Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BC3200

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
29-01-2008
Datum publicatie
31-01-2008
Zaaknummer
0600588
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De bewoordingen van de eerste zin van bedoeld artikel 7 maken duidelijk dat uitgangspunt is dat de kosten van beëindiging van het leasecontract bij uitdiensttreding niet individueel worden doorbelast. Bij de vervolgens gemaakte uitzondering wordt als eis gesteld “dat de auto wordt ingeleverd (dan wel de bestelling wordt geannuleerd)”. Dat daarbij niet wordt gedoeld op inlevering van de auto bij de leaseafdeling van Capgemini, zoals voorgeschreven in artikel 8 van het leasereglement 2004, maar om inlevering bij de leasemaatschappij, blijkt duidelijk uit de tussen haakjes geplaatste woorden.

Nu Capgemini ook in hoger beroep de stelling van [geïntimeerde], dat Capgemini de auto niet bij de leasemaatschappij heeft ingeleverd, niet heeft betwist, volgt het hof de uitleg van de kantonrechter als gegeven in rechtsoverweging 4 van het beroepen vonnis en maakt die tot de zijne. Weliswaar is juist dat hetgeen de kantonrechter daar heeft overwogen in eerste aanleg niet met zoveel woorden door [geïntimeerde] is aangevoerd, maar nu [geïntimeerde] zijn stellingen op dat punt in hoger beroep heeft aangevuld, kan grief 1 op dat onderdeel geen doel (meer) treffen.

Het hiervoor overwogene brengt mede dat de grieven – wat daar verder ook van zij - geen doel kunnen treffen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 611
Burgerlijk Wetboek Boek 7 613
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2008/53
AR-Updates.nl 2008-0077
JAR 2008, 53
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 29 januari 2008

Rolnummer 0600588

HET GERECHTSHOF TE ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

Capgemini Nederland B.V.,

gevestigd te Utrecht,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna te noemen: Capgemini,

procureur: mr. F.M. Schmitz,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats geïntimeerde],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

procureur: mr. P.M. Wilmink.

De inhoud van het tussenarrest d.d. 21 augustus 2007 wordt hier overgenomen, met dien verstande dat in de eerste regel van pagina 3 van bedoeld arrest in plaats van 31 augustus 2004 moet worden gelezen: 21 augustus 2004.

Het verdere procesverloop

Capgemini heeft een akte genomen, waarbij zij producties heeft overgelegd.

[geïntimeerde] heeft een antwoordakte genomen, eveneens onder overlegging van producties.

Vervolgens heeft [geïntimeerde] de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest.

De verdere beoordeling

1. [geïntimeerde] heeft zich bij memorie van antwoord in hoger beroep op het standpunt gesteld dat hij eerst in het kader van de onderhavige procedure kennis heeft kunnen nemen van het leasereglement 2004. Bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst zou hem wel het "handboek medewerker" zijn overhandigd, inclusief het leasereglement 2000, maar nadien zou hij nimmer gewijzigde leasereglementen hebben ontvangen.

2. Het hof heeft bij genoemd tussenarrest Capgemini in de gelegenheid gesteld op deze nieuwe stelling van [geïntimeerde] te reageren.

3. De reactie van Capgemini komt op het volgende neer. [geïntimeerde] heeft bij indiensttreding het leasereglement 2000 ontvangen. Dat reglement is sindsdien vier keer gewijzigd. Voor wat betreft artikel 7 van het reglement heeft te gelden dat de tekst van dat artikel sinds 2000 ongewijzigd is gebleven, met dien verstande dat de daarin genoemde termijn van vier maanden (na bestelling van de leaseauto) per 1 januari 2003 is gewijzigd in een termijn van zes maanden. Laatstgenoemde termijn is ook opgenomen in het op 1 januari 2004 in werking getreden leasereglement 2004.

4. Capgemini heeft er voorts op gewezen dat uit het bepaalde in artikel 1.1 van het personeelsreglement 2000 blijkt dat Capgemini zich het recht voorbehoudt het reglement in te trekken of te wijzigen, na instemming van de Ondernemingsraad, welke bepaling - in haar visie - dient te worden opgevat als een bepaling ex artikel 7:613 BW, met de kanttekening dat het hier gaat om een - door de Ondernemingsraad - gecontroleerde eenzijdige wijziging. Aangezien de Ondernemingsraad met name de belangen van de werknemers dient te behartigen, moet er volgens Capgemini van worden uitgegaan dat de geëffectueerde wijzigingen in het leasereglement, waaraan de Ondernemingsraad zijn goedkeuring heeft gehecht, een dusdanig zwaarwichtig belang hebben dat het belang van de werknemer dat door die wijzigingen zou kunnen worden geschaad, daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid zou moeten wijken.

