. In het door de Ambtenaar overgelegde taxatierapport draagt hij verkoopprijzen aan van de woningen aan de a-straat 2 en b-straat 1 die omstreeks de waardepeildatum zijn gerealiseerd. Deze woningen benaderen qua bouwjaar, ligging en onderhoud de woning van belanghebbende en zijn daarmee als zodanig vergelijkbaar. De verkoopprijs van de woning aan de a-straat ligt ondanks een geringere inhoud en een kleiner perceel boven de door de Ambtenaar vastgestelde waarde van de woning van belanghebbende. De Ambtenaar stelt bij de waardering rekening te hebben gehouden met de verschillen tussen deze woningen en de woning van belanghebbende.

5.6. De eveneens in het taxatierapport opgenomen woning aan de a-straat 3 laat het Hof buiten beschouwing, omdat belanghebbende onweersproken stelt dat de garage in gebruik is als woon-ruimte en daarmee geen rekening is gehouden bij de taxatie. Dat voor deze wijziging, die conse-quenties kan hebben voor de verkoopprijs, geen bouwvergunning is aangevraagd en daarom niet in de taxatie is meegenomen, doet hier niet aan af. Deze woning is daarnaast minder goed verge-lijkbaar door de aanwezigheid van een zwembad, waarvan bovendien onduidelijk is welke in-vloed deze heeft op de verkoopwaarde.

5.7. Met het taxatierapport en de daarin vermelde gegevens over waardebepalende factoren als type, ligging, inhoud en bouwjaar maakt de Ambtenaar aannemelijk, dat de woningen aan de a-straat 2 en b-straat 1 als vergelijkingspanden gebruikt kunnen worden bij de bepaling van de waarde van belanghebbendes woning. Met inachtneming van de onderlinge verschillen tussen belanghebbendes onroerende zaak en de in het taxatierapport genoemde objecten geven de gerea-liseerde verkoopprijzen van die objecten steun aan de door de Ambtenaar verdedigde waarde.

5.8. Belanghebbende brengt hiertegen in, dat de Wet WOZ uitgaat van een geobjectiveerde waarde van de woningen. Deze geobjectiveerde waarde dient volgens belanghebbende bepaald te worden door de verschillende soorten woningen in het waardepeilgebied onder te brengen in een referentiestelsel. Van elke soort referentiewoning wordt een waarde vastgesteld. Uit de waarde-ring van de referentiewoning vloeit dan een waarde per kubieke meter voort, welke waarde toegepast dient te worden op de te taxeren woningen van de betreffende soort. Deze door belang-hebbende voorgestane uitleg van de Wet WOZ strookt niet met de onder 5.1. tot en met 5.3. aangehaalde passages uit de wet- en regelgeving, wetsgeschiedenis en jurisprudentie. De Wet WOZ schrijft geen methode van waardering voor, maar definieert een waardebegrip. Het Hof verwerpt daarom de door belanghebbende voorgestane uitleg dat er slechts één methode van waardering mogelijk is. In de door belanghebbende aangehaalde uitspraak van het Hof Arnhem van 19 februari 2004, kenmerk 03/00602, is, anders dan belanghebbende daarin leest, de door hem voorgestane uitleg van de Wet WOZ niet gesanctioneerd, maar is de door hem verdedigde waarde niet onverenigbaar geacht met de transacties van andere min of meer vergelijkbare onroe-rende zaken.

5.9. Daarnaast stelt belanghebbende dat de gemeente Almere een zogenoemde weegschaalme-thode hanteert, waarbij de waardestijging van de woningen wordt gecompenseerd door een lager tarief voor de onroerendezaakbelasting. De gemeente is uitgegaan van een gemiddelde waarde-stijging van 40%. Dit had volgens belanghebbende 35% moeten zijn. De WOZ-waarde van zijn woning is met 62% gestegen, waardoor naar de mening van belanghebbende hij onevenredig meer onroerendezaakbelasting moet betalen. Ook voor de andere heffingen die aansluiten bij de WOZ-waarde van een woning zou volgens belanghebbende daardoor een onjuiste en te hoge heffing ontstaan. Ook dit betoog faalt, nu dit betoog ziet op de vaststelling van de hoogte van de heffingen en niet op de vast te stellen waarde van de woning zelf. Toepassing van deze methode brengt immers mee dat de tarieven van de verschillende heffingen worden aangepast aan de gebleken waarden van de onroerende zaken en niet dat de waarden van onroerende zaken worden vastgesteld op andere waarden dan bedoeld in artikel 17 van de Wet WOZ. Voor de stelling dat bij de weegschaalmethode eerst het bedrag aan te heffing belasting wordt vastgesteld en dat aan de hand daarvan de WOZ-waarden worden vastgesteld, heeft belanghebbende, tegenover de gemotiveerde weerspreking middels het taxatierapport van de Ambtenaar, onvoldoende bewijs aangedragen.

5.10. Gelet op hetgeen de Ambtenaar in het taxatierapport en ter zitting heeft aangedragen, acht het Hof de Ambtenaar erin geslaagd aannemelijk te maken dat de door hem vastgestelde waarde van belanghebbendes onroerende zaak niet te hoog is.

5.11. Belanghebbende verzoekt om openbaarmaking van een register waarin alle in het verleden vastgestelde WOZ-waarden en gegevens van woningen in de gemeente Almere zijn opgenomen. Voor zover dit verzoek is gestoeld op artikel 40 van de Wet WOZ, geldt het volgende. Deze bepaling strekt er toe dat de belastingplichtige bepaalde waardegegevens kan verkrijgen, waar-over hij wenst te beschikken om te kunnen controleren of sprake is van een juiste waardevaststel-ling van zijn onroerende zaak. Gelet op de strekking en bewoordingen van dit artikel dient het verzoek om verstrekking van waardegegevens betrekking te hebben op bepaalde, door de belang-hebbende aangewezen onroerende zaken (HR 21 april 2006, nr. 41 185, gepubliceerd in Belas-tingblad 2006, blz. 572). Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake, omdat belanghebben-de een niet gespecificeerd verzoek heeft ingediend. Voor zover belanghebbendes verzoek is gestoeld op artikel 7:4 van de Algemene wet bestuursrecht op grond waarvan de Ambtenaar inzage in dit register had moeten geven, dan heeft de Ambtenaar eveneens terecht inzage daarin geweigerd. Het Hof merkt het register niet aan als op de zaak betrekking hebbende stukken, nu niet dan wel onvoldoende is komen vast te staan dat het register in zijn volle omvang door de Ambtenaar in deze zaak is gebruikt.

6. Slotsom

Bij de uitspraak van de Rechtbank is het beroep terecht ongegrond verklaard.

7. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan te Arnhem op 31 januari 2008 door mr. R.F.C. Spek, voorzitter, mr. J. van de Merwe en mr. N.E. Haas. De beslissing is op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van drs. V.F.R. Woeltjes als griffier.

(V.F.R. Woeltjes) (R.F.C. Spek)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 4 februari 2008

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

postbus 20303, 2500 EH Den Haag

(bezoekadres: Kazernestraat 52).

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.