Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BE8953

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
22-01-2007
Datum publicatie
21-08-2008
Zaaknummer
AVNRS: 10678 en 10679
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van het hof kunnen de kosten van deskundige A niet worden aangemerkt als kosten die in het belang van het onderzoek zijn gemaakt. De rapportage van deskundige A is niet relevant geweest. Het verzoek zal in zoverre worden afgewezen.

De kosten van deskundige B kunnen wel worden aangemerkt als kosten die in het belang van het onderzoek zijn gemaakt. Deze werkzaamheden komen op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken voor vergoeding in aanmerking op basis € 81,23 per uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE ARNHEM

Pkn: 21-001330-05

Avnr: 10678 en 10679

Het hof heeft gezien het op 1 mei 2006 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift van:

[naam verzoeker],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum],

wonende te [adres verzoeker],

hierna te noemen verzoeker,

ingediend door mr. [naam raadsvrouw A], advocaat te [plaatsnaam], strekkende tot toekenning van een vergoeding ex de artikelen 591 en 591a van het Wetboek van Strafvordering voor de kosten, welke het belang van het onderzoek hebben gediend, en in de kosten van de raadsman, vermeerderd met de kosten voor het indienen en behandelen van het verzoekschrift.

Het hof heeft gehoord in openbare raadkamer van 5 december 2006 de advocaat-generaal en de raadsvrouw van verzoeker, mr. [naam raadsvrouw A] voornoemd.

Verzoeker is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Het hof heeft kennis genomen van de overige zich in het procesdossier bevindende stukken, waaronder de conclusie van de advocaat-generaal en – met instemming van de advocaat-generaal – de brief van 12 december 2006 van mr. [naam raadsvrouw A].

OVERWEGINGEN

1. Bij in kracht van gewijsde gegaan arrest van het hof van 3 februari 2006 is verzoeker vrijgesproken van het hem telastegelegde. De zaak is derhalve geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

2. Het verzoekschrift is tijdig ingediend en is in zoverre ontvankelijk.

3. De advocaat-generaal heeft ter zitting geconcludeerd tot toewijzing van het verzoek met inachtneming van het beleid van het hof inzake de reistijd van de raadsman.

4. De raadsvrouw heeft gepersisteerd bij het verzoek, zoals aangepast in haar op 5 december 2006 ter zitting overgelegde kanttekeningen.

5. Ingevolge artikel 591 van het Wetboek van Strafvordering wordt aan de gewezen verdachte, op een verzoek ingediend binnen drie maanden na beëindiging van de zaak, uit 's Rijks kas een vergoeding toegekend voor de kosten, welke ingevolge het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde ten laste van de gewezen verdachte zijn gekomen, voor zover de aanwending dier kosten het belang van het onderzoek heeft gediend of door de intrekking van dagvaardingen of rechtsmiddelen door het openbaar ministerie nutteloos is geworden.

6. Verzoeker verzoekt om vergoeding van de kosten van de twee door hem ingeschakelde deskundigen, namelijk prof.dr. W.A. Wagenaar en dr. A.S. Syben welke kosten te zijner laste zijn gekomen. Prof. Wagenaar heeft aan verzoeker een bedrag van € 1.650,-- gedeclareerd en dr. Syben een bedrag van € 4.105,50. Verzoeker stelt dat deze kosten in het belang van het onderzoek zijn gemaakt.

7. Naar het oordeel van het hof kunnen de kosten van dr. Syben niet worden aangemerkt als kosten die in het belang van het onderzoek zijn gemaakt. De rapportage van dr. Syben is niet relevant geweest. Het verzoek zal in zoverre worden afgewezen. De kosten van prof. Wagenaar kunnen wel worden aangemerkt als kosten die in het belang van het onderzoek zijn gemaakt. Blijkens zijn declaraties heeft prof. Wagenaar aan zijn rapportages 11 uur besteed. Deze werkzaamheden komen op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken voor vergoeding in aanmerking op basis € 81,23 per uur, zodat aan verzoeker zal worden toegekend een bedrag van € 893,53.

8. Ingevolge artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering kan, indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen, op een verzoek ingediend binnen drie maanden na beëindiging van de zaak, uit 's Rijks kas een vergoeding worden toegekend in de kosten van een raadsman.

