Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BC6125

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
24-09-2007
Datum publicatie
10-03-2008
Zaaknummer
AVNR 412-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

591a Sv: Wanneer er sprake is van een last tot toevoeging, moet volstrekte helderheid worden betracht over de vraag of van de op basis van deze last verstrekte toevoeging gebruik wordt gemaakt dan wel dat verdachte door een gekozen raadsman (betalend) wordt bijgestaan. Dat betekent onder meer dat wanneer de raadsman die op basis van een last aan de verdachte is toegevoegd, wordt opgevolgd door een gekozen raadsman die verdachte betalend zal bijstaan, onmiddellijk van deze wijziging van de basis waarop rechtsbijstand wordt verleend, kennis moet worden gegeven aan de voorzitter van het college dat de last heeft afgegeven, en aan de Raad voor Rechtsbijstand. Het ontbreken van deze helderheid zal het hof niet aan appellant tegenwerpen, nu het hof in dit geval, met name gelet op de omstandigheid dat de raadsman niet kon worden toegevoegd, wil aannemen dat de raadsman abusievelijk is vergeten die helderheid te verschaffen door zich in deze strafzaak als opvolgend, gekozen raadsman te stellen. Het hof zal daarom alsnog overgaan tot het toekennen van een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Zittinghoudende te Arnhem

Pkn: 16-514574-06

Avnr: 412-07

Het gerechtshof heeft te beslissen op het hoger beroep ingesteld door:

[naam appellant]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres],

hierna te noemen appellant.

Het hoger beroep is ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Utrecht van

5 oktober 2006 houdende de beslissing op een verzoek ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering.

Het hof heeft gehoord in openbare raadkamer van 27 augustus 2007 de advocaat-generaal en de raadsman van verzoeker, mr. [naam raadsman A], advocaat te [plaatsnaam]. Appellant is hoewel behoorlijk opgeroepen niet verschenen.

Het hof heeft kennis genomen van:

- het verzoekschrift van appellant, ingekomen op 30 mei 2006 ter griffie van de rechtbank Utrecht;

- het proces-verbaal van de behandeling van het verzoek door de rechtbank;

- voormelde beschikking van de rechtbank;

- de akte rechtsmiddel van 18 december 2006, opgemaakt door de griffier van de rechtbank te Utrecht, waarbij namens appellant hoger beroep werd ingesteld tegen voormelde beschikking;

- de overige zich in het dossier bevindende stukken, waaronder een brief van de raadsman van appellant, mr [naam raadsman A] voornoemd, van 10 juli 2007.

OVERWEGINGEN

1. Het hoger beroep is tijdig ingesteld. Appellant kan in zoverre daarin worden ontvangen.

2. Bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Utrecht van 28 april 2006 is appellant vrijgesproken van het hem telastegelegde. De zaak is derhalve geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

3. De rechtbank heeft het verzoek bij de beschikking waarvan beroep afgewezen.

4. Namens appellant is als grief tegen de beschikking van de rechtbank aangevoerd dat de beschikking van de rechtbank dient te worden vernietigd en de kosten rechtsbijstand alsnog dienen te worden toegewezen, nu de raadsman van appellant met appellant is overeengekomen dat de rechtsbijstand niet op basis van een toevoeging zou worden verleend.

5. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bevestiging van de beschikking waarvan beroep.

6. Ingevolge artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering kan, indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen, op een verzoek ingediend binnen drie maanden na beëindiging van de zaak, uit 's Rijks kas een vergoeding worden toegekend voor de kosten van een raadsman.

Op grond van artikel 90, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.

7. Ingevolge artikel 44a, eerste lid, van de Wet op de rechtsbijstand wordt, indien een verdachte in een strafzaak is bijgestaan door een raadsman die op het moment van de verlening van de rechtsbijstand is toegevoegd, met uitzondering van de vergoeding van de eigen bijdrage, geen kostenvergoeding van een raadsman als bedoeld in artikel 591a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering toegekend, tenzij de toevoeging, anders dan na een daartoe ingediende aanvraag, wordt ingetrokken of beëindigd.

Ingevolge het tweede lid van artikel 44a van de Wet op de rechtsbijstand wordt indien op last van de rechter een raadsman is toegevoegd, overeenkomstig het eerste lid geen kostenvergoeding toegekend, indien de toevoeging op of na de uitspraak van de rechter na een daartoe ingediend verzoek van de verdachte bij de rechterlijke instantie die een last heeft verstrekt, wordt ingetrokken of beëindigd.

