Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BG6072

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
03-07-2007
Datum publicatie
04-12-2008
Zaaknummer
AVNR 11317
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2009:BG4956, Niet ontvankelijk
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2009:BG4956
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Klaagschrift ex artikel 552a Sv over de kennisneming of het gebruik van gegevens als bedoeld in artikel 125i (oud) van het Wetboek van Strafvordering: In een strafzaak is informatie uit het voertuigvolgsysteem van klaagster, die in de auto van verdachte was gemonteerd, opgevraagd. Hiertegen heeft klaagster bezwaar gemaakt. De verweren dat de geregistreerde gegevens niet kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen en dat deze gegevens niet voor verdachte zijn bestemd en dat hij er ook niet de beschikking over heeft zijn verworpen, evenals het verweer dat de commerciële belangen van klaagster onevenredig worden geschaad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE ARNHEM

Parketnummer: 08.700247-05

Avnr: 11317

Het hof heeft na verwijzing door de Hoge Raad te oordelen over het op 22 augustus 2005 ter griffie van de rechtbank Almelo ingekomen klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering van:

[Naam klaagster]

gevestigd en kantoorhoudend [straat] te [plaats],

gekozen woonplaats [straat] te [plaats],

hierna te noemen klaagster,

ingediend door mr. [naam advocaat A], advocaat te [plaats], over de kennisneming of het gebruik van gegevens als bedoeld in artikel 125i (oud) van het Wetboek van Strafvordering. Tevens wordt verzocht te bevelen dat de overgelegde gegevens worden vernietigd.

Het hof heeft gehoord in openbare raadkamer van 19 februari 2007 de advocaat-generaal en klaagster, vertegenwoordigd door haar directeur, [naam directeur], bijgestaan door haar raadsman, mr. [naam advocaat A] voornoemd. Naar aanleiding van zijn tussenbeschikking van 19 maart 2007 heeft het hof in openbare raadkamer van 22 mei 2007 gehoord de advocaat-generaal, klaagster, vertegenwoordigd door haar directeur, [naam directeur], en als [belanghebbende] in de zin van artikel 552a, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering, verdachte:

[Naam belanghebbende],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

wonende te [straat], [plaats],

gekozen woonplaats [straat], [plaats],

bijgestaan door mr. [advocaat B], advocaat te [plaats]. De raadsman van klaagster is hoewel behoorlijk opgeroepen ter zitting van 22 mei 2007 niet verschenen.

Het hof heeft kennis genomen van het klaagschrift van het proces-verbaal van de zitting van 19 februari 2007, van zijn tussenbeschikking van 19 maart 2007 en van de overige zich in het procesdossier bevindende stukken.

OVERWEGINGEN

1. Op [datum] heeft te [plaats] een verkeersongeval plaatsgevonden. Bij dit ongeval waren twee personenauto’s betrokken. De ene auto werd bestuurd door [belanghebbende], de andere auto was een als zodanig herkenbare politieauto die optische en geluidssignalen voerde, en die werd bestuurd door een politieambtenaar van de KLPD. Bij deze aanrijding is (zwaar) lichamelijk letsel ontstaan. [Belanghebbende] wordt ervan verdacht de politieauto niet voor te hebben laten gaan en is aangemerkt als verdachte van overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

2. De door [belanghebbende] bestuurde auto was ten tijde van het ongeval voorzien van een zogenoemde [naam voertuigvolgsysteem A] of [naam voertuigvolgsysteem B]. Door dit apparaat worden gegevens geregistreerd, waaronder gegevens met betrekking tot de door de auto gereden snelheid. Het apparaat is geleverd door klaagster. De geregistreerde gegevens kunnen alleen met hulp van klaagster worden uitgelezen.

3. Op 21 juli 2005 (het hof gaat uit van de handgeschreven datum) heeft de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Almelo, op vordering van de officier van justitie ter zake van bovengenoemde verdenking een gerechtelijk vooronderzoek tegen [belanghebbende] geopend ter zake van overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

4. Op 26 juli 2004 (het hof leest: 2005) heeft de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie in het gerechtelijk vooronderzoek door middel van een bevel ex artikel 125i (oud) van het Wetboek van Strafvordering (de directeur van) klaagster bevolen dat klaagster de gegevens die zijn geregistreerd vanuit de [naam voertuigvolgsysteem A] of [naam voertuigvolgsysteem B] die is gemonteerd in de auto van [belanghebbende], voor zover die gegevens betrekking hebben op het tijdvak van 15 juli 2005 16.40 uur tot 15 juli 2005 17.00 uur, ter beschikking te stellen aan een opsporingsambtenaar van de politieregio Twente.

5. Na overleg met de officier van justitie heeft klaagster op 27 juli 2005 de gegevens in gesloten couvert gedeponeerd ter griffie van de rechtbank Almelo.

