Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BC5301

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
18-12-2007
Datum publicatie
28-02-2008
Zaaknummer
2005/149
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De conclusie [...] luidt dat ook ingeval zou komen vast te staan dat de volgens [appellant] tussen hem en [B.] op 29 januari 1998 uitgewisselde zinnen inderdaad zijn uitgesproken en deze zinnen bovendien gekwalificeerd moeten worden als een aanvankelijk afdwingbaar bedoelde toezegging op het punt van de pensioenschade, art. 18 van de vaststellingsovereenkomst aan toewijzing van het thans door [appellant] als nakoming van die toezegging gevorderde in de weg staat. De in deze procedure nog resterende vordering van [appellant] moet dus worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2008-0135
PJ 2008, 12
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 december 2007

eerste civiele kamer

rolnummer 2005/149

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

procureur: mr. F.J. Boom,

tegen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Eemsmond Beheer B.V.,

gevestigd te Delfzijl,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Eemsmond Betoncentrale B.V.,

gevestigd te Delfzijl,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Maatschappij tot exploitatie van betonbedrijven in Nederland (Mebin) B.V.

thans genaamd Mebin B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Beton Mortelbedrijven Cementbouw B.V.

gevestigd te Heemstede,

geïntimeerden,

procureur: mr. L. Paulus.

1 Het geding in de vorige instanties

Voor het verloop van de procedure in de vorige instanties wordt verwezen naar het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 2 april 2004 nr. C02/318HR (NJ 2004, 656), in cassatie gewezen tussen appellant (hierna: [appellant]) als eiser tot cassatie en geïntimeerde (hierna: Eemsmond c.s.) als verweersters in cassatie. Een fotokopie van dat arrest is aan dit arrest gehecht. Daarin heeft de Hoge Raad het arrest van het gerechtshof te Leeuwarden van 21 augustus 2002 vernietigd en het geding verwezen naar dit hof ter verdere behandeling en beslissing.

2 Het geding in hoger beroep na verwijzing

2.1 [appellant] heeft bij exploot van 13 januari 2005 aan Eemsmond c.s. voormeld arrest van de Hoge Raad aangezegd en hen opgeroepen te verschijnen voor dit hof om voort te procederen.

2.2 [appellant] heeft vervolgens een memorie na verwijzing genomen en daarbij bewijs aangeboden en producties in het geding gebracht. Zij heeft geconcludeerd dat [appellant] zijn standpunten handhaaft.

2.3 Eemsmond c.s. hebben daarop een memorie van antwoord na verwijzing genomen en daarbij bewijs aangeboden en producties in het geding gebracht. Zij hebben geconcludeerd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, [appellant] in zijn vorderingen niet-ontvankelijk zal verklaren, dan wel deze vorderingen als ongegrond en onbewezen zal afwijzen met zo mogelijk bevestiging (zo nodig onder verbetering of aanvulling der gronden) van het in dit hoger beroep bestreden vonnis van de rechtbank Groningen van 8 januari 1999 met veroordeling van [appellant] in de kosten van alle instanties, waaronder de kosten van deze procedure.

2.4 Ter zitting van 4 oktober 2007 hebben partijen de zaak doen bepleiten, [appellant] door mr. M.R. Gans, advocaat te Groningen, en Eemsmond c.s. door mr. M.J.H. Halsema, advocaat te Rotterdam; beiden hebben pleitnotities in het geding gebracht. Aan [appellant] is daarbij akte verleend van het in het geding brengen van nieuwe stukken.

2.5 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1 De rechtbank Groningen heeft in het bestreden vonnis van 8 januari 1999 onder nr. 2 feiten vastgesteld. Aangezien daartegen in hoger beroep geen grieven zijn aangevoerd of bezwaren zijn geuit, en ook het oordeel van de Hoge Raad in zijn arrest van 2 april 2004 geen consequenties heeft voor die vaststellingen, zal het hof van die feiten uitgaan.