8. De kinderrechter in de rechtbank Utrecht heeft op basis van artikel 489, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering een last tot toevoeging afgegeven voor mr. [naam raadsman B], advocaat te plaatsnaam. Mr. [naam raadsman B] heeft in deze strafzaak enige werkzaamheden verricht. De aan mr. [naam raadsman B] afgegeven toevoeging is niet geretourneerd en derhalve in stand gebleven tot na de beëindiging van de zaak.

9. Op 25 april 2006, twee dagen voor de behandeling van de zaak door de kinderrechter, is op verzoek van appellant de verdediging overgenomen door mr [naam raadsman A]. Mr. [naam raadsman A] heeft geen wijziging van de last tot toevoeging gevraagd omdat hij door afspraken in het arrondissement Utrecht niet in aanmerking komt voor een toevoeging in kinderstrafzaken. Hij heeft daarom geen mutatie van de (last tot) toevoeging verzocht. (De ouders van) appellant en mr. [naam raadsman A] hebben op 25 april 2006 de afspraak gemaakt dat hij, mr. [naam raadsman A], appellant betalend zou bijstaan. Mr. [naam raadsman A] heeft hiervan de rechtbank Utrecht, noch de Raad voor Rechtsbijstand onmiddellijk in kennis gesteld.

10. Het hof is van oordeel dat wanneer er sprake is van een last tot toevoeging, volstrekte helderheid moet worden betracht over de vraag of van de op basis van deze last verstrekte toevoeging gebruik wordt gemaakt dan wel dat verdachte door een gekozen raadsman (betalend) wordt bijgestaan. Dat betekent onder meer dat wanneer de raadsman die op basis van een last aan de verdachte is toegevoegd, wordt opgevolgd door een gekozen raadsman die verdachte betalend zal bijstaan, onmiddellijk van deze wijziging van de basis waarop rechtsbijstand wordt verleend, kennis moet worden gegeven aan de voorzitter van het college dat de last heeft afgegeven, en aan de Raad voor Rechtsbijstand. Het ontbreken van deze helderheid zal het hof niet aan appellant tegenwerpen, nu het hof in dit geval, met name gelet op de omstandigheid dat mr. [naam raadsman A] niet kon worden toegevoegd, wil aannemen dat de raadsman abusievelijk is vergeten die helderheid te verschaffen door zich in deze strafzaak als opvolgend, gekozen raadsman te stellen. Het hof zal daarom alsnog overgaan tot het toekennen van een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand.

11. Het hof heeft ten aanzien van de gevraagde vergoeding ter zake van de kosten voor rechtsbijstand acht geslagen op de aard, de omvang en de complexiteit van de strafzaak. Het hof heeft als beleid dat de gedeclareerde reistijd van de raadsman slechts voor de helft c.q. het halve uurtarief in aanmerking wordt genomen. Het hof ziet geen aanleiding om van dit beleid af te wijken. Het hof zal daarom op gronden van billijkheid als vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand in hoger beroep toekennen een bedrag van € 1.820,= (inclusief BTW).

12. Gelet op de landelijke aanbeveling inzake verzoekschriften ex de artikelen 89 en 591a van het Wetboek van Strafvordering, en de omstandigheid dat het verzoekschrift door twee instanties is behandeld, waarbij in eerste instantie niemand is verschenen, kan de vergoeding voor de kosten verbonden aan het indienen en de behandeling van het verzoekschrift worden gesteld op € 540,- (inclusief BTW).

13. Het hof zal gelet op het hiervoor overwogene de beschikking van de rechtbank vernietigen en opnieuw rechtdoen.

BESCHIKKENDE

Het hof:

- vernietigt de beschikking waarvan beroep en kent aan appellant toe op gronden als hiervoor omschreven een vergoeding uit ’s Rijks kas ten bedrage van

€ 2.360,- (tweeduizend driehonderdzestig euro) en gelast de tenuitvoerlegging daarvan;

- wijst af hetgeen meer of anders is verzocht;

- beveelt de griffier om bovenstaand bedrag over te maken op een nog nader op te geven bank- of girorekeningnummer.

Deze beschikking is gegeven te Arnhem door mrs E.A.K.G. Ruys, voorzitter,

A. van Waarden en C.H.B. Winters, raadsheren, in tegenwoordigheid van

B.J. Berendsen, griffier, ondertekend door de voorzitter en de griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 24 september 2007.