6. Klaagster heeft op 22 augustus 2005 bij de rechtbank Almelo een klaagschrift ingediend, waarbij zij bezwaar maakt tegen de (voorgenomen) kennisneming of gebruik van gegevens als bedoeld in artikel 125i (oud) van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank Almelo heeft dit beklag bij beschikking van 19 oktober 2005 gegrond verklaard. Tegen deze beschikking heeft de officier van justitie cassatieberoep ingesteld.

7. De Hoge Raad heeft bij arrest van 17 oktober 2006 de beschikking van de rechtbank Almelo van 19 oktober 2005 vernietigd en de zaak naar dit hof verwezen teneinde de zaak op het bestaande beklag opnieuw te behandelen en af te doen.

8. Klaagster heeft zich - kort samengevat - op het standpunt gesteld dat het bevel niet voldoet aan de formele vereisten van artikel 125i (oud) van het Wetboek van Strafvordering en voorts dat het bevel niet had mogen worden gegeven omdat er geen sprake is van gegevens als bedoeld in artikel 125i (oud) van het Wetboek van Strafvordering, nu:

a. de geregistreerde gegevens niet kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen, in het bijzonder niet omdat met behulp van [naam voertuigvolgsysteem B] geen (betrouwbare) snelheidsgegevens worden verzameld;

b. de geregistreerde gegevens niet voor [belanghebbende] zijn bestemd en hij er ook niet de beschikking over heeft, omdat [naam voertuigvolgsysteem B] alleen in geval van diefstal van de auto van [belanghebbende] locatiegegevens levert om de auto op te sporen, terwijl de andere geregistreerde gegevens diagnostische gegevens zijn die uitsluitend ten dienste staan van klaagster.

Verder staan volgens klaagster de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit aan het bevel in de weg. Met name zouden de commerciële belangen van klaagster onevenredig worden geschaad door het bevel en de kennisneming van de via klaagster verkregen gegevens.

9. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beklag.

10. Klaagster heeft in de eerste plaats gesteld dat het bevel niet voldoet aan de formele vereisten van artikel 125i (oud) van het Wetboek van Strafvordering. Zowel de aan het bevel ten grondslag liggende vordering als het bevel zelf getuigen naar het oordeel van het hof van weinig zorgvuldigheid. Noch in de vordering, noch in het bevel is het strafbare feit vermeld. De vordering bevat zelfs de onjuiste mededeling dat [belanghebbende] van misdrijven wordt verdacht en dat voor die misdrijven voorlopige hechtenis is toegelaten. Verder is in het bevel de naam van de verdachte niet vermeld, wordt daarin klaagster als houder aangemerkt en niet als degene die toegang heeft tot bepaalde gegevens, wordt daarin bevolen dat de gegevens ter beschikking moeten worden gesteld aan een opsporingsambtenaar terwijl de wet voorziet in overbrenging van de gegevens naar de griffie van de rechtbank, en wordt in het bevel geen termijn genoemd.

11. Het hof zal in dit geval aan deze gebreken geen gevolgen verbinden, omdat geen rechtens te respecteren belang van klaagster is geschaad. Voor het openen van een gerechtelijk vooronderzoek is (de verdenking van) een strafbaar feit voldoende, terwijl voor een bevel ex artikel 125i (oud) van het Wetboek van strafvordering geen nadere eisen aan het strafbare feit worden gesteld. De vordering is als bijlage bij het bevel gevoegd. Uit beide stukken - in onderling verband en samenhang bezien - wordt in voldoende mate duidelijk, dat het gaat om een strafrechtelijk onderzoek tegen [belanghebbende] ter zake van de aanrijding waarbij hij met zijn auto was betrokken, en om de gegevens die omstreeks het tijdstip van de aanrijding zijn geregistreerd door [naam voertuigvolgsysteem B] die in de auto van [belanghebbende] is gemonteerd. Uit het bevel blijkt in voldoende mate wat van klaagster wordt verlangd. Dat zij in het bevel niet wordt aangemerkt als degene die toegang heeft tot bepaalde gegevens, dat wordt bevolen dat zij de gegevens ter beschikking stelt aan een opsporingsambtenaar, en dat geen termijn wordt genoemd, is weliswaar onjuist, maar heeft feitelijk niet geleid tot enig misverstand. Klaagster heeft begrepen wat haar te doen stond: zij heeft de gewenste gegevens aan [naam voertuigvolgsysteem B] ontrokken en deze binnen enkele dagen overgebracht naar de griffie van de rechtbank. Voor klaagster is derhalve in dit geval door middel van het bevel en de daarbij gevoegde vordering voldoende duidelijkheid verschaft. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat er al (vruchteloos) voorafgaand contact was geweest tussen het openbaar ministerie en (de advocaat van) klaagster over het ter beschikking stellen van de gegevens.