5. Daargelaten dat het betoog van Capgemini inzake de eenzijdige wijziging van het leasereglement, gelet op hetgeen ter zake in het tussenarrest van 21 augustus 2007 onder 7 is overwogen, als tardief moet worden aangemerkt, valt uit het enkele feit dat de Ondernemingsraad beweerdelijk telkenmale zijn goedkeuring aan de wijzigingen heeft verleend, niet af te leiden dat Capgemini bij die wijzigingen een zwaarwichtig belang heeft als bedoeld in artikel 7:613 BW. Nu omtrent dat zwaarwichtige belang overigens onvoldoende is gesteld of gebleken, kan ook op de bij nadere akte door Capgemini aangevoerde gronden een rechtsgeldige eenzijdige wijziging van de leaseregeling niet worden aanvaard.

6. Omdat vaststaat dat het leasereglement 2000 wel deel uitmaakt van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst en bovendien vaststaat dat bedoeld artikel 7 slechts is gewijzigd waar het de termijn betreft, kan Capgemini [geïntimeerde] in redelijkheid wel houden aan hetgeen in artikel 7 van het leasereglement 2000 is bepaald.

7. Bij de uitleg van deze contractsbepaling komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij heeft, nu het in casu gaat om een reglement dat deel uitmaakt van een personeelsreglement dat bestemd is om de rechtspositie van de werknemers van Capgemini op uniforme wijze te regelen en [geïntimeerde] bij de opstelling daarvan niet betrokken is geweest, te gelden dat de argumenten voor uitleg van de bewoordingen van de contractsbepaling, waarbij ook acht dient te worden geslagen op de overige bepalingen van het reglement waarvan de betrokken contractsbepaling deel uitmaakt, naar objectieve maatstaven aan gewicht winnen (HR 20 februari 2004, NJ 2005, 493).

Uitgaande van de opzegging van de arbeidsovereenkomst tegen 1 december 2004 en de bestelling van de nieuwe leaseauto op 21 augustus 2004, brengt een en ander mede dat [geïntimeerde] maximaal 4 maandtermijnen verschuldigd zou kunnen zijn.

8. De bewoordingen van de eerste zin van bedoeld artikel 7 maken duidelijk dat uitgangspunt is dat de kosten van beëindiging van het leasecontract bij uitdiensttreding niet individueel worden doorbelast. Bij de vervolgens gemaakte uitzondering wordt als eis gesteld “dat de auto wordt ingeleverd (dan wel de bestelling wordt geannuleerd)”. Dat daarbij niet wordt gedoeld op inlevering van de auto bij de leaseafdeling van Capgemini, zoals voorgeschreven in artikel 8 van het leasereglement 2004, maar om inlevering bij de leasemaatschappij, blijkt duidelijk uit de tussen haakjes geplaatste woorden.

9. Nu Capgemini ook in hoger beroep de stelling van [geïntimeerde], dat Capgemini de auto niet bij de leasemaatschappij heeft ingeleverd, niet heeft betwist, volgt het hof de uitleg van de kantonrechter als gegeven in rechtsoverweging 4 van het beroepen vonnis en maakt die tot de zijne. Weliswaar is juist dat hetgeen de kantonrechter daar heeft overwogen in eerste aanleg niet met zoveel woorden door [geïntimeerde] is aangevoerd, maar nu [geïntimeerde] zijn stellingen op dat punt in hoger beroep heeft aangevuld, kan grief 1 op dat onderdeel geen doel (meer) treffen.

10. Het hiervoor overwogene brengt mede dat de grieven – wat daar verder ook van zij - geen doel kunnen treffen.

Slotsom

11. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd. Capgemini zal, als de in het ongelijk te stellen partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure in hoger beroep (salaris procureur: 1,5 punt tarief I).

Beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis d.d. 6 september 2006, waarvan beroep;

veroordeelt Capgemini in de kosten van deze procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 248,-- aan verschotten en op € 948,-- aan salaris voor de procureur.

Aldus gewezen door mrs. Mollema, voorzitter, Zuidema en Breemhaar, raden,

en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 29 januari 2008 in bijzijn van de griffier.