Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BC2708

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
08-01-2008
Datum publicatie
25-01-2008
Zaaknummer
2007/906t
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlengingsprocedure; overgangsrecht.

Pw 36 e.v.; BW 7:370 e.v.; Overgangswet Nieuw BW 74.

Opschorting door pachtster op grond van beweerdelijke ontoegankelijkheid van het gepachte i.v.m. toestand van een draaibrug. Naar aanleiding van plaatsopneming oordeelt het hof het beroep van pachtster op haar opschortingsrecht ten onrechte. Geen verplichte afwijzingsgrond. Belangenafweging. Hof gunt pachtster termijn om alsnog aan haar verplichtingen te voldoen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

8 januari 2008

pachtkamer

rekestnummer: P 2007/0906

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Beschikking

in de zaak van:

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

procureur: mr. P.M. Wilmink,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

procureur: mr. B. Nijman.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van de beschikking van 18 juni 2007, die de pachtkamer van de rechtbank Haarlem, sector kanton, locatie Zaandam, tussen appellante (verder te noemen: [appellante]) als verzoekster en geïntimeerde (verder te noemen: [geïntimeerde]) als verweerder heeft gegeven. Van die beschikking is een fotokopie aan deze beschikking gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 [appellante] is bij op 16 juli 2007 ter griffie van het hof ingekomen beroepschrift in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking. Zij heeft daarbij zes grieven tegen die beschikking aangevoerd, producties overgelegd en het hof verzocht de bestreden beschikking te vernietigen, en opnieuw recht doende het verlengingsverzoek van [appellante] alsnog toe te wijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van deze procedure.

2.2 Bij op 27 augustus 2007 ter griffie van het hof ingekomen verweerschrift heeft [geïntimeerde] verweer gevoerd tegen het door [appellante] in het beroepschrift aangevoerde, producties overgelegd en heeft hij zijnerzijds in voorwaardelijk incidenteel appel drie grieven tegen de bestreden beschikking opgeworpen, en heeft hij het hof verzocht:

in het principaal appel:

[appellante] in haar beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel haar hoger beroep ongegrond te verklaren, met bevestiging van de bestreden beschikking, zo nodig met verbetering van de gronden waarop deze beschikking berust, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten in beide instanties;

in het voorwaardelijk incidenteel appel:

het hoger beroep van [geïntimeerde] gegrond te verklaren en, na vernietiging van de bestreden beschikking, zelf recht doende het pachtverlengingsverzoek van [appellante] af te wijzen, met veroordeling van [appellante] in de kosten van de procedure in beide instanties.

2.3 Bij verweerschrift in het incidenteel appel, op 25 september 2007 ter griffie van het hof binnengekomen, heeft [appellante] de grieven in het voorwaardelijk incidenteel appel bestreden en heeft zij het hof verzocht [geïntimeerde] in dat appel niet-ontvankelijk te verklaren dan wel dat hoger beroep ongegrond te verklaren, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het incidenteel appel.

2.4 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 december 2007. [appellante] is tezamen met haar echtgenoot in persoon verschenen, bijgestaan door mr. O.C. Struif, advocaat te Drachten. [geïntimeerde] is tezamen met zijn echtgenote eveneens in persoon verschenen, bijgestaan door zijn procureur. Bij die gelegenheid hebben partijen aan het hof inlichtingen verstrekt en hebben beide advocaten de wederzijdse standpunten toegelicht.

2.5 Volgens een met partijen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling gemaakte afspraak heeft de voorzitter, mr. Valk, in het gezelschap van de raad mr. ing. Jansens van Gellicum en van de griffier, in de namiddag van 10 december 2007 de situatie ter plaatse in ogenschouw genomen. Op de vraag van de voorzitter aan de advocaten van partijen of zij zich naar aanleiding van hetgeen bij die gelegenheid zichtbaar was per brief wilden uitlaten, hebben beide advocaten ontkennend geantwoord.

2.6 Vervolgens heeft het hof de beschikking bepaald op heden.

3 De vaststaande feiten

3.1 Tussen partijen staat op grond van hetgeen enerzijds is gesteld en anderzijds niet is betwist, alsmede op grond van de niet betwiste inhoud van de overgelegde stukken, het navolgende vast.