Klaagster heeft ook nog gesteld dat in het bevel te ruim om gegevens is gevraagd. Voor zover die klacht betrekking heeft op de periode deelt het hof die opvatting niet; het gaat immers om gegevens over een periode van 20 minuten. Voor zover het gaat om de soort gegevens deelt het hof die opvatting evenmin omdat voor de interpretatie van de gegevens niet op voorhand met zekerheid valt te zeggen of bepaalde geregistreerde gegevens achterwege kunnen blijven.

12. Klaagster heeft voorts gesteld dat de geregistreerde gegevens niet kunnen dienen voor het aan de dag brengen van de waarheid. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de gegevens niet (voldoende) betrouwbaar zijn. Voldoende is echter dat er sprake is van gegevens die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen met betrekking tot het feit waarvoor het gerechtelijk vooronderzoek is geopend. Dat is naar het oordeel van het hof het geval, omdat het gaat om gegevens met betrekking tot de door de auto van [belanghebbende] omstreeks het tijdstip van de aanrijding gereden snelheid. Op voorhand hoeft niet vast te staan dat de gegevens (voldoende) betrouwbaar zijn. Dat zal het onderzoek moeten uitwijzen, waarbij de gegevens kunnen worden beoordeeld en gebruikt in samenhang met eventuele andere onderzoeksresultaten. Het uiteindelijke oordeel over de betrouwbaarheid van de gegevens is voorbehouden aan de zittingsrechter.

13. Klaagster heeft verder gesteld dat de geregistreerde gegevens niet voor [belanghebbende] zijn bestemd en dat deze evenmin daarover de beschikking had. Het hof deelt dit standpunt niet. [Naam voertuigvolgsysteem B] is een voertuigvolgsysteem, waarmee ten behoeve van [belanghebbende] gegevens met betrekking tot zijn auto werden geregistreerd. Als onderdeel van dat systeem werden ten tijde van het ongeval van het desbetreffende voertuig snelheidsgegevens geregistreerd. Daarmee is zijn belang bij de geregistreerde gegevens gegeven. Klaagster stelt weliswaar dat de gegenereerde snelheidgegevens als diagnostische gegevens moeten worden aangemerkt die worden gebruikt voor ondersteuning en doorontwikkeling van [naam voertuigvolgsysteem B], maar dat wil niet zeggen dat die gegevens niet voor [belanghebbende] bestemd zijn in de zin van artikel 125i, tweede lid, (oud) van het Wetboek van Strafvordering. Reeds het ondersteunende karakter maakt dat zij als zodanige gegevens beschouwd kunnen worden. Daarnaast heeft [belanghebbende] ook de beschikking over de door [naam voertuigvolgsysteem B] geregistreerde gegevens nu deze in de in zijn auto gemonteerde [naam voertuigvolgsysteem B] worden geregistreerd en opgeslagen. Dat hij is aangewezen op de hulp van klaagster (of derden zoals bijvoorbeeld een gerechtelijk laboratorium) om de gegevens te kunnen uitlezen, doet daaraan niet af.

14. Zoals hiervoor is overwogen, is er sprake van een ernstig verkeersongeval. Het is van belang dat de toedracht daarvan met het oog op (een beslissing over) de (verdere) vervolging van [belanghebbende] wordt onderzocht. De gegevens uit [naam voertuigvolgsysteem B] met betrekking tot de snelheid van de door [belanghebbende] bestuurde auto kort voor en op het moment van de aanrijding kunnen dienen om de waarheid omtrent de toedracht van die aanrijding aan de dag te brengen. Bij gebreke van andere beschikbare aanwijzingen met betrekking tot de snelheid van de door [belanghebbende] bestuurde auto dan de verklaring van [belanghebbende] zelf en het schadebeeld van de auto’s, is het hof van oordeel dat het bevel niet in strijd met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit is gegeven.

15. Tegenover het belang van de waarheidsvinding bij een ernstig verkeersongeval als het onderhavige heeft klaagster voorts haar commerciële belang gesteld. Zij vreest omzetverlies omdat (potentiële) klanten zouden kunnen afhaken indien gegevens uit een [het voertuigvolgsysteem] ter beschikking van justitie moeten worden gesteld. Klaagster stelt dat daarom haar commerciële belang zwaarder moet wegen dan het belang van de waarheidsvinding. Ter onderbouwing van haar vrees heeft klaagster overgelegd een krantenartikel van 21 oktober 2006 dat naar aanleiding van de voornoemde uitspraak van de Hoge Raad is geschreven, waarin - kort samengevat - wordt gemeld dat de gegevens in [naam voertuigvolgsysteem B] voor de opsporing kunnen worden gebruikt. Klaagster heeft de door haar geuite vrees verder niet onderbouwd met concrete feiten. Bovendien heeft klaagster inmiddels alle [voertuigvolgsystemen], ook de aangekochte, zodanig aangepast dat de snelheid - voor zover de 27 km/u te boven gaande - niet meer wordt geregistreerd. Naar het oordeel van het hof is daarom niet aannemelijk geworden dat de door klaagster geuite vrees werkelijkheid zal worden. Reeds daarom kan dit verweer geen doel treffen. Ook als veronderstellenderwijs wordt aangenomen, dat het commerciële belang van klaagster geschaad kan worden, is dat belang gelet op hetgeen dienaangaande is gesteld, van onvoldoende gewicht om in dit geval waar het gaat om een aanrijding met gewonden, het belang van de waarheidsvinding ter zijde te stellen. Het hof komt derhalve tot een andere afweging dan klaagster en is van oordeel dat het belang van de strafvordering voorgaat boven het door klaagster gestelde commerciële belang.

