Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BC5660

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
11-12-2007
Datum publicatie
04-03-2008
Zaaknummer
512/2007
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezamenlijk gezag wordt beëindigd omdat ieder contact met de andere ouder ontbreekt en het kind medische behandeling behoeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11 december 2007

Familiekamer

Rekestnummer 512/2007

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Beschikking

in de zaak van:

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in het principaal beroep,

verweerster in het incidenteel beroep,

verder te noemen “de moeder”,

procureur mr. A. Huber,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder in het principaal beroep,

verzoeker in het incidenteel beroep,

verder te noemen “de vader”,

procureur mr. J.M. Bosnak.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikkingen van de rechtbank Arnhem van 25 augustus 2004, 7 maart 2005, 28 april 2005, 25 oktober 2005 en 1 februari 2007, uitgesproken onder zaak/rekestnummer 113953 / FA RK 04-11294.

2 Het geding in het principaal en het incidenteel beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 25 april 2007, is de moeder in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 1 februari 2007. De moeder verzoekt het hof die beschikking te vernietigen voor zover daarbij aan haar een informatieverplichting is opgelegd en te bepalen dat deze verplichting niet geldt.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen per fax ter griffie van het hof op 29 mei 2007, heeft de vader het verzoek in hoger beroep van de moeder bestreden. Daarbij heeft de vader tevens incidenteel beroep ingesteld. De vader verzoekt het hof het verzoek van de moeder in het principaal hoger beroep af te wijzen, de bestreden beschikking te bekrachtigen voor zover aan de moeder een informatieverplichting is opgelegd en in het incidenteel beroep de bestreden beschikking te vernietigen voor wat betreft de daarin bepaalde gezagsvoorziening en de afwijzing van de omgangsregeling en, opnieuw beschikkende, het verzoek van de moeder tot wijziging van het gezamenlijk gezag in eenhoofdig gezag af te wijzen en een omgangsregeling tussen de vader en [het kind] vast te stellen van een weekend per veertien dagen alsmede de helft van de schoolvakanties en de feestdagen dan wel een omgangsregeling die het hof juist acht.

2.3 Daarop heeft de moeder in het incidenteel beroep een verweerschrift ingediend, ingekomen ter griffie van het hof op 19 juni 2007, waarin zij het hof verzoekt de zaak te verwijzen naar mediation.

2.4 De mondelinge behandeling heeft op 20 november 2007 plaatsgevonden. De moeder is in persoon verschenen, bijgestaan door haar procureur. Namens de Raad voor de Kinderbescherming te Arnhem (verder te noemen “de raad”) is [...] verschenen.

De vader is -hoewel behoorlijk opgeroepen- niet verschenen.

2.5 Het hof heeft kennis genomen van de overige stukken, waaronder een brief van 8 november 2007 van de procureur van de vader met als bijlage een faxbericht van mr. M.S. Verboom, voorheen advocaat van de vader, kantoorhoudende te Den Haag, van 8 november 2007 (waarin zij meedelen dat zij niet langer optreden als procureur/advocaat van de vader), een faxbericht van 12 november 2007 van mr Verboom met als bijlage een brief van 18 september 2007 van de advocaat aan de vader waarbij deze de vader meedeelt dat de mondelinge behandeling van het hoger beroep op dinsdag 20 november 2007 om 9.45 uur is vastgesteld, en van de door de procureur van de moeder tijdens de mondelinge behandeling overgelegde brief van 10 oktober 2007 van Polikliniek Groot Batelaar betreffende de doorverwijzing van [het kind] naar Karakter.

3 De vaststaande feiten

3.1 Partijen hebben een relatie met elkaar gehad. Uit de relatie van partijen -die gedurende anderhalf jaar tot eind februari 2000 hebben samengewoond- is op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] geboren, [het kind], verder te noemen “[het kind]”. De vader heeft [het kind] erkend. Bij beslissing van 31 mei 2001 heeft de kantonrechter te Arnhem de ouders gezamenlijk belast met de uitoefening van het gezag over [het kind]. [het kind] heeft zijn gewone verblijfplaats bij de moeder.

3.2 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Arnhem op 12 mei 2004, heeft de moeder verzocht om het gezamenlijk gezag te beëindigen en het gezag over [het kind] uitsluitend aan haar toe te wijzen. Bij verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift tot vaststelling van een omgangsregeling heeft de vader verzocht het verzoek van de moeder af te wijzen en een omgangsregeling tussen hem en [het kind] vast te stellen en te bepalen dat de moeder een informatieplicht heeft die inhoudt dat de moeder minstens drie keer per jaar een recente goedgelijkende pasfoto van [het kind] naar de vader stuurt met daarbij een verslag van belangrijke aangelegenheden in het leven van [het kind] en over zijn schoolprestaties.

3.3 Bij tussenbeschikking van 25 augustus 2004 heeft de rechtbank de beslissingen met betrekking tot het gezag en de omgangsregeling aangehouden en de ouders in de gelegenheid gesteld zich tot het maatschappelijk werk te richten.

3.4 Bij tussenbeschikking van 7 maart 2005 heeft de rechtbank de beslissing wederom aangehouden en de raad verzocht te rapporteren en te adviseren over het gezag en de omgangsregeling.

3.5 Bij beschikking van 25 oktober 2005 heeft de rechtbank een voorlopige omgangsregeling tussen de vader en [het kind] vastgesteld uiteindelijk resulterende in een omgangsregeling van iedere veertien dagen van vrijdag 18.00 uur tot zondag 19.00 uur en de beslissing aangehouden met het verzoek aan partijen om de rechtbank schriftelijk de stand van zaken mee te delen betreffende het verloop van het omgangscontact.