Op grond van artikel 90, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.

9. Bij de beoordeling van het verzoek tot vergoeding van de kosten van de raadsman in de zin van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering stelt het hof voorop dat de declaratie van de raadsvrouw niet bepalend is voor het beoordelen van het verzoek, maar een belangrijk uitgangspunt, dat door het hof wordt betrokken in zijn oordeel of er, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn aan verzoeker een vergoeding toe te kennen voor de kosten van de raadsvrouw en zo ja tot welk bedrag. Deze maatstaf voor het beoordelen van het verzoek brengt met zich dat het hof geenszins gebonden is aan de door de raadsvrouw gedeclareerde tijd of het door haar gehanteerde uurtarief.

10. Tegen verzoeker is in 2001 een vervolging aangevangen ter zake van het plegen van ontuchtige handelingen. Op 15 mei, 22 mei en 5 juni 2002 heeft de rechter-commissaris in strafzaken getuigen gehoord. De rechtbank te Arnhem heeft de zaak behandeld ter terechtzitting van 9 oktober 2002 en verzoeker op 23 oktober 2002 veroordeeld. Dit hof heeft de zaak behandeld ter terechtzitting van 27 augustus 2003 en - na een tussenarrest – ter terechtzitting van 16 december 2003 twee getuigen gehoord. Vervolgens heeft het hof op 30 december 2003 arrest gewezen. Tegen dit arrest is cassatieberoep ingesteld. De Hoge Raad heeft het arrest van het hof gecasseerd en de zaak terugverwezen naar dit hof. Het hof heeft de zaak behandeld ter terechtzitting van 20 september 2005 en 20 januari 2006. en bij arrest van 3 februari 2006 verzoeker vrijgesproken.

11. Verzoeker is bijgestaan door mr. [naam raadsvrouw A] voornoemd en in de cassatieprocedure bovendien door mr. [naam raadsman B], advocaat te [plaatsnaam]. Mr. [naam raadsvrouw A] heeft voor haar werkzaamheden € 21.606,23 (inclusief de kosten van prof. Wagenaar € 23.256,23) gedeclareerd en mr. [naam raadsman B] € 1.908,32.

12. Het hof heeft acht geslagen op de aard, de omvang en de complexiteit van de zaak. Het hof heeft als beleid om de gedeclareerde reistijd slechts voor de helft c.q. het halve uurtarief voor vergoeding in aanmerking te nemen. Het hof ziet geen aanleiding om in dit geval van dat beleid af te wijken. Het hof zal in verband met het vorenstaande ter zake van de kosten van mr. [naam raadsvrouw A] op gronden van billijkheid toekennen € 20.000,- (inclusief BTW). Voorts zal het hof de kosten van mr. [naam raadsman B] ad €1.908,32 integraal toekennen.

13. Verzoeker heeft tenslotte verzocht om vergoeding van de kosten ad € 252,03 van mr. [naam raadsman C], advocaat te [plaatsnaam], ter zake van het instellen van cassatieberoep op 13 januari 2004. Het hof ziet geen gronden van billijkheid voor vergoeding van deze kosten, nu het instellen van dat rechtsmiddel ook door verzoeker zelf kan geschieden.

14. Gelet op de landelijke aanbeveling inzake verzoekschriften ex de artikelen 591 en 591a van het Wetboek van Strafvordering zal in het onderhavige geval als vergoeding voor kosten verbonden aan de indiening en behandeling van dit verzoekschrift worden toegewezen € 540,= (inclusief BTW).

BESCHIKKENDE

Het hof:

- kent aan verzoeker toe op gronden als hiervoor omschreven een vergoeding uit ’s Rijks kas ten bedrage van € 23.341,85 (zegge: drieëntwintigduizend driehonderd eenenveertig euro en vijfentachtig cent) en gelast de tenuitvoerlegging daarvan;

- wijst af het meer of anders verzochte;

- beveelt de griffier om bovenstaand bedrag over te maken op een door verzoeker nader op te geven bank- of gironummer.

Deze beschikking is gegeven te Arnhem door mr. E.A.K.G. Ruys, voorzitter, in tegenwoordigheid van B.J. Berendsen, griffier, ondertekend door de voorzitter en de griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 22 januari 2007.