Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BK0340

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
22-08-2007
Datum publicatie
15-10-2009
Zaaknummer
AVNR:759-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Inhoudsindicatie:

Het hoger beroep van de officier van justitie is ingesteld tegen het tussenvonnis inhoudende dat de stukken met betrekking tot telefoongesprekken tussen de voormalige raadsman van verdachte en familieleden van verdachte uit het dossier van verdachte worden verwijderd. Gelet op 138 van het Wetboek van Strafvordering heeft de rechtbank de uitspraak terecht aangeduid als tussenvonnis. Op grond van artikel 406, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan tegen het tussenvonnis slechts gelijktijdig met het hoger beroep tegen het in de strafzaak te wijzen eindvonnis hoger beroep worden ingesteld. De officier van justitie wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep. Op grond van de regeling zoals neergelegd in artikel 126aa en 126cc van het Wetboek van Strafvordering is de officier van justitie gehouden de telefoongesprekken beschikbaar te houden in afwachting van een eventueel hoger beroep tegen het tussenvonnis tegelijk met een eventueel hoger beroep tegen het eindvonnis.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 126aa
Wetboek van Strafvordering 126cc
Wetboek van Strafvordering 138
Wetboek van Strafvordering 406
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2007, 344
NBSTRAF 2007/344

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Beschikking

Pkn: 05/091260-04

Avnr: 000759-07

Het gerechtshof heeft te beslissen op het op 17 juli 2007 ingestelde hoger beroep van de officier van justitie in het arrondissement Arnhem in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [datum],

wonende te [plaats], [straat],

hierna te noemen verdachte.

Het hoger beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Arnhem van 3 juli 2007 inhoudende dat de stukken met betrekking tot telefoongesprekken tussen de voormalige raadsman van verdachte en familieleden van verdachte uit het dossier van verdachte worden verwijderd.

Het hof heeft gehoord in de niet in het openbaar gehouden raadkamer van 15 augustus 2007 de advocaat-generaal en verdachte, bijgestaan door zijn raadsman,

mr. W.J.E. Hendriks, advocaat te Amsterdam.

Het hof heeft kennis genomen van de zich in het dossier bevindende stukken, waaronder:

- de processen-verbaal van de terechtzittingen van de meervoudige strafkamer rechtbank Arnhem op 15 mei 2007, 26 juni 2007, 3 juli 2007 en 17 juli 2007;

- de voormelde beslissing van de rechtbank Arhem;

- de akte van 17 juli 2007, opgemaakt door de griffier van de rechtbank Arnhem, waarbij de officier van justitie hoger beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van 3 juli 2007;

- de appelschriftuur van de officier van justitie, gedateerd 25 juli 2007.

OVERWEGINGEN

1. Ter terechtzitting van de rechtbank Arnhem op 26 juni 2007 heeft de raadsman betoogd dat de tapverslagen met betrekking tot telefoongesprekken tussen de voormalige raadsman van verdachte, [naam], en familieleden van verdachte uit het dossier dienen te worden verwijderd. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat het hier om vertrouwelijke gesprekken gaat, die zijn gevoerd door de voormalige raadsman van verdachte, en derhalve onder het verschoningsrecht van de voormalige raadsman vallen.

2. De rechtbank heeft ter terechtzitting op 26 juni 2007 bepaald dat zij met betrekking tot de vraag of de tapverslagen van de telefoongesprekken tussen [voormalige raadsman van verdachte] en familieleden van de verdachte uit het dossier dienen te worden verwijderd op 3 juli 2007 een schriftelijk tussenvonnis zal wijzen.

3. Bij beslissing van 3 juli 2007 heeft de rechtbank de officier van justitie gelast ervoor zorg te dragen dat de stukken met betrekking tot telefoongesprekken tussen de voormalige raadsman van verdachte en familieleden van verdachte, te weten de tapverslagen en het proces-verbaal van 23 april 2007 van verbalisant [naam], uit het dossier van verdachte worden verwijderd alvorens het dossier in zijn definitieve versie wordt toegezonden aan de rechtbank en aan de raadsman van verdachte.

4. De officier van justitie heeft op 17 juli 2007 tegen voormelde beslissing hoger beroep ingesteld.

5. Het hof heeft ter zitting bepaald dat de behandeling van het hoger beroep op die zitting zich zal beperken tot de vraag of de officier van justitie kan worden ontvangen in zijn hoger beroep, en dat indien die vraag door het hof in de te geven beschikking bevestigend wordt beantwoord, op een nader te bepalen zitting het hoger beroep inhoudelijk zal worden behandeld.

6. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot ontvankelijkheid van het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep, nu – kort samengevat - de beslissing waarvan beroep moet worden aangemerkt als een beschikking en niet als een uitspraak.

7. Namens verdachte heeft de raadsman in raadkamer aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het ingestelde hoger beroep.