3.6 Bij kort geding vonnis van 31 mei 2006 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Arnhem op vordering van de vader een voorlopig omgangsregeling tussen de vader en [het kind] vastgesteld op zaterdag 10 juni 2006 de hele dag, vanaf 24 juni 2006 eenmaal per veertien dagen op zaterdag tot zondag, en vanaf 19 augustus 2006 conform de tussenbeschikking van de rechtbank Arnhem van 25 oktober 2005, partijen verwezen naar mediation en de procedure pro forma aangehouden.

3.7 Bij de bestreden -uitvoerbaar bij voorraad verklaarde- beschikking heeft de rechtbank het gezamenlijk gezag beëindigd, bepaald dat het gezag over [het kind] wordt uitgeoefend door de moeder, het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling tussen de vader en [het kind] afgewezen en de moeder verplicht informatie aan de vader te verstrekken over [het kind], éénmaal per kwartaal schriftelijk aangaande eventuele medische problemen en de algemene ontwikkeling van [het kind], alsmede expliciet verslag te doen van de schoolprestaties van [het kind] en zijn sociale gedrag en positie in de klas op school en éénmaal per half jaar een recente foto van [het kind] naar de vader te sturen.

4 De motivering van de beslissing in het principaal en het incidenteel hoger beroep

4.1 Ingevolge artikel 1:253n BW kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Alsdan bepaalt de rechter aan wie van de ouders voortaan in het belang van het kind het gezag toekomt.

4.2 De vader heeft in incidenteel hoger beroep onder meer bezwaar gemaakt tegen de door de rechtbank gegeven beslissing tot beëindiging van het gezamenlijk gezag van de vader en de moeder over [het kind] en de beslissing dat het gezag over [het kind] alleen door de moeder wordt uitgeoefend. De vader is in hoger beroep niet ter zitting verschenen en hij heeft zijn in zijn incidenteel verzoek in hoger beroep geponeerde stellingen niet nader toegelicht. De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling onbetwist gesteld dat zij wederom niet op de hoogte is van de huidige woon- of verblijfplaats van de vader en dat zij de vader niet kan bereiken. Hiertegenover heeft de vader geen inzicht verschaft in de wijze waarop hij invulling wil dan wel kan geven aan de uitoefening van het gezamenlijk gezag met de moeder over [het kind]. Die uitoefening is praktisch ook niet uitvoerbaar omdat de moeder niet op de hoogte is van de woon- of verblijfplaats van de vader. Bij de uitoefening van het gezamenlijk gezag door de moeder en de vader is bij belangrijke beslissingen aangaande [het kind] de medewerking van de vader vereist. Nu de moeder de vader door diens nalaten niet kan bereiken acht het hof met de raad de door de rechtbank gegeven gezagsvoorziening het meest in het belang van [het kind]. Hierbij betrekt het hof dat [het kind] in verband met de bij hem gediagnosticeerde ADHD-problematiek voor behandeling is geïndiceerd en de moeder dienaangaande alleen moet kunnen beslissen over de noodzakelijke behandeling van [het kind].

4.3 In het algemeen is het in het belang van het kind te achten dat het contact heeft met de niet met het gezag belaste ouder en in beginsel heeft deze ouder ook recht op omgang met zijn of haar kind. Van dit beginsel kan slechts worden afgeweken op de in artikel 1:377a lid 3 BW omschreven gronden.

4.4 Door tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep niet te verschijnen heeft de vader er kennelijk voor gekozen zijn incidenteel verzoek in hoger beroep tot vaststelling van een omgangsregeling tussen hem en [het kind] niet nader toe te lichten. Hiermee heeft de vader onvoldoende onderbouwd dat de omstandigheden waarop de moeder zich beroept om een afwijking van de in 4.3 verwoorde hoofdregel mogelijk te maken zich hier niet voordoen.

De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard nog steeds bang te zijn voor de vader.

Overeenkomstig het advies van de raad ter zitting acht het hof het vaststellen van een omgangsregeling tussen de vader en [het kind] onder de gegeven omstandigheden dan ook in strijd met zwaarwegende belangen van [het kind]. Hier komt nog bij dat gebleken is dat de moeder niet op de hoogte is van de woon- of verblijfplaats van de vader hetgeen de uitvoering van een eventuele omgangsregeling tussen de vader en [het kind] praktisch niet mogelijk maakt. Het hof zal de bestreden beschikking op dit punt bekrachtigen.

4.5 Wanneer het belang van het kind zulks vereist kan de rechter op grond van artikel 1:377b lid 2 BW op verzoek van de met het gezag belaste ouder of ambtshalve bepalen dat de ouder die met het gezag belast is niet gehouden is de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot het kind. Met de raad is het hof van oordeel dat de moeder niet aannemelijk heeft gemaakt dat het belang van [het kind] vereist dat zij geen informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot [het kind] verstrekt aan de vader. Dat de door de rechtbank vastgestelde informatieverplichting op termijn schadelijk kan zijn voor [het kind] omdat de vader over allerlei informatie over [het kind] beschikt terwijl [het kind] de vader niet kent, zoals de moeder tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft gesteld, acht het hof -zonder nadere onderbouwing die ontbreekt- onvoldoende aannemelijk gemaakt.

Nu gebleken is dat [het kind] voor behandeling is doorverwezen naar Karakter is het hof met de raad van oordeel dat die informatievoorziening van de vader eventueel door tussenkomst van die organisatie dan wel door tussenkomst van de advocaat van de moeder en/of de advocaat van de vader kan plaatsvinden, voor zover zij de mogelijkheid hebben de woon- of verblijfplaats van de vader te achterhalen.

Ook op dit punt zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

5 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Arnhem van 1 februari 2007;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Wammes, Rijken en Van den Dungen en is op 11 december 2007 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.