Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BC3259

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
17-01-2008
Datum publicatie
01-02-2008
Zaaknummer
06-00427
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Volksverzekeringen.

Inwoner van Nederland die in dienstbetrekking werkzaam is bij een in Nederland gevestigde werkgever is in Nederland verzekerings- en pemieplichtig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008, 251
V-N 2008/16.13 met annotatie van Redactie
FutD 2008-0260
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belasting

nummer 06/00427

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X, wonende te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 29 september 2006, nummer 06/1355, in het geding tussen belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P (hierna: de Inspecteur)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende is voor het jaar 2002 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 29.551.

1.2 Belanghebbende heeft tegen deze aanslag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft de aanslag bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 29 september 2006 ongegrond verklaard.

1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Het beroepschrift is ter griffi¬e ontvangen op 31 oktober 2006 en aangevuld op 22 december 2006. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5 De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2007 te Arnhem. Daarbij is de Inspecteur verschenen en gehoord. Belanghebbende is met kennisgeving aan het Hof niet verschenen.

1.6 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

2. De vaststaande feiten

2.1 Belanghebbende woonde in het jaar 2002 in Nederland en was gedurende het gehele jaar in dienstbetrekking werkzaam bij A nv. Belanghebbende heeft haar werkzaamheden gedurende het gehele jaar 2002 uitsluitend buiten Nederland verricht aan boord van zwaar-transportschepen die onder Antilliaanse vlag werden geëxploiteerd.

2.2 In 2001 is de vestigingsplaats van A nv verlegd van België naar Nederland. Gedurende het gehele jaar 2002 was A nv in Nederland gevestigd.

2.3 Belanghebbende heeft over het jaar 2002 aangifte gedaan van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 29.551. In haar aangifte heeft belanghebbende verzocht om een vrijstelling voor de heffing van premies volksverzekeringen.

2.4 Met dagtekening 17 november 2005 is aan belanghebbende de definitieve aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd waarbij – in afwijking van de aangifte – een bedrag van € 8.186 aan premie volksverzekeringen is berekend.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de Inspecteur belanghebbende voor het jaar 2002 terecht heeft aangemerkt als verplicht verzekerde en daarmee als premieplichtige voor de volksverzekeringen. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de Inspecteur bevestigend.

3.2 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.3 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot vermindering van de aanslag met het bedrag van de daarin begrepen premie volksverzekeringen.

3.4 De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Partijen zijn de opvatting toegedaan dat bij de beantwoording van de vraag of belanghebbende behoort tot de kring van verzekerden voor de volksverzekeringen uitsluitend de Nederlandse wet- en regelgeving – in het bijzonder artikel 12, eerste lid, van het Besluit uitsluiting en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (hierna: BUB 1999) – van toepassing is. Het Hof zal partijen hierin volgen nu geen feiten zijn gesteld of aannemelijk geworden die tot de conclusie kunnen leiden dat partijen uitgaan van een onjuiste rechtsopvatting.

4.2 Op grond van artikel 6 van de Algemene Ouderdomswet en soortgelijke bepalingen in de overige volksverzekeringswetten is – onder meer – verzekerd degene die nog niet de leeftijd van 65 jaren heeft bereikt en ingezetene is. Ingevolge artikel 12, eerste lid, van het BUB 1999 is niet verzekerd op grond van de volksverzekeringen: de persoon die in Nederland woont en die gedurende een aaneengesloten periode van ten minste drie maanden uitsluitend buiten Nederland arbeid verricht, tenzij die arbeid uitsluitend wordt verricht uit hoofde van een dienstbetrekking met een in Nederland wonende of gevestigde werkgever.

4.3 Vaststaat dat belanghebbende in het jaar 2002 in Nederland woonde en in dat jaar gedurende een aaneengesloten periode van ten minste drie maanden uitsluitend buiten Nederland arbeid heeft verricht.

4.4 Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij vanaf haar indiensttreding bij A nv tot op heden niet verzekerd is voor de volksverzekeringen omdat zij – gerekend vanaf de aanvang van de dienstbetrekking bij A nv (destijds nog gevestigd in België) – niet uitsluitend arbeid heeft verricht uit hoofde van een dienstbetrekking met een in Nederland wonende of gevestigde werkgever. De uitzondering die is geformuleerd in het laatste zinsdeel van artikel 12, eerste lid, van het BUB 1999 doet zich naar haar mening derhalve niet voor.

4.5 Het Hof verwerpt deze door belanghebbende bepleite uitleg van artikel 12, eerste lid, van het BUB 1999. Blijkens de wetsgeschiedenis van dit artikel heeft de besluitgever gewild dat Nederlandse ingezetenen die ten minste een aaneengesloten periode van drie maanden uitsluitend buiten Nederland arbeid verrichten maar een nauwe band met Nederland behouden en geen of slechts geringe bescherming genieten uit hoofde van het sociale verzekeringsstelsel van het land waar zij werkzaam zijn, in Nederland verplicht verzekerd blijven om zo aan deze groep voldoende bescherming uit hoofde van sociale zekerheid te bieden. Van een nauwe band met Nederland is sprake indien naast het ingezetenschap de werkgever in Nederland woont of is gevestigd. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het gelet op de wetsgeschiedenis niet de bedoeling van de besluitgever is geweest om door toevoeging in het zinsdeel achter de komma van het woord “uitsluitend” van verzekering ingevolge de volksverzekeringen uit te sluiten de persoon die in Nederland woont en uit hoofde van een dienstbetrekking met een in Nederland wonende of gevestigde werkgever werkzaamheden in het buitenland verricht voorzover het betreft de periode waarin uitsluitend voor die werkgever werkzaamheden in het buitenland worden verricht (Hoge Raad 11 februari 2005, nr. 40.390, BNB 2005/159).

4.6 Nu belanghebbende gedurende het gehele jaar 2002 in Nederland heeft gewoond en arbeid heeft verricht uit hoofde van een dienstbetrekking met een in Nederland gevestigde werkgever, is belanghebbende gelet op het hiervoor overwogene in het jaar 2002 verplicht verzekerd en daarmee premieplichtig voor de volksverzekeringen.

4.7 Voor zover belanghebbende ook in hoger beroep een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel ten aanzien van de door haar genoemde persoon die in een bepaalde periode zowel werkzaamheden in dienstbetrekking verrichtte voor een in Nederland gevestigde werkgever als voor een in Brazilië woonachtige werkgever, faalt dit beroep nu er in dezen geen sprake is van feitelijk en rechtens gelijke gevallen. Een dergelijke gelijktijdige dienstbetrekking bij twee werkgevers kan, naar oordeel van het Hof, niet op een lijn worden gesteld met één dienstbetrekking bij een in Nederland gevestigde werkgever.

4.8 De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende terecht ongegrond verklaard. Met inachtneming van bovenstaande gronden, die het oordeel van de Rechtbank deels verbeteren en deels aanvullen, is het hoger beroep eveneens ongegrond.

5. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is op 17 januari 2008 gedaan door mr. C.M. Ettema, voorzitter, mr. J.P.M. Kooijmans en mr. G.T.K. Meussen, raadsheren.

De beslissing is op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.

De griffier, De voorzitter,

(S. Darwinkel)

(C.M. Ettema)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 25 januari 2008

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.