3.2 Een van die vaststellingen is dat geïntimeerde sub 2 betalingen van fl. 108.902,66 en fl. 61.446,-- heeft gedaan ter zake van affinanciering van [appellant]’s collectieve en individuele pensioenvoorziening.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep na verwijzing

4.1 In deze procedure gaat het alleen nog om de vordering van [appellant] tot veroordeling van Eemsmond c.s. tot betaling van een volgens [appellant] overeengekomen vergoeding wegens pensioenschade ten bedrage van fl. 403.963,--. [appellant] heeft aan die vordering ten grondslag gelegd dat in een bespreking op 29 januari 1998 is afgesproken dat [appellant] vergoeding zou ontvangen van zijn pensioenschade, welke schade volgens latere opgave van Nationale Nederlanden te stellen is op voornoemd bedrag van fl. 403.963,--. De rechtbank heeft deze vordering in haar eindvonnis afgewezen. Het hof te Leeuwarden heeft dit vonnis bekrachtigd, waarna de Hoge Raad het arrest van het hof vernietigde en de zaak verwees naar dit hof. Aldus zal het hof alsnog hebben te beoordelen of de door [appellant] gestelde afspraak op 29 januari 1998 tot toewijzing van de vordering kan leiden. In hun verweer hebben Eemsmond c.s. – onder meer – betwist dat die afspraak tot stand gekomen is. Ook hebben Eemsmond c.s. gewezen op art. 18 van de vaststellingsovereenkomst (hierna ook aan te duiden als het ‘kwijtingsbeding’), waarin is opgenomen dat partijen elkaar met uitzondering van hetgeen in de vaststellingsovereenkomst is bepaald, algehele en finale kwijting verlenen van al hetgeen zij uit hoofde van de voormalige dienstverbanden dan wel de beëindiging daarvan te vorderen hebben, dan wel te vorderen mochten krijgen, daaronder begrepen vorderingen welke ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst nog niet bekend waren. Volgens Eemsmond c.s. is met de onder 3.2 hiervoor bedoelde betalingen alles voldaan wat zij op het gebied van [appellant]’s pensioenaanspraken verschuldigd waren.

4.2 Naast de onderhavige procedure heeft [appellant] bij dit hof (rekestnr. 2006/193) een voorlopig getuigenverhoor geïnitieerd. Daarin heeft hij zichzelf en [A.] onder ede laten horen. In de onderhavige procedure heeft [appellant] bij memorie na verwijzing de afgelegde getuigenverklaringen in het geding gebracht en daarnaar verwezen ter ondersteuning van zijn stellingen. Desgevraagd heeft [appellant] ten pleidooie ook expliciet aangegeven dat hij bij de door hem als getuige afgelegde verklaring blijft en dat hij het daarin door hem gegeven feitelijke relaas ook in de onderhavige procedure aan zijn vordering ten grondslag legt.

4.3 Daaruit volgt dat in deze procedure de (door Eemsmond c.s. overigens op diverse onderdelen betwiste) feitenlezing van [appellant] aldus gepreciseerd kan worden dat op 12 januari 1998 stukken aan de advocaat van de wederpartij verzonden zijn die betrekking hadden op de pensioenschade, dat op 13 januari 1998 een bespreking heeft plaatsgevonden waarin overeenstemming is bereikt over de aan [appellant] te betalen vergoeding, dat [appellant] van die bespreking slechts het eerste deel zelf ook heeft bijgewoond, waarna zijn advocaat de bespreking heeft voortgezet en afgerond, dat [appellant] denkt hij tijdens die bespreking ook de term ‘pensioenschade’ heeft gebruikt, dat hij daarbij zijn wens denkelijk geformuleerd heeft als ‘ik wil mijn pensioen tot mijn 65e betaald hebben’, en dat na die bespreking nog uitgezocht zou worden hoe het zat met het pensioen uit de zgn. ‘Lommertstijd’ – de periode voorafgaand aan het dienstverband met Eemsmond c.s.. Vervolgens heeft op 26 januari 1998 een contact plaatsgevonden tussen [appellant] en [B.] – (president) commissaris van geïntimeerde sub 1 – waarin niet gesproken is over pensioenschade. Op 29 januari 1998 zou dan de door [appellant] gestelde overeenkomst tot stand gekomen zijn doordat – tijdens een korte ontmoeting in een geïrriteerde sfeer – [appellant] aangaf niet te willen vertrekken zolang de pensioenschade niet geregeld was, waarna [B.] zou hebben geantwoord: ‘ik ga akkoord met de pensioenschade, ik heb opdracht gegeven aan [C.] om het af te handelen, ik ben er zat van’. Volgens [appellant] is er daarna niet meer over gesproken en heeft hij op 31 januari 1998 (en vervolgens nogmaals in vijfvoud op 12 februari 1998) de vaststellingsovereenkomst ondertekend. Tot slot heeft [appellant] nog aangegeven dat in zijn visie ook het uitzoeken van het Lommertspensioen na voornoemde toezegging van [B.] niet meer nodig was.