3.2 [appellante] pacht van [geïntimeerde] een perceel grasland ter grootte van 8.13.30 ha, thans kadastraal bekend gemeente [...], sectie [...]. De pachtverhouding is in het kader van de landinrichting “[...]” nieuw gevestigd. Conform de beschikking grondkamer Noordwest van 11 februari 2004 eindigt de pachtovereenkomst op 3 oktober 2008.

3.3 Het gepachte wordt ontsloten via een draaibrug over de [...] die door [geïntimeerde] wordt onderhouden. De oorspronkelijke pachtovereenkomst houdt in dat in verband met bedoelde brug het door [appellante] gebruikte materiaal niet zwaarder mag zijn dan 3000 kg per voertuig.

3.4 Tussen partijen zijn in de periode 1998-2005 diverse procedures gevoerd met betrekking tot de vraag of bedoelde brug voldoende draagvermogen heeft. In die procedures is [appellante] steeds geheel of grotendeels in het gelijk gesteld.

3.5 [geïntimeerde] heeft bij aangetekende brief van 17 maart 2006 aan [appellante] kennis gegeven geen verlenging van de pachtovereenkomst te wensen.

3.6 Naar aanleiding van bedoelde kennisgeving heeft [appellante] verlenging van de pachtovereenkomst verzocht. Bij de bestreden beschikking is dat verzoek afgewezen.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 De grieven in het principaal appel en die in het voorwaardelijk incidenteel appel leggen tezamen het geschil in volle omvang aan het hof voor. Het hof zal die grieven dan ook gezamenlijk behandelen.

4.2 Per 1 september 2007 is met de artikelen 7:311 e.v. Burgerlijk Wetboek een nieuwe wettelijke regeling van de pacht in werking getreden en is de Pachtwet vervallen. Aan de orde is de vraag of het geschil tussen partijen naar oud dan wel naar nieuw recht dient te worden beslist.

4.3 Kenmerkend voor het onderhavige geval is dat voorafgaand aan de inwerkingtreding van het nieuwe recht door de verpachter een kennisgeving van niet-verlenging als bedoeld in het tweede lid van artikel 36 Pachtwet is uitgebracht en dat eveneens daaraan voorafgaand door de pachter tijdig om verlenging is verzocht als bedoeld in het derde lid van dat artikel.

4.4 Het nieuwe recht met betrekking tot de verlenging van een pachtovereenkomst verschilt wezenlijk van het oude, niet alleen wat betreft de toepasselijke regels van procesrechtelijke aard, maar ook wat betreft de materiële regels aan de hand waarvan het geschil dient te worden beslist. Artikel 7:367 Burgerlijk Wetboek voorziet in opzegging door de verpachter, welke opzegging volgens artikel 7:368 Burgerlijk Wetboek – anders dan de kennisgeving van niet-verlenging van artikel 36 Pachtwet – op straffe van nietigheid gronden dient te vermelden. Artikel 7:369 Burgerlijk Wetboek houdt in dat, indien de pachter zich binnen zes weken met opgave van redenen tegen de opzegging verzet, het aan de verpachter is om – op de gronden vermeld in de opzegging – te vorderen (het gaat hier dus om een dagvaardingsprocedure) dat de rechter het tijdstip zal vaststellen waarop de overeenkomst zal eindigen. De artikelen 7:370 e.v. Burgerlijk Wetboek voorzien vervolgens in een beoordeling van deze vordering op basis van regels die niet alleen wat betreft hun systematiek maar deels ook inhoudelijk belangrijk verschillen van de regeling van de artikelen 38 e.v. Pachtwet.

4.5 Volgens het eerste lid van artikel 74 Overgangswet Nieuw BW heeft de inwerkingtreding van het nieuwe recht geen gevolgen voor de aard van een lopende procedure, zodat in zoverre oud recht van toepassing blijft. De verzoekschriftprocedure van artikel 36 e.v. Pachtwet is een bijzondere procedure, gericht op de beoordeling van de vraag of – niettegenstaande de kennisgeving van niet-verlenging van de verpachter – verlenging van de pachtovereenkomst dient plaats te vinden, en die procedure kan naar zijn aard niet op iets anders worden gericht. In verband met het hiervoor bedoelde wezenlijke verschil tussen oud en nieuw recht ook wat betreft de materiële regels aan de hand waarvan het geschil dient te worden beslist en tegen de achtergrond van het beginsel van rechtszekerheid, dat het overgangsrecht mede beheerst, moet worden aangenomen dat die materiële regels de aard van de procedure mede bepalen en dat gelet daarop ook wat betreft die materiële regels in beginsel het oude recht van toepassing blijft. Een en ander stemt overeen met de uitleg die door de Minister van Justitie, alsmede door de regeringscommissaris Nieuw Burgerlijk Wetboek, tijdens de behandeling van het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de art. 7:311 e.v. Burgerlijk Wetboek in de Eerste Kamer der Staten-Generaal is gegeven.

4.6 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof oud recht toepassen.

4.7 In de onderhavige procedure speelt het geschil tussen partijen omtrent de draaibrug een belangrijke rol. Dat geschil is zodanig geëscaleerd dat tussen partijen diverse procedures zijn gevoerd, dat (naar het hof begrijpt) ook dwangsommen zijn geëxecuteerd en dat [appellante] vanaf 2002 de volledige pachtprijs heeft ingehouden. Voor deze inhouding beroept [appellante] zich op haar opschortingsrecht.

4.8 [geïntimeerde] stelt zich op het standpunt dat de brug inmiddels voldoet aan de eisen die daaraan gesteld kunnen worden, welke eisen volgens beide partijen inhouden dat van de brug gebruik moet kunnen worden gemaakt door een trekker van circa 3.000 kg en een aanhanger van eveneens 3.000 kg.

4.9 [appellante] bestrijdt dat de brug inmiddels aan deze eisen zou voldoen. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft zij onder meer gezegd dat de situatie met betrekking tot de brug “slechter is dan ooit”, dat de brug niet meer goed open en dicht kan worden gedraaid en dat je alleen “met doodsverachting” met een trekker over de brug kunt rijden, omdat de brug bij het passeren gaat overhellen.

4.10 Ter gelegenheid van de onder 2.5 bedoelde bezichtiging heeft het hof geconstateerd dat de brug door één man is dichtgedraaid en dat vervolgens twee trekkers op de brug zijn gezet en na enige tijd weer van de brug af zijn gereden, zonder dat dit tot problemen aanleiding heeft gegeven. Van enig overhellen van de brug heeft het hof niets kunnen waarnemen.

4.11 Gelet op het voorgaande is het standpunt van [appellante] omtrent de huidige toestand van de brug onvoldoende gemotiveerd. Weliswaar is ter gelegenheid van de bezichtiging van de zijde van [appellante] de opmerking gemaakt dat het draagvermogen van de brug zich niet op het oog laat beoordelen, maar daarmee ziet [appellante] eraan voorbij dat het op haar weg ligt om de feiten en omstandigheden aannemelijk te maken die opschorting van de pachtprijs kunnen rechtvaardigen. Dat heeft zij niet gedaan en gelet op hetgeen ter gelegenheid van de bezichtiging zichtbaar was, heeft zij in ieder geval de huidige problemen met de brug – in strijd met haar gehoudenheid om de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren – schromelijk overdreven.

4.12 Voor zover opschorting van de volledige pachtprijs ooit gerechtvaardigd is geweest, is zij dat thans in ieder geval niet meer. Het enige gebrek in de huidige toestand van de brug dat aannemelijk is geworden, is de slechte kwaliteit van diverse dekplanken op de brug.

4.13 Uit het voorgaande volgt dat [appellante] tekort is geschoten in de nakoming van de pachtovereenkomst. Niettemin oordeelt het hof dat geen sprake is van de toepasselijkheid van de verplichte afwijzingsgrond van artikel 39 Pachtwet. In dit verband overweegt het hof als volgt. Bedoelde tekortkoming is klaarblijkelijk mede het gevolg van de uitgesproken slechte verstandhouding tussen partijen. Die slechte verstandhouding heeft [geïntimeerde] – zo moet het hof aannemen – deels aan zichzelf te wijten. Hij is immers in het verleden ter zake van de toenmalige toestand van de brug meermalen in het ongelijk gesteld; hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen omtrent de huidige toestand van de brug kan daaraan niet afdoen. Reeds gelet op het vorenstaande kan niet worden gezegd dat sprake is van een onbetamelijke bedrijfsvoering door [appellante] of van gegronde klachten in de zin van bedoeld artikel 39.

4.14 Van een verplichte afwijzingsgrond is evenmin sprake in verband met – naar [geïntimeerde] aanvoert – slecht onderhoud en het afstaan van het gebruik aan derden voor het houden van paarden. Dat [appellante] het gepachte onvoldoende onderhoudt, is niet aannemelijk geworden. Bij dit oordeel betrekt het hof de aard van het gepachte, dat gelet op de beperkte toegang tot het gepachte (zie hiervoor onder 3.3) klaarblijkelijk alleen voor min of meer extensief agrarisch gebruik geschikt is. Ook het afstaan van het gebruik aan derden is niet aannemelijk geworden. [appellante] heeft immers aangevoerd dat sprake is geweest van inscharing (welke inscharing volgens haar bovendien korte tijd heeft geduurd) en [geïntimeerde] heeft dit niet gemotiveerd betwist.

4.15 Uit het voorgaande volgt dat op het verlengingsverzoek naar billijkheid dient te worden beslist.

4.16 Anders dan de pachtkamer in eerste aanleg oordeelt het hof dat [appellante] bij verlenging van de pachtovereenkomst een belang van gewicht heeft, onder meer in verband met de veebezetting op haar bedrijf tegen de achtergrond van de toepasselijke mestwetgeving. Het belang van [geïntimeerde] bestaat vooral in het genereren van inkomsten uit het gepachte.

4.17 Het hof ziet aanleiding om overeenkomstig het subsidiaire standpunt van [appellante] haar een (korte) termijn te gunnen waarbinnen zij de achterstallige pacht, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de respectieve vervaldata, dient te voldoen en zal daarom een tussenbeschikking geven. Bedoelde termijn stelt het hof op drie weken na heden.

4.18 Indien [appellante] binnen de door het hof gestelde termijn aan haar verplichtingen voldoet, dient haar belang het zwaarst te wegen en zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en het verlengingsverzoek toewijzen. In verband met de omstandigheid dat [appellante] in het ongelijk is gesteld wat betreft het door haar ingeroepen opschortingsrecht, zal het hof in bedoeld geval de proceskosten compenseren. Indien [appellante] daarentegen volhardt in haar weigering om de achterstallige pacht te voldoen, dient het belang van [geïntimeerde] het zwaarst te wegen. In laatstbedoeld geval zal het hof de bestreden beschikking bevestigen met verbetering van de gronden, afgezien van de beslissing met betrekking tot de proceskosten, en zal het hof [appellante] veroordelen in de kosten van het geding in eerste aanleg en hoger beroep.

4.19 Ter voorkoming van nieuwe geschillen tussen partijen overweegt het hof ten slotte dat het naar ’s hofs voorlopig oordeel op de weg van [geïntimeerde] ligt om voorafgaand aan het aankomende weideseizoen (te stellen op 1 april 2008) de slechte dekplanken op de brug te vernieuwen, waarbij hij overeenkomstig het vonnis van de pachtkamer van het kantongerecht Zaandam van 15 april 1999 de helft van de kosten van die vernieuwing bij [appellante] in rekening kan brengen.

4.20 De slotsom is dat de beslissing in het principaal en het incidenteel appel afhankelijk is van de vraag of [appellante] binnen drie weken na heden alle achterstallige pachtpenningen zal voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de respectieve vervaldata. Partijen dienen zich binnen de hierna te noemen termijn bij brief over een en ander uit te laten. Het hof geeft partijen in overweging om te bezien of zij na deze beschikking hun geschil minnelijk kunnen beëindigen.

5 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

stelt partijen in de gelegenheid om zich binnen vijf weken na heden per brief uit te laten overeenkomstig hetgeen onder 4.20 is overwogen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Valk, Van der Beek en Veling en de raden mr. ing. Jansens van Gellicum en ir. Duenk, en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 januari 2008.