8. Artikel 406, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat tegen vonnissen die geen einduitspraken zijn, het hoger beroep slechts gelijktijdig met dat tegen de einduitspraak is toegelaten. Het tweede lid van dat artikel bevat de uitzonderingen op deze regel: het eerste lid is niet van toepassing in het geval dat hoger beroep wordt aangetekend tegen het bevel tot gevangenhouding of gevangenneming en tegen de afwijzing van een verzoek tot opheffing van het bevel tot gevangenhouding of gevangenneming. Dergelijke beslissingen betreffende de voorlopige hechtenis van verdachte kunnen al voor de einduitspraak aan de appelrechter worden voorgelegd. Met de regel van het eerste lid van artikel 406 van het Wetboek van Strafvordering wordt beoogd het hoger beroep te concentreren. De voortgang van het hoofdgeding dient niet te worden belemmerd door tussentijds hoger beroep in te stellen tegen tussenuitspraken.

9. De rechtbank heeft in haar beslissing van 3 juli 2007 uitspraak gedaan over een op de terechtzitting van 26 juni 2007 door de raadsman opgeworpen standpunt. Die uitspraak is gedaan ter terechtzitting van 3 juli 2007 in de vorm van een tussenvonnis. Ingevolge artikel 138 van het Wetboek van Strafvordering worden verstaan onder rechterlijke beslissingen: zowel beschikkingen als uitspraken, onder beschikkingen: de niet op de terechtzitting gegeven beslissingen, en onder uitspraken: de op de terechtzitting gegeven beslissingen. De beslissing waarvan beroep is naar het oordeel van het hof onmiskenbaar een ter terechtzitting gegeven beslissing. De rechtbank heeft die uitspraak dan ook terecht aangeduid als tussenvonnis. Op deze uitspraak is de regel van het eerste lid van artikel 406 van het Wetboek van Strafvordering van toepassing. De uitzonderingen van het tweede lid van dat artikel zijn niet aan de orde. Tegen het tussenvonnis van 3 juli 2007 kan mitsdien slechts gelijktijdig met het hoger beroep tegen het in de strafzaak te wijzen eindvonnis hoger beroep worden ingesteld. Dat betekent dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn hoger beroep tegen het tussenvonnis van 3 juli 2007.

10. Nu het hof de officier van justitie thans niet ontvankelijk zal verklaren in zijn hoger beroep tegen het tussenvonnis van 3 juli 2007, komt het hof thans niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van dat tussenvonnis. Het hof kan daarom niet ingaan op de vraag of de rechtbank bevoegd was te beslissen dat de op de voet van art 126aa, tweede lid, derde volzin, van het Wetboek van Strafvordering gevoegde telefoongesprekken tussen de (thans voormalige) raadsman van verdachte en familieleden van verdachte uit het dossier moeten worden verwijderd en zo ja, of die beslissing terecht en op juiste gronden is genomen.

11. Het hof ziet echter aanleiding om in te gaan op de situatie die met betrekking tot de bedoelde telefoongesprekken is ontstaan door het tussenvonnis. Zoals hiervoor is overwogen, staat voor de officier van justitie hoger beroep open tegen het tussenvonnis maar alleen tegelijk met een hoger beroep tegen het in deze te wijzen eindvonnis. Het tussenvonnis is dus vooralsnog niet onherroepelijk. Als de officier van justitie appelleert van het eind- en het tussenvonnis, zal het hof opnieuw over de kwestie oordelen en dat kan leiden tot een beslissing die er op neer komt dat de telefoongesprekken deel blijven uitmaken van het procesdossier. De regeling in artikel 126aa, tweede lid, derde volzin,van het Wetboek van Strafvordering heeft juist tot doel in afwijking van de normale regel (onder meer) mededelingen, in dit geval in telefoongesprekken, van geheimhouders in het dossier te voegen en niet te vernietigen. Nu het tussenvonnis betrekking heeft op de vraag of die uitzondering op de normale regel in dit geval terecht is toegepast, vallen de bedoelde telefoongesprekken zolang over die vraag niet onherroepelijk is beslist, niet onder de plicht tot vernietiging zoals is bepaald in artikel 126aa, tweede lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering maar moet aansluiting worden gezocht bij het bepaalde van artikel 126cc, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Daarvoor pleit ook dat door de (processen-verbaal van de) bedoelde telefoongesprekken te vernietigen, het hof voor een voldongen feit wordt geplaatst.

De officier van justitie is derhalve niet gehouden bedoelde telefoongesprekken naar aanleiding van het tussenvonnis te vernietigen. Integendeel, hij is gehouden die beschikbaar te houden in afwachting van een eventueel hoger beroep tegen het tussenvonnis tegelijk met een eventueel hoger beroep tegen het eindvonnis.

BESCHIKKENDE

Het hof:

- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen het tussenvonnis van 3 juli 2007.

Deze beslissing is gegeven te Arnhem door mrs. E.A.K.G. Ruys, voorzitter, A.G. Coumans en A.W.M. Elders, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. N.M.H. van Ek, griffier, ondertekend door de voorzitter en de griffier en uitgesproken ter zitting van 22 augustus 2007.