4.4 De omstreden – en zonder nadere (tegen)bewijslevering ook nog niet te beantwoorden – vraag of aldus een overeenkomst tot stand is gekomen, zal het hof in het midden laten omdat het – ook als het uitgaat van de juistheid van hetgeen [appellant] omtrent de feitelijke totstandkoming van de afspraak over pensioenschade stelt – van oordeel is dat een dergelijke afspraak getroffen wordt door de werking van het onder 4.1 bedoelde kwijtingsbeding in art. 18 van de vaststellingsovereenkomst.

4.5 Daartoe zal eerst door uitleg moeten worden bepaald wat de inhoud en strekking is van deze bepaling in de vaststellingsovereenkomst. Daarbij geldt dat ook voor een dergelijk kwijtingsbeding in een vaststellingsovereenkomst de uitleg moet plaatsvinden met inachtneming van de Haviltex-formule. Kern van die formule is dat de tekst van de overeenkomst alleen niet allesbepalend is. Hoewel de tekst van de overeenkomst een eerste aanknopingspunt is, waarbij de aard van een vaststellingsovereenkomst al meebrengt dat groot gewicht moet worden toegekend aan de bewoordingen daarvan, gaat het uiteindelijk om datgene wat partijen hebben bedoeld en wat zij over en weer omtrent de bedoelingen van de andere partij hebben mogen begrijpen. Daarbij kunnen verschillende gezichtspunten een rol spelen. Toepassing van de formule betekent overigens allerminst dat de bewoordingen van de uit te leggen contractsbepaling zonder betekenis zijn; onder omstandigheden kan daaraan ook beslissende betekenis toekomen.

4.6 Het hof stelt voorop dat de tekst van het kwijtingsbeding in op zichzelf duidelijke bewoordingen formuleert dat partijen – afgezien van hun verplichtingen zoals die in de vaststellingsovereenkomst zelf zijn opgenomen – geen enkele aanspraak meer op elkaar hebben. Gelet op die bewoordingen van het beding – en op de bewoordingen van de overige bepalingen van de overeenkomst, waaronder de in art. 13a-13c geformuleerde backservice-verplichting voor het tijdens het dienstverband opgebouwde pensioen – concludeert het hof dat uit de letterlijke tekst van de vaststellingsovereenkomst zou volgen dat ook de hiervoor onder 4.3 bedoelde afspraak als door [appellant] gesteld, wordt getroffen door de werking van het kwijtingsbeding, nu enige aanspraak op ‘pensioenschade’ – ook in de visie van [appellant] – niet in de vaststellingsovereenkomst is verwoord, laat staan dat daarin een aanspraak is geformuleerd op het thans door [appellant] als pensioenschade gevorderde bedrag.

4.7 Daarmee staat echter nog niet vast dat de vaststellingsovereenkomst ook daadwerkelijk in die letterlijke zin moet worden uitgelegd. Bezien moet immers worden wat partijen bij het aangaan van die overeenkomst over en weer bedoelden en omtrent elkaars bedoelingen mochten begrijpen. In zijn algemeenheid kan daarbij worden opgemerkt dat partijen ervan uit moeten gaan dat wanneer in een geval van langdurige schriftelijke en mondelinge onderhandelingen het uiteindelijke onderhandelingsresultaat uitmondt in een schriftelijke vaststellingsovereenkomst waarin een finaal kwijtingsbeding is opgenomen, daarmee ook daadwerkelijk over en weer kwijting plaatsvindt voor iedere (mogelijke) aanspraak buiten die vaststellingsovereenkomst. Gelet op het feit dat in het onderhavige geval inderdaad sprake was van langdurige onderhandelingen die zowel schriftelijk als mondeling werden gevoerd, waarbij partijen over en weer werden bijgestaan door een advocaat en waarin uiteindelijk de bewuste vaststellingsovereenkomst met art. 18 werd opgesteld en ondertekend, moet [appellant] begrepen hebben dat zijn wederpartij bij die onderhandelingen wilde komen tot een finale regeling en een expliciete vastlegging daarvan.

