Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BC3197

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
29-01-2008
Datum publicatie
31-01-2008
Zaaknummer
0700224
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De enkele omstandigheid dat Kaystaete – na het verondersteld bekend worden met het uittreden uit de vof van [geïntimeerde] en het niet meer deelnemen aan de voorheen door die vof geëxploiteerde onderneming – niet te kennen heeft gegeven dat zij [geïntimeerde] nog steeds aansprakelijk hield voor de uit de huurovereenkomst voortvloeiende verplichtingen, is naar het oordeel van het hof volstrekt onvoldoende om aan te nemen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om [geïntimeerde] aan te spreken voor na augustus 2004 ontstane huurschulden. Daarbij moet worden bedacht dat voor afstand van recht of rechtsverwerking enkel stilzitten onvoldoende is.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 248
Wetboek van Koophandel
Wetboek van Koophandel 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2008, 168
JRV 2008, 328
JIN 2008/179
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 29 januari 2008

Rolnummer 0700224

HET GERECHTSHOF TE ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

Kaystaete B.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: Kaystaete,

procureur: mr. P.M. Wilmink,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats geïntimeerde],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

toevoeging,

procureur: mr. A.O.C.A. van Schravendijk.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 28 februari 2007 door de sector kanton, locatie Lelystad van de rechtbank Zwolle-Lelystad, verder aan te duiden als: de kantonrechter.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 3 april 2007 is door Kaystaete, onder overlegging van een productie, hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 17 april 2007.

De grieven staan in de dagvaarding in hoger beroep.

Deze luidt als volgt:

"het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad, sector kanton, locatie Lelystad van 28 februari 2007 (zaaknr. 337547 CV 06-14542) te vernietigen en opnieuw rechtdoende de in prima gestelde vorderingen van appellante alsnog toe te wijzen met veroordelen van geïntimeerde in de kosten van beide instantiën."

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde], onder overlegging van producties, verweer gevoerd met als conclusie:

"Te bekrachtigen het vonnis waarvan beroep met veroordeling van Kaystate in de proceskosten van het geding in eerste aanleg alsmede dit hoger beroep, inclusief nasalaris, in alle kosten van betekening en executie van het in deze te wijzen arrest aan de zijde van [geïntimeerde] voor zover dit dient plaats te vinden, met bepaling dat (bij niet-betaling) vanaf de dag van betekening van het in deze te wijze arrest over deze bedragen de wettelijke rente verschuldigd is vanaf de dag der betekening, dan wel vanaf een dag door u in goede justitie te bepalen"

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

Kaystaete heeft drie grieven opgeworpen.

De beoordeling

1. Tegen de weergave van de vaststaande feiten onder overweging 1.1 tot en met 1.6 van het vonnis waarvan beroep, is geen grief ontwikkeld, zodat ook het hof van die feiten uit zal gaan.

2. Het gaat in deze zaak om de vraag of [geïntimeerde], die per 1 januari 2002 is uitgetreden als vennoot van de vennootschap onder firma Spector Color Snelservice (verder aan te duiden als: de vof), aansprakelijk is voor huurschulden welke de voorheen door de vof gedreven onderneming na 1 januari 2002 heeft gemaakt.

3. De kantonrechter heeft aangenomen dat Kaystaete geacht kan worden in augustus 2004 bekend te zijn geworden met het feit dat [geïntimeerde] niet langer deel uitmaakte van de vof en dat de door de (voorheen) door de vof geëxploiteerde onderneming nog slechts werd gedreven door [de vennoot], de andere vennoot. Nu Kaystate vervolgens niet aan [geïntimeerde] te kennen heeft gegeven dat zij nog steeds aansprakelijk werd gehouden voor eventuele huurachterstanden, oordeelt de kantonrechter het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [geïntimeerde] de eerst na haar uittreding uit de vof ontstane huurachterstand zou dienen te voldoen. De vordering van Kaystaete is vervolgens afgewezen met veroordeling van Kaystaete in de kosten van de procedure.

Met betrekking tot de grieven:

4. Grief I vecht de aanname van de kantonrechter, dat Kaystaete in augustus 2004 bekend is geworden met de uittreding van [geïntimeerde], aan. Grief II richt zich tegen het op die aanname gebaseerde oordeel van de kantonrechter en grief III tegen de daaraan verbonden conclusie (afwijzing van de vordering, met veroordeling van Kaystaete in de kosten van de procedure). Het hof zal de grieven gezamenlijk behandelen.