16. [Belanghebbende] heeft gesteld dat de gegevens die uit [naam voertuigvolgsysteem B] in zijn auto zijn verkregen, niet voor het bewijs mogen worden gebruikt omdat deze onrechtmatig zijn verkregen. Die onrechtmatigheid bestaat volgens hem daarin dat aan hem niet de cautie is gegeven toen hem door de politie naar de fabrikant van [naam voertuigvolgsysteem B] werd gevraagd. Desgevraagd heeft hij ter zitting verklaard dat hij de naam van klaagster niet had verstrekt indien hem die cautie was gegeven. Nog daargelaten dat geenszins vaststaat dat [belanghebbende] op het moment van die vraag al als verdachte was aangemerkt, is het hof van oordeel dat het hier gaat om een verweer in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Daarover dient, als tot verdere vervolging wordt overgegaan, de zittingsrechter te oordelen. Het hof ziet in ieder geval geen grond om reeds thans tot de conclusie te komen dat er sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs.

17. [Belanghebbende] heeft voorts aangevoerd dat de gegevens uit [naam voertuigvolgsysteem B] niet tot het bewijs in zijn strafzaak mogen worden gebezigd omdat [naam voertuigvolgsysteem B] geen toegelaten bewijsmiddel zou zijn. Hij stelt daartoe dat het [voertuigvolgsysteem] niet in de Regeling Meetmiddelen Politie is vermeld en dat het niet door het Nederlands Meetinstituut is goedgekeurd. Het hof merkt in de eerste plaats op dat voornoemde regeling zich richt tot de politie. Indien langs andere weg dan door de politie, zoals in dit geval via een door een particulier geïnstalleerd systeem, gegevens omtrent de snelheid van een voertuig worden verkregen, sluit het feit dat dat systeem niet in die regeling wordt genoemd, geenszins op voorhand uit dat die gegevens als bewijs worden gebruikt. Ook het feit dat het [voertuigvolgsysteem] niet door het NMi is goedgekeurd, sluit niet op voorhand uit dat de via dat systeem verkregen gegevens als bewijs worden gebruikt. De toelaatbaarheid en de bewijswaarde van de via [naam voertuigvolgsysteem B] verkregen gegevens zijn, als tot verdere vervolging wordt overgegaan, ter beoordeling van de zittingsrechter.

18. [Belanghebbende] heeft verder nog betoogd dat door het gebruik van de via [naam voertuigvolgsysteem B] verkregen gegevens als bewijsmiddel in zijn strafzaak het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden nu niet iedere auto is voorzien van een [naam voertuigvolgsteem B]. Wat er ook inhoudelijk zij van deze stelling, de aard en de strekking daarvan brengen met zich mee dat deze niet in het kader van de onderhavige procedure beoordeeld dienen te worden maar, als tot verdere vervolging wordt overgegaan, door de zittingsrechter.

19. Tot slot heeft [belanghebbende] zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van gegevens als bedoeld in artikel 125i, tweede lid, (oud) van het Wetboek van Strafvordering: de gegevens zijn niet door hem ingevoerd, niet voor hem bestemd, hebben niet gediend tot het begaan van een strafbaar feit noch ook zijn het gegevens met betrekking tot welke het strafbare feit is gepleegd. Zoals hiervoor onder 13 is overwogen, komt het hof tot een ander oordeel, omdat deze gegevens voor [belanghebbende] zijn bestemd en hij daarover de beschikking heeft.

20. Het hof zal het beklag ongegrond verklaren.

21. Het hof heeft gelet op de artikelen 125i (oud) en 552a van het Wetboek van Strafvordering.

BESCHIKKENDE

Het hof:

- verklaart het beklag ongegrond.

Deze beschikking is gegeven te Arnhem door mrs E.A.K.G. Ruys, voorzitter, A. van Waarden en F.J. H. Rutgers van der Loeff, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. N.M.H. van Ek, griffier, ondertekend door de voorzitter en de griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 3 juli 2007.