4.8 In dat verband is in de eerste plaats nog van belang dat de door [appellant] gestelde afspraak omtrent de pensioenschade gemaakt zou zijn kort voor de finalisering en ondertekening van de vaststellingsovereenkomst. Die omstandigheid impliceert immers dat [appellant] eens temeer had kunnen en moeten letten op de wijze waarop die afspraak in de uiteindelijk door hem ondertekende vaststellingsovereenkomst was opgenomen, terwijl hij er – nu de afspraak daarin helemaal niet bleek te zijn opgenomen – op bedacht had moeten zijn dat zijn wederpartij(en) dus ook niet (meer) aan die afspraak gebonden wilde(n) zijn. Waar [appellant] stelt dat de afspraak niet in de vaststellingsovereenkomst verwoord is omdat zij pas na de opstelling van het eerste concept van de vaststellingsovereenkomst gemaakt is (memorie van grieven 5.3), mocht hij daaruit geen conclusies trekken die afdoen aan het voorgaande. Immers, ook [appellant] zelf relateert dat de volgens hem door [B.] op 29 januari 1998 uitgesproken instemming via de advocaat geformaliseerd diende te worden (zo althans had hij de opmerking ‘ik heb opdracht gegeven aan [C.] om het af te handelen’ moeten begrijpen). Nu de door [appellant] op 31 januari 1998 ondertekende definitieve versie van de overeenkomst toch geen melding maakte van die afspraak, terwijl daarin wel het finale kwijtingsbeding was opgenomen, had [appellant] moeten begrijpen dat de – door hem als een bindende toezegging opgevatte – opmerking van [B.] niet had geleid tot een in die vaststellingsovereenkomst geformaliseerde afspraak en dat zijn wederpartij zich derhalve op dit punt kennelijk niet gebonden achtte. Ook de stelling van [appellant] dat de afspraak niet in de vaststellingsovereenkomst staat omdat de omvang van de verplichting nog niet duidelijk was (memorie van grieven 5.3), leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat andere – evenmin in alle opzichten duidelijke – afspraken rond [appellant]’s pensioen wel in (concepten van) de vaststellingsovereenkomst zijn opgenomen (vgl. de uiteindelijke versie van art. 13b en 13c, prod. 1 bij conclusie van eis, en de voorganger daarvan, prod. 3 bij conclusie van antwoord), terwijl uit het door [appellant] zelf gerelateerde verloop van het ‘gesprek’ op 29 januari 1998 (of uit enige andere door hem gestelde of anderszins gebleken omstandigheid) niet is af te leiden dat partijen enerzijds voldoende expliciet besproken hebben waar ze het precies over eens waren en anderzijds dat zij aldus een afspraak wilden maken die – naast de te sluiten vaststellingsovereenkomst en afgezien van het daarin opgenomen kwijtingsbeding – afdwingbaar zou zijn en blijven. Gelet ook op de moeizame totstandkoming valt in dat verband ook moeilijk in te zien – en zijn ook geen omstandigheden gesteld die erop duiden – dat Eemsmond c.s. bereid zouden zijn na (en los van) het overeenkomen en opstellen van de vaststellingsovereenkomst (waarin dus ook vervat het kwijtingsbeding), aanvullend een toezegging te doen op het punt van de pensioenschade.

4.9 Het door [appellant] weergegeven verloop van die onderhandelingen – waaronder het toesturen van de stukken op 12 januari 1998, het noemen van de pensioenschade in de bespreking van 13 januari 1998 en het gegeven dat [appellant] met uitzondering van het gesprek op 29 januari 1998 geen woord met zijn wederpartij gewisseld heeft over de pensioenschade – kan evenmin tot een ander oordeel leiden. In de eerste plaats blijkt uit dit relaas dat de pensioenschade volgens [appellant] vanaf 12 januari 1998 bij zijn wederpartij in beeld gebracht was, zodat hij er ook daarom niet op mocht vertrouwen dat een kort voor de ondertekening van de overeenkomst bereikte overeenstemming op het – in [appellant]’s lezing – laatste nog hangende punt door zijn wederpartij buiten die overduidelijk als finale vastlegging bedoelde overeenkomst zou worden gelaten. In de tweede plaats is in deze context van belang dat tussen partijen ook nog een andere pensioenkwestie speelde – te weten de vraag in hoeverre ook de affinanciering van het zogenaamde Lommertspensioen voor rekening van Eemsmond c.s. zou plaatsvinden. De toezegging van [B.] had – volgens [appellant]’s eigen verklaring – tot consequentie dat (ook) het nader uitzoeken van die kwestie niet meer nodig was. Daarmee had [appellant] er eens temeer op bedacht moeten zijn dat de summiere zinnen die hij en [B.] op 29 januari 1998 uitwisselden, in de beleving van zijn wederpartij betrekking konden hebben op de – wel in de overeenkomst geregelde en ten opzichte van het concept in [appellant]’s voordeel geamendeerde – toezegging inzake het Lommertspensioen althans op een andere pensioenkwestie dan de door [appellant] bedoelde pensioenschade. In dat verband moet ook worden opgemerkt dat de uiterst summiere wijze waarop de afspraak in [appellant]’s beleving tot stand gekomen was, welhaast impliceerde dat een nadere vastlegging – waarbij voor de hand lag: in de vaststellingsovereenkomst – noodzakelijk was.

4.9 De voorgaande omstandigheden – gezien ook in hun onderlinge samenhang en in samenhang met de overigens nog gestelde en gebleken omstandigheden – leiden tot het oordeel dat [appellant] redelijkerwijs niet mocht verwachten dat Eemsmond c.s. aan de gesloten vaststellingsovereenkomst en het daarin opgenomen kwijtingsbeding een andere betekenis konden of moesten toekennen dan de hiervoor onder 4.6 bedoelde letterlijke betekenis van het beding. De omstandigheid dat een oorspronkelijk ter begroting van de pensioenschade genoemd bedrag in de administratie van Eemsmond Beheer B.V. zou zijn opgenomen, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat – zoals hiervoor al is aangestipt – tussen partijen in het kader van de afwikkeling van het dienstverband meerdere pensioenkwesties ter sprake waren, zodat aan het doen van een enkele boeking – waarover boekhouder [A.] zelf verklaard heeft dat hij deze aanvankelijk geheel op eigen initiatief uitvoerde, terwijl hij meende dat daarmee het totale met de pensioenkwestie gemoeide bedrag geboekt was – op zichzelf geen doorslaggevende betekenis toekomt bij het beantwoorden van de vraag wat partijen over en weer moesten begrijpen omtrent de aan het kwijtingsbeding ten grondslag liggende bedoelingen.

4.10 Omgekeerd volgt uit de hiervoor besproken omstandigheden dat Eemsmond c.s. – zelfs als de door [appellant] in zijn getuigenverklaring gegeven feitenlezing wordt gevolgd – erop mochten vertrouwen dat uit de nadien ondertekende vaststellingsovereenkomst en het daarin vervatte kwijtingsbeding voortvloeit dat [appellant] op het gebied van zijn pensioen geen andere aanspraken had dan hetgeen in art. 13a-13c van die overeenkomst is verwoord.

4.11 De conclusie van dit alles luidt dat ook ingeval zou komen vast te staan dat de volgens [appellant] tussen hem en [B.] op 29 januari 1998 uitgewisselde zinnen inderdaad zijn uitgesproken en deze zinnen bovendien gekwalificeerd moeten worden als een aanvankelijk afdwingbaar bedoelde toezegging op het punt van de pensioenschade, art. 18 van de vaststellingsovereenkomst aan toewijzing van het thans door [appellant] als nakoming van die toezegging gevorderde in de weg staat. De in deze procedure nog resterende vordering van [appellant] moet dus worden afgewezen.

4.12 De grieven falen en het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk gestelde partij moet [appellant] ook in de kosten van de procedure in hoger beroep worden veroordeeld. Over de kosten van de procedure in cassatie heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 2 april 2004 al een beslissing gegeven.

De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Groningen van 8 januari 1999;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Eemsmond c.s. begroot op € 3.403,35 voor salaris van de procureur en op € 4.242,85 voor verschotten in de procedure voorafgaand aan het cassatieberoep en op € 7.896,-- voor salaris van de procureur in de procedure na afloop van het cassatieberoep;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van den Brink, Mannoury en Groen en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 december 2007.