5. De kantonrechter heeft onder 2.5 van het beroepen vonnis het volgende overwogen:

“Door de uittreding van [geïntimeerde] uit de vennootschap onder firma werd de vennootschap onder firma – gevormd door [de vennoot] en [geïntimeerde] – ontbonden. Door die ontbinding kwam echter geen einde aan de huurovereenkomst. In beginsel bleef [geïntimeerde] dan ook hoofdelijk aansprakelijk voor de uit die overeenkomst voortvloeiende schulden.”

6. Het hof onderschrijft deze overweging, waartegen overigens ook niet is gegriefd.

7. Indien er – veronderstellenderwijs – van wordt uitgegaan dat als vaststaand moet worden aangenomen dat Kaystaete in augustus 2004 bekend is geworden met de uittreding van [geïntimeerde] uit de vof en het niet langer deelnemen van [geïntimeerde] van de voorheen door de vof geëxploiteerde onderneming, rijst de vraag of er sprake is van zodanige omstandigheden dat er ruimte is voor een – op lid 2 van artikel 6: 248 BW gebaseerde - uitzondering op het hiervoor (onder rechtsoverweging 5) weergegeven beginsel.

8. Bij de beantwoording van die vraag staat voorop dat de formulering van lid 2 van artikel 6:248 BW (“naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar”) tot uitdrukking brengt dat de rechter bij toepassing van bedoeld lid 2 de nodige terughoudendheid zal moeten betrachten.

9. De enkele omstandigheid dat Kaystaete – na het verondersteld bekend worden met het uittreden uit de vof van [geïntimeerde] en het niet meer deelnemen aan de voorheen door die vof geëxploiteerde onderneming – niet te kennen heeft gegeven dat zij [geïntimeerde] nog steeds aansprakelijk hield voor de uit de huurovereenkomst voortvloeiende verplichtingen, is naar het oordeel van het hof volstrekt onvoldoende om aan te nemen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om [geïntimeerde] aan te spreken voor na augustus 2004 ontstane huurschulden. Daarbij moet worden bedacht dat voor afstand van recht of rechtsverwerking enkel stilzitten onvoldoende is.

10. Nu verdere omstandigheden, die het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zouden maken dat Kaystatete [geïntimeerde] aanspreekt voor de na augustus 2004 ontstane huurschulden, onvoldoende zijn gesteld of gebleken, treft grief II doel. Daarbij tekent het hof aan dat de omstandigheid dat [geïntimeerde] eerst na het faillissement van de door [de vennoot] gedreven eenmanszaak en het in de schuldsanering geraken van [de vennoot], door Kaystaete is aangesproken tot betaling van de achterstallige huurpenningen, geen gewicht in de schaal legt. Consequentie van hoofdelijke aansprakelijkheid is immers dat men kan worden aangesproken als een andere hoofdelijk aansprakelijke schuldenaar verzaakt.

11. Het vorenstaande brengt mede dat bewijslevering ter zake van de – door [geïntimeerde] gestelde en door Kaystaete betwiste – bekendheid, waarvan hiervoor veronderstellenderwijs is uitgegaan, niet relevant is en achterwege kan blijven.

Slotsom

12. Het vonnis waarvan beroep dient te worden vernietigd en de vordering van Kaystaete, waartegen overigens geen verweer is gevoerd, zal alsnog worden toegewezen. [geïntimeerde] zal, als de in het ongelijk te stellen partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep (salaris procureur in hoger beroep: 1 punt tarief I).

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis van 28 februari 2007, waarvan beroep;

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan Kaystaete van een bedrag groot € 8.368,14, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 oktober 2006, tot de dag der voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van deze procedure in eerste aanleg aan de zijde van Kaystaete begroot op € 367,32 aan verschotten en op € 500,-- aan salaris voor de gemachtigde en in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Kaystaete begroot op € 321,85 aan verschotten en op € 632,-- aan salaris voor de procureur.

Aldus gewezen door mrs. Mollema, voorzitter, Kuiper en Rowel- van der Linde, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 29 januari 2008 in bijzijn van de griffier.