Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BC3313

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
01-02-2008
Datum publicatie
01-02-2008
Zaaknummer
TBS 2007\223
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mede gelet op de aard en ernst van het indexdelict en de forensische voorgeschiedenis van betrokkene blijkt niet van een zodanig delictgevaar dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen verlenging van de termijn van terbeschikkingstelling eist. Het recidivegevaar wordt als gering ingeschat. Weliswaar wordt het bij beëindiging van de terbeschikkingstelling hoger ingeschat, maar het hof is van oordeel dat daartegenover factoren staan waarmee dat gevaar afdoende kan worden beheerst. Het hof gaat ervan uit dat een rechterlijke machtiging op grond van de wet BOPZ zal worden aangevraagd als er verandering in negatieve zin zal voorvallen, met name indien betrokkene niet meer medicatietrouw zou zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

TBS 2007\223

Beslissing d.d. 1 februari 2008

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[terbeschikkinggestelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

verblijvende in [verblijfplaats].

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 24 mei 2007, houdende verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar.

Overwegingen:

Het hof zal de beslissing van de rechtbank dienen te vernietigen, daar het recht doet mede op grond van nieuwe stukken.

Het hof is van oordeel dat in casu van een spoedige behandeling van het beroep in de zin van artikel 5, vierde lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden geen sprake is geweest omdat het beroep bijna zes maanden na het instellen van het hoger beroep is behandeld. In de voorliggende zaak oordeelt het hof dat de beslissing om een verdragsrechtelijke schending aan te nemen in zichzelf voldoende bevrediging van het geschonden rechtsgevoel inhoudt.

In het bijzonder gelet op de advisering door de kliniek en hetgeen door de getuige-deskundige ter zitting van het hof naar voren is gebracht is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen niet langer verlenging van de terbeschikkingstelling eist, dat de vordering van de officier van justitie dient te worden afgewezen en dat de terbeschikkingstelling dient te worden beëindigd.

In de tussenuitspraak van 4 december 2007 heeft het hof als volgt overwogen:

“Het hof heeft vooralsnog de volgende indruk gekregen van de persoon van betrokkene en de relevante omstandigheden.

Uit het verlengingadvies van [verblijfplaats] van 8 maart 2007 volgt dat het recidiverisico van betrokkene op toekomstig gewelddadig gedrag op de korte termijn als laag wordt ingeschat. Betrokkene krijgt zijn medicatie in depotvorm. Dit werkt altijd nog een paar dagen door. Als betrokkene weg zou lopen is er derhalve niet direct gevaar voor recidive. Als betrokkene naar een van zijn broers zou gaan - hetgeen door het hof voorshands aannemelijk wordt geacht -, ligt het voor de hand dat contact zou worden opgenomen met de kliniek. In het verlengde van het voorgaande is het de vraag of er sprake is van voldoende delictgevaar als betrokkene na invrijheidsstelling op adequate wijze wordt opgevangen.

Toekomstig gewelddadig gedrag zou blijkens de rapportage aanwezig kunnen zijn indien er geen terbeschikkingstelling meer zou zijn en betrokkene zich voor langere tijd aan zorg zou onttrekken. Hier staat tegenover dat betrokkene het belangrijk vindt in de buurt van zijn familie te zijn, wat de kans op onttrekking aan zorg aanzienlijk verlaagt, en de kans dat hij zich aan de gemaakte afspraken houdt, vergroot.

Ten slotte wordt volgens de rapportage verwacht dat indien betrokkene zijn medicatie niet inneemt, psychotische symptomen naar boven zouden kunnen komen, waardoor er kans is op recidive. Gelet op de brief van psychiater Boksan, verbonden aan de [verblijfplaats], toont betrokkene echter goede therapietrouw ten aanzien van het orale antipsychoticagebruik. Gelet op het voorgaande is het hof vooralsnog van oordeel dat er sprake is van onvoldoende onderbouwing van de noodzakelijke verlenging van de maatregel van de terbeschikkingstelling met het oog op het delictgevaar. Het hof is derhalve voornemens de maatregel te beëindigen.”

Hiermee heeft het hof tot uitdrukking willen brengen dat het de mogelijkheid overwoog de vordering verlenging af te wijzen en het met het oog daarop een bij de behandeling betrokken deskundige wenst te horen over de in dit verband relevante aspecten.

Mede gelet op de aard en ernst van het indexdelict en de forensische voorgeschiedenis van betrokkene blijkt niet van een zodanig delictgevaar dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen verlenging van de termijn van terbeschikkingstelling eist. Het recidivegevaar wordt als gering ingeschat. Weliswaar wordt het bij beëindiging van de terbeschikkingstelling hoger ingeschat, maar het hof is van oordeel dat daartegenover factoren staan waarmee dat gevaar afdoende kan worden beheerst. Betrokkene maakt geen misbruik van de vrij uitgebreide vrijheden. Hij is voorts medicatietrouw. Het hof verwacht dat de naaste familie van betrokkene in staat is te zorgen voor de opvang die betrokkene nodig heeft. Het hof verwacht voorts dat betrokkene onder psychiatrische controle zal blijven. Het hof gaat ervan uit dat een rechterlijke machtiging op grond van de wet BOPZ zal worden aangevraagd als er verandering in negatieve zin zal voorvallen, met name indien betrokkene niet meer medicatietrouw zou zijn.

Beslissing:

Het hof:

Vernietigt de beslissing van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 24 mei 2007 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde.

Wijst af de vordering van de officier van justitie.

Aldus gedaan door

mar Lensing als voorzitter,

mrs Makkinga en Rutgers van der Loeff als raadsheren,

en drs van Iersel en dr Raes als raden,

in tegenwoordigheid van mr Mientjes als griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 1 februari 2008.

Mr Rutgers van der Loeff en de raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen