Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BC2653

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
08-01-2008
Datum publicatie
25-01-2008
Zaaknummer
2007/571
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overgangsrecht; eigen gebruik; gegronde klachten.

art. 36 e.v. Pachtwet; art. 7:368 e.v. BW; art. 74 Overgangswet Nieuw BW

De rechtbank heeft in eerste aanleg het verzoek van appellant tot verlenging van de pachtovereenkomst afgewezen, op de grond dat de bedrijfsvoering van appellant niet is geweest zoals het een goed pachter betaamt, dan wel het optreden van appellant jegens geïntimeerde in de afgelopen pachtperiode aanleiding heeft gegeven tot gegronde klachten. De pachtkamer in eerste aanleg heeft bepalend geacht de inhoud van een door haar op dezelfde dag tussen partijen gewezen vonnis ten aanzien van de gevorderde ontbinding van de pachtovereenkomst wegens verkoop door appellant van het met het gepachte samenhangende melkquotum.

Het hof laat in het midden de vraag of sprake is van de verplichte afwijzingsgrond van artikel 39 Pachtwet. Indien de grieven slagen zal in het kader van de devolutieve werking van het hoger beroep alsnog moeten worden beslist op de door geïntimeerde in eerste aanleg aangevoerde stelling dat hij het verpachte persoonlijk voor een tot de landbouw betrekkelijk doel in gebruik wil nemen. Die vraag kan het hof reeds nu beoordelen. Conclusie is dat het verlengingsverzoek dient te worden afgewezen nu vaststaat dat geïntimeerde het verpachte persoonlijk voor een tot de landbouw betrekkelijk doel in gebruik heeft genomen en dat het verlies van het gepachte er niet toe leidt dat de grondslag van het maatschappelijk bestaan van appellant ernstig wordt aangetast.

Beslissing ten gunste van verpachter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

8 januari 2008

pachtkamer

rekestnummer: P 2007/571

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Beschikking

in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

procureur: mr. W.D. Huizinga,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

procureur: mr. J.M. Bosnak.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van de beschikking van 11 april 2007 die de pachtkamer van de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Maastricht, tussen appellant (verder te noemen: [appellant]) als verzoeker en geïntimeerde (verder te noemen: [geïntimeerde]) als verweerder heeft gegeven. Van die beschikking is een fotokopie aan deze beschikking gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2. 1 [appellant] is bij op 11 mei 2007 per fax en op 25 mei 2007 per gewone post ter griffie van het hof ingekomen beroepschrift in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 11 april 2007. Hij heeft daarbij twee grieven tegen die beschikking aangevoerd, een productie overgelegd, bewijs aangeboden en het hof verzocht de bestreden beschikking te vernietigen alsmede, opnieuw recht doende, de pachtovereenkomst alsnog te verlengen zoals in prima verzocht; kosten rechtens.

2. 2 Bij op 5 september 2007 ter griffie van het hof ingekomen verweerschrift heeft [geïntimeerde] verweer gevoerd tegen het door [appellant] in het beroepschrift aangevoerde, bewijs aangeboden, producties overgelegd en het hof verzocht [appellant] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn beroep, althans het door hem verzochte af te wijzen als ongegrond en/of onbewezen, met bekrachtiging van de bestreden beschikking, zonodig onder aanvulling en/of verbetering van de gronden, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep.

2. 3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 december 2007. [appellant] is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. R.Ph.E.M. Cratsborn, advocaat te Meerssen. [geïntimeerde] is eveneens in persoon verschenen, bijgestaan door mr. P.J.W.M. Theunissen, advocaat te Roermond. Bij die gelegenheid hebben partijen aan het hof inlichtingen verstrekt en hebben beide advocaten de wederzijdse standpunten toegelicht.

2. 4 Vervolgens heeft het hof de beschikking bepaald op heden.

3 De vaststaande feiten

3. 1 Tussen partijen staat op grond van hetgeen enerzijds is gesteld en anderzijds niet is betwist, alsmede op grond van de niet betwiste inhoud van de overgelegde stukken het navolgende vast.

3. 2 [appellant] heeft samen met zijn inmiddels overleden broer een perceel landbouwgrond ter grootte van 1,34.50 hectare, gelegen aan [straat] te [woonplaats], kadastraal bekend gemeente [woonplaats], sectie [...], gepacht van [geïntimeerde].

3. 3 De pachtovereenkomst werd aangegaan bij schriftelijke overeenkomst van 15 augustus 2000, goedgekeurd door de grondkamer voor Limburg op 9 maart 2001, ingaande 1 december 2000 en eindigend op 1 december 2006.

3. 4 Bij aangetekende brief van 2 november 2005 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] te kennen gegeven geen verdere verlenging van de pachtovereenkomst te wensen en beëindiging van de pachtovereenkomst per 1 december 2006 na te streven.

3. 4 Op 2 december 2005 heeft [appellant] de rechtbank verzocht de pachtovereenkomst te verlengen.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4. 1 Per 1 september 2007 is met de artikelen 7:311 e.v. Burgerlijk Wetboek een nieuwe wettelijke regeling van de pacht in werking getreden en is de Pachtwet vervallen. Aan de orde is de vraag of het geschil tussen partijen naar oud dan wel naar nieuw recht dient te worden beslist.

4. 2 Kenmerkend voor het onderhavige geval is dat voorafgaand aan de inwerkingtreding van het nieuwe recht door de verpachter een kennisgeving van niet-verlenging als bedoeld in het tweede lid van artikel 36 Pachtwet is uitgebracht en dat eveneens daaraan voorafgaand door de pachter tijdig om verlenging is verzocht als bedoeld in het derde lid van dat artikel.

4. 3 Het nieuwe recht met betrekking tot de verlenging van een pachtovereenkomst verschilt wezenlijk van het oude, niet alleen wat betreft de toepasselijke regels van procesrechtelijke aard, maar ook wat betreft de materiële regels aan de hand waarvan het geschil dient te worden beslist. Artikel 7:367 Burgerlijk Wetboek voorziet in opzegging door de verpachter, welke opzegging volgens artikel 7:368 Burgerlijk Wetboek – anders dan de kennisgeving van niet-verlenging van artikel 36 Pachtwet – op straffe van nietigheid gronden dient te vermelden. Artikel 7:369 Burgerlijk Wetboek houdt in dat, indien de pachter zich binnen zes weken met opgave van redenen tegen de opzegging verzet, het aan de verpachter is om – op de gronden vermeld in de opzegging – te vorderen (het gaat hier dus om een dagvaardingsprocedure) dat de rechter het tijdstip zal vaststellen waarop de overeenkomst zal eindigen. De artikelen 7:370 e.v. Burgerlijk Wetboek voorzien vervolgens in een beoordeling van deze vordering op basis van regels die niet alleen wat betreft hun systematiek maar deels ook inhoudelijk belangrijk verschillen van de regeling van de artikelen 38 e.v. Pachtwet.

4. 4 Volgens het eerste lid van artikel 74 Overgangswet Nieuw BW heeft de inwerkingtreding van het nieuwe recht geen gevolgen voor de aard van een lopende procedure, zodat in zoverre oud recht van toepassing blijft. De verzoekschriftprocedure van artikel 36 e.v. Pachtwet is een bijzondere procedure, gericht op de beoordeling van de vraag of – niettegenstaande de kennisgeving van niet-verlenging van de verpachter – verlenging van de pachtovereenkomst dient plaats te vinden, en die procedure kan naar zijn aard niet op iets anders worden gericht. In verband met het hiervoor bedoelde wezenlijke verschil tussen oud en nieuw recht ook wat betreft de materiële regels aan de hand waarvan het geschil dient te worden beslist en tegen de achtergrond van het beginsel van rechtszekerheid, dat het overgangsrecht mede beheerst, moet worden aangenomen dat die materiële regels de aard van de procedure mede bepalen en dat gelet daarop ook wat betreft die materiële regels in beginsel het oude recht van toepassing blijft. Een en ander stemt overeen met de uitleg die door de Minister van Justitie, alsmede door de regeringscommissaris Nieuw Burgerlijk Wetboek, tijdens de behandeling van het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de art. 7:311 e.v. Burgerlijk Wetboek in de Eerste Kamer der Staten-Generaal is gegeven.

4. 5 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof oud recht toepassen.

4. 6 De rechtbank heeft in eerste aanleg het verzoek van [appellant] tot verlenging van de pachtovereenkomst afgewezen. Naar het oordeel van de pachtkamer in eerste aanleg is de bedrijfsvoering van [appellant] niet geweest zoals het een goed pachter betaamt, dan wel heeft het optreden van [appellant] jegens [geïntimeerde] in de afgelopen pachtperiode aanleiding gegeven tot gegronde klachten.

4. 7 Voor de inhoud van haar beschikking heeft de pachtkamer in eerste aanleg bepalend geacht de inhoud van een door haar op dezelfde dag tussen partijen gewezen vonnis. In de procedure die tot dat vonnis heeft geleid, had [geïntimeerde] ontbinding van de pachtovereenkomst gevorderd omdat [appellant] zonder voorafgaande toestemming van [geïntimeerde] het met het gepachte samenhangende melkquotum zou hebben verkocht. De rechtbank heeft beslist dat [appellant], door zo te handelen, toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de pachtovereenkomst en dat die tekortkoming de ontbinding van de pachtovereenkomst rechtvaardigt.

4. 8 [appellant] heeft tegen de bestreden beschikking (inhoudende afwijzing van zijn verzoek tot verlenging van de pachtovereenkomst) aangevoerd dat de pachtkamer in eerste aanleg daarbij ten onrechte het vonnis in de ontbindingsprocedure tot uitgangspunt heeft genomen. [appellant] heeft eveneens hoger beroep ingesteld tegen dat vonnis en is van mening dat waar het bestreden vonnis onjuist is, althans geen stand kan houden, ook de daarop gebaseerde bestreden beschikking geen stand kan houden.

Voorts betoogt [appellant] dat hij zich steeds als een goed pachter heeft gedragen, zodat de pachtkamer in eerste aanleg ten onrechte concludeert dat zijn bedrijfsvoering niet is geweest zoals een goed pachter betaamt, althans dat zijn optreden jegens [geïntimeerde] in de afgelopen pachtperiode aanleiding heeft gegeven tot gegronde klachten. Over de verkoop van het melkquotum is volgens [appellant] - onverplicht - overleg gevoerd met [geïntimeerde] .

4. 9 [geïntimeerde] heeft het betoog van [appellant] gemotiveerd weersproken.

4. 10 Het hof overweegt dat, zoals ter terechtzitting is besproken, in het onderhavige geding voorshands in het midden zal blijven de vraag of sprake is van de verplichte afwijzingsgrond van artikel 39 Pachtwet. Het oordeel daaromtrent hangt nauw samen met het oordeel dat zal worden gegeven in het eveneens bij dit hof aanhangige hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank van 11 april 2007 waarbij de pachtovereenkomst is ontbonden.

Indien de grieven van [appellant] ten aanzien van de vraag of zich de verplichte afwijzingsgrond van artikel 39 Pachtwet voordoet zouden slagen zal, in het kader van de devolutieve werking van het hoger beroep, alsnog moeten worden beslist op de door [geïntimeerde] in eerste aanleg aangevoerde stelling dat hij het verpachte persoonlijk voor een tot de landbouw betrekkelijk doel in gebruik wil nemen. Die vraag kan het hof reeds nu beoordelen.

4. 11 Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 41 lid 1 Pachtwet het verlengingsverzoek in beginsel dient te worden afgewezen indien de verpachter het verpachte persoonlijk voor een tot de landbouw betrekkelijk doel in gebruik wil nemen. Ingevolge artikel 41 lid 2 van de Pachtwet dient echter naar billijkheid te worden beslist, indien door het verlies van het gepachte de grondslag van het maatschappelijk bestaan van de pachter ernstig zou worden aangetast en het persoonlijk gebruik voor de verpachter niet van overwegende betekenis is.

4. 12 Allereerst dient daarom te worden beoordeeld of [geïntimeerde] het verpachte daadwerkelijk persoonlijk voor een tot de landbouw betrekkelijk doel in gebruik wil nemen. Daartoe dient het beoogde eigen gebruik ernstig gemeend en uitvoerbaar te zijn.

4. 13 [geïntimeerde] heeft gesteld de desbetreffende grond na de beschikking van de rechtbank reeds zelf in gebruik te hebben genomen. [appellant] heeft dat persoonlijk gebruik door [geïntimeerde] erkend, althans niet betwist, zodat moet worden aangenomen dat het voornemen van [geïntimeerde] tot eigen gebruik ernstig gemeend en uitvoerbaar is.

4. 14 Vervolgens dient te worden beoordeeld of door het verlies van het gepachte de grondslag van het maatschappelijk bestaan van [appellant] ernstig zou worden aangetast en, in dat geval, of het persoonlijk gebruik voor de verpachter niet van overwegende betekenis is.

4. 15 Ten aanzien daarvan overweegt het hof dat [appellant] niet heeft aangevoerd, althans niet nader heeft toegelicht, dat door het verlies van het gepachte de grondslag van zijn maatschappelijk bestaan ernstig wordt aangetast. [appellant] heeft geen (jaar)stukken overgelegd waaruit zijn belang bij behoud van het gepachte blijkt. Voorts heeft [appellant] niet betoogd en is ook niet gebleken dat [appellant] niet in staat is zijn landbouwbedrijf voort te zetten bij verlies van het gepachte.

4. 16 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verlengingsverzoek dient te worden afgewezen nu vaststaat dat [geïntimeerde] het verpachte persoonlijk voor een tot de landbouw betrekkelijk doel in gebruik heeft genomen en dat het verlies van het gepachte er niet toe leidt dat de grondslag van het maatschappelijk bestaan van [appellant] ernstig wordt aangetast.

4. 17 Uit het voorgaande volgt dat [appellant] geen belang heeft bij bespreking van de aangevoerde grieven zodat deze vergeefs zijn voorgesteld. De beschikking waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellant] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

5 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de bestreden beschikking van de pachtkamer van de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Maastricht, van 11 april 2007;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 1.788,00 voor salaris van de procureur en op € 251,00 voor griffierecht.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Valk, Smeeïng-van Hees en Van Ditzhuijzen

en de raden ing. De Lorijn en ir. Roelofsen en in tegenwoordigheid van de griffier

uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 